Van 't viooltje dat weten wilde

Part 3

Chapter 3 4,048 words Public domain Markdown

En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.

Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze wel wilden doen.

En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf.

En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.

En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:

"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er uit de verte mee."

Zijn vader had altijd gezegd:

In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die drie samen zijn de "duivel".

Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt.

Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.

Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar "iets héél ergs" van.

En het niet-zoeken noemden ze "God".

Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.

Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem soms zwijgend kust....

Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend.

DE TULP EN DE MADELIEFJES.

Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje.

Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, al hun gedachten, vriendelijke en booze.

De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach.

Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest schijnen...

Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van, dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd.

Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken.

's Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan een rood puntje vertoonde.

--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar zóó iets nog nooit!

--Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal.

--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, 't Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, denkelijk.

En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap des rechtvaardigen.

De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes.

Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte bij 't wakker worden.

Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, gevouwen om te bidden.

Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast konden zien.

Dat gaf me een gebabbel!

De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven, waaronder de aarde geduldig wachtte.

De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij.

--Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis.

--Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód!

--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in 't oog loopen.

--En die rechte houding!

--En die aanstellerige blaadjes!

--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen.

Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- en aanmerkingen.

De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár.

Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en vriendelijk onder elkaar konden zijn.

Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te nemen, en niet verwaand te schijnen.

Ze was toen héél eenzaam.

De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen.

De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen dànkten!... dànkten!...

Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten van hun avondgroet.

Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief toelachende alsof ze hun zuster was.

Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, en dacht aan de sterren.

Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht ... over àlles heen!

Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél, en het kussende met groote liefde....

Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans voor gloed weerom.

Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden: het Licht! de Zon!

Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats innam dan anderen! Ze mòèst het doen!

Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden.

's Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer 't babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van balsemende Zonvreugde.

De madeliefjes fluisterden:

--Heb je 't gezien?

--Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon!

--Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen!

--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, dat ze ons gouden hart mist!

--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien!

--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen!

--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen!

--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes.

--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan 't uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je maar niet daaraan.

Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil, in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren.

De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was, kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen....

En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd stond de eenzame bloem daar.

Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar.

Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch eigenlijk geen kwaad deed!

Dat waren de liefsten...

Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering.

Dat waren de besten....

Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon.

Dat waren de moedigsten....

En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden.

De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden.

De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch wantrouwend.

--Ze meent niets van al haar liefheid!

--Deed ze maar wat gewoner, net als wij!

--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed!

De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel dik, was haar stengel bros en teer.

--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk.

Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken.

Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen.

..................

't Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag, al de witte madeliefjes.

Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze stonden.

Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de Zon gewend.

De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was.

Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos in groezelig water, wijd open, moe....

Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af.

Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over.

Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit 't fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee ... omhóóg ... naar den bloemen-hemel..................

De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der blaadjes, het zwarte kruis.

--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike....

Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, zei vluchtig:

--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al zijn kruiske te dragen gehad!...

En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, dien ze zelf nauw wist.

..................

Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven aanwijzende.

De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats zou aanwijzen.

In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten.

Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun onbekend was.

Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken van verstandhouding met hen wisselden.

Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die vreemde bloemen!

Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog, en trad terzijde.

Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar de vreemde bloemen...

Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen zijn buurtje.

--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding!

--Zou zij er ook bij zijn?

--Ze was kleiner dan één van dezen!

--Zie je haar soms?

En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" er wàs... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed.

Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen....

Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen richtte.

Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad.

Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en fluisterde:

--Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet!

Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg boven hen uit!..................

Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden rood van schaamte.

Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; dat zij hen zou aanklagen!

Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon haar had getroost ... en de sterren!

Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel.

Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht dat haar troost was geweest in haar leven.

De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, en de moedigsten, juichten:

--Ik wist het wel!

En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar....

En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van schaamte.

Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos, héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in 't klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig opkeken naar Haar.

Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf als een gedachtenis.

En zoo is het gebleven tot op dezen dag.

ELZE