Van 't viooltje dat weten wilde

Part 1

Chapter 1 4,367 words Public domain Markdown

Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.

Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE

DOOR MARIE METZ-KONING

INHOUD.

Van 't Viooltje dat weten wilde De Tulp en de Madeliefjes Elze De Watermolen. Wat het Beekje vertelde

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.

In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.

Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.

Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.

Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.

Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over het zandpad elkander raakten.

Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle op gelijken afstand van elkaar.

Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het pijn wou doen.

Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!

Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind wat sterker werd.

De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen, weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!

Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere, en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, dik-zwart, één waren met den nacht.

Dit alles boeide haar.

Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap zonder droomen.

Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen kant kon ze maar even zien.

Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van omhoog zitten, en wijs neerzien.

Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:

--Hè, wat is dat?

--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap stoor! 't Was bij ongeluk!

--Maar wie ben je?

--Ik heet kikker!

--Wat doe je hier?

--Wel, springen, natuurlijk!

--Waarom?

--Waarom! waarom! omdat ik het doe!

--Moet je het dan doen?

--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op dezelfde plaats blijven!

--Waarom niet?

't Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.

--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen "waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me altijd erg uit mijn humeur brengt.

--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?

--Op 't oogenblik van den straatweg.

--Wat is dat?

--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.

De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.

--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.

--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!

--Wat zijn menschen?

--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.

--Waarom doen ze zoo?

--Wat heb ik je gezegd?

--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje nederig.

--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?

--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.

Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!

--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt, raadde ze goed.

--Den wind meen je!

--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!

--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg, hoe oud ben je?

--Wat bedoel je daarmee?

--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?

--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en daarna is 't nog eens weg geweest.

--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, en of de aarde van binnen kermt!

--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!

--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder me over niets meer!

--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.

Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.

--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit!

--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was 't gezellig, iemand zoo bij zich!

--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.

--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er is zooveel, zie je!

--Wat is dat! riep opeens het viooltje.

Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.

--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms 's nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.

--Slapen die dan nooit?

--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze "duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: 't Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.

En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al weer zijn, om maar veel te doen hebben.--

--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.

--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze: Man; die witte: Vrouw.

Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!

Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even straalden en verdwenen.

Zoo zag het viooltje.

Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, boven het hoofd van de Vrouw.

Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.

De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.

De Man zag haar aan, en zei: "Ja."

Toen weer stilte.

Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten vast hield; en ze spraken niet.

--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen mooi vond.

--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen ze. Stom! eenvoudig stom!

Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al maar zwijgend.

Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.

--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!

Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.

Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen: "Ik heb je nog zooveel te zeggen!"....

De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: "Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."....

Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan strak liggen op den grond.

--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar ben ik zeker van!

--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.

--Vindt je dat dan zoo prettig?

--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik houd zoo van licht!

--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?

--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze weêr kwam!

--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!

--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien hebben!

--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.

--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht 't viooltje.

De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes tegen hem op.

--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.

De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.

--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.

--Naar niets!

--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!

--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, omdat ze veel te doen hebben.

--Hij zag het licht van haar stem!

--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo, omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: ik wil niets te doen hebben!

--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!

--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!

--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't mijne wezen!

--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze 't, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven.

--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden, als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij je blijven.

--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.

--Dan vind ik den duivel zoo erg niet!

--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!!

--Hoe kwam je vader bij de menschen?

--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.

De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo mooi van zijn avonturen vertellen toen!

Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?

--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.

--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.

--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, als ik wakker werd, en je was er dan nog.

--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.

--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!

--Ik droom nooit.

--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen: "Wat is het mooi hier!"

--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!

--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.

--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in zijn kop.

Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.

Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het geluk, niet meer alleen te zijn.

En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.

En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt het lichtende geluk in zich, overal.