# Van 't viooltje dat weten wilde

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/van-t-viooltje-dat-weten-wilde-10334/index.md

Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.

Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:

--Ben je wakker?

--Al lang! zei de kikker bedaard.

--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen!

--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.

--Wat is dat?

--Waar ik zal gaan eten!

--Wat is eten?

--Dat moet je doen om te blijven leven.

--Ik doe het toch nooit!...

--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, met je wortels die er in vastzitten!

Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde leefde? Waarom?

--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van haar overdenken.

--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding bewarende.

--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan 't geen ik niet begrijp.

--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!

--Je komt toch weer terug?

--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.

--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan iets denk?

--Praat er dan niet over.

--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar eten en kom gauw terug.

De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van 't stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.

Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.

Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, dat over haar heen hing als een dikke sluier.

Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.

--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop.

Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar die lieve stem-muziek.

--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren!

Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.

Maar het licht kuste haar, en zweeg.

Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, de stem van de Vrouw hoorde.

--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.

Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:

--Het licht is uit haar stem!

Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.

--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje.

De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, riep zoo hard ze kon:

--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw!

De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, en keek naar den grond.

De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en luisterde....

--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje.

Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze wijd, wijd open omhoog zagen....

En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:

--Aardig, dat ruischen van die dennen!

--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet sentimenteel zijn!

Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.

--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.

Juist kwam hij aanspringen.

--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.

--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.

--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.

--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.

--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze nú wel.

--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar oogen, toen ik haar riep.

--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat is héél zeldzaam! En kwam ze bij je?

--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, of bij me houden.

--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die kàn je niet weervinden!

--Tranen! Wat zijn dat?

--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels die neervallen.

--Wat zijn dat?

--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.

--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde 't viooltje.

--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?

--Neen, wat is dat?

--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch wel lichtjes?

--Ja!

--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er niets over van hun licht. Dat is dan óók weg!

--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet dat zoo zijn?

--Begin je al weer met den duivel aan te roepen?

--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!

--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.

--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?

--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet met dingen die je niet aangaan!

--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?

--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!

--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi hier"; vindt dié dat dan goed?

--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.

--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde het viooltje weer.

--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè, wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!

En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.

De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.

--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.

De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.

--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie eens! Zie eens!

Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.

--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb het gezién!...

De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn pas, en verdween.

--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!

--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet, wat zij weten!

--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet!

--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!

--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit.

Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg.

--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk treurig!... snikte 't viooltje.

--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.

--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door "waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden.

--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist voorbij vloog.

--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, innig treurig.

--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar het beste, als ik je alleen liet.

De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, waar het weiland was.

Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante....

Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn....

--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan!

--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet!

--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is....

--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd tegen elkaar.

--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...!

--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de storm komt en ik ben er niet meer?

--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren om antwoord.

--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu, ik ga dan maar! Goeden dag!

De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van 't praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.

Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel succes had.

--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen, te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl denk!... Vaarwel!--

En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer alleen te zijn.

Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud om aan te raken!

--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje ziende.

't Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van de menschen, waar hij zooveel van wist.

"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, 't Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.

.........

Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, en vroeg "waarom?"

En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene, statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.

Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"

En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg ... zonder antwoord te geven.

Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?"

En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.

Zoo gingen lange, lànge uren voorbij.

Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.

Ze werd heel stil.

Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.

Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad.

Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.

--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.

De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief de gevouwen handen op.

Toen gebeurde het.

Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar hoofd lei ze op haar gevouwen handen.

En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot het viooltje:

--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze.

--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:

--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?

En wachtte.........

En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken.........

En ze wachtte.........

Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het uitstraalde.

En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister leed, op de zwarte zwijgende aarde.

En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles.

Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is....

Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden nu, zonder licht er in.

--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd!

De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.

--Dat was het éénige Licht ... zei ze....

En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.

Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode bloempje ... om het te zièn....

Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ...

En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen ... wist niemand waarheen die te zamen gingen.

--Naar het Licht ... dacht de Vrouw.

Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar ze vallen.

Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde doet geboren worden.

Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven, zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, die niet loslaten.

Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.

..................

