Van 't viooltje dat weten wilde

Part 4

Chapter 4 4,114 words Public domain Markdown

Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig zou kunnen maken.

Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, dat zij hem boven alles bezig hield.

Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde maken, zonder dat hij wist hoe.

Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën.

Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde de koning toe.

--Geluk is rijkdom, zei de een.

Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.

--Geluk is weten, leeraarde een tweede.

Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.

--Geluk is gezondheid, meende een ander.

Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, deed hem zwijgen.

--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette een heel diepzinnig gezicht.

Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!

Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor en, op de vraag die hem geen rust liet.

--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!

Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!

Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem vriendelijk opnam.

Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning genaderd, boog hij zich, en zei:

--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld.

Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die vraag te geven is.

De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik u geven kan.

Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten doen ontbranden in rustige harten.

Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin van vredig menschen-geluk.

De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:

--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!

De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.

--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.

Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.

Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven verrichten bij den prins.

--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor hun schoonheid.

Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, zijn gansche leven.

Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.

De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.

Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.

De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor zijn vader, den koning.

Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, zijn krans op den grond.

Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:

--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?

--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra zij Uwe Hoogheid zagen!

--Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt!

Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.

--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem de mooiste vinden kunt.

--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden ... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.

--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen ... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden hebben..................

Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder leeg zou zijn gebleven.

Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen hadden zijn geest te ontwikkelen.

Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg als de Liefde.

Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart niet overstemd werd door rumoer van buiten.

--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins!

--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken vraag zweefde, voor zich heen staarde.

--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, dingen die ik misschien gedroomd heb.

--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.

De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen.

Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig land, gesloten worden.

De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht zich te onttrekken.

Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek niet willende weigeren, had hierin toegestemd.

Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van zijn voedster-moeder, en klopte aan.

Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.

--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende; en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, van licht doortrokken, over de verre boomen hing.

De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:

--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, dat u zeker niet verwonderen zal.

De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien....

Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.

Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten zou als ik groot was.

Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, vertrouwende op uw belofte.

Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, en zeg me wat hij beduidt.

De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen, evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.

--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik mijner oogen naar zijn oorsprong....

Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte....

Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich tot den prins, fluisterend:

--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, geen indruk achterlatende.

Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.

--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over de waarheid mijner oogen....

De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.

--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft willen verwijderen uit mijn leven....

Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!...

Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.

En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.

Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat plotseling zijn denken vervulde.

Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.

De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.

Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, en ter aarde wachtende haar straf.

De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen, die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid zou daarna hun loon zijn.

Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.

Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.

Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige aandacht luisterde:

--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?

--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de koning met luid-klinkende stem.

--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we kunnen uitdenken.

En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul van wilde dieren.

Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede als verdwenen.

Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig werd gemaakt door roof en moord.

De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, dat haar als een straf was voorgehouden.

De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij schreide, na jaren van vrede.

--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen ... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.

Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.

De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.

--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen.

Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.