Van strak gespannen snaren

Chapter 9

Chapter 93,888 wordsPublic domain

Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.

En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't kruis.

Dan wordt 't bevestigd: _hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere_. Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende, vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend, wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:

Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben, aller Dinge Grund und Leben; Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder: Ich senk mich in Dich herunter. Ich in Dir, Du in mir; lasz mich ganz verschwinden, Dich nur sehn und finden.

Dat is:

Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven, aller dingen Grond en Leven; Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen: Ik zink in U ten onderen. Ik in U, Gij in mij: laat mij geheel verdwijnen, U slechts zien en vinden.

O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!

_Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof._ Waar alles wordt afgesneden, hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.

_Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde._ De verdrukking is de stormwind, die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het »God heb ik lief!" van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen, dat zulken zegen brengt?

_Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon._

Je gröszer Kreuz, je schöner Krone, Die Gottes Gnad uns beigelegt, Und die einmal vor seinem Throne Der Uberwinder Scheitel trägt, Ach, dieses teure Kleinod macht, Dasz man das gröszte Kreuz nicht achtet.

Dat is:

Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon, Die Gods genade heeft toegelegd, En die Hij eenmaal voor Zijn troon, Om 's overwinnaars schedel vlecht. Ach, dit duurzaam kleinood maakt Dat 't grootste kruis als niets is geacht.

Geliefde gemeente, hoe 't hier op aarde ook met u en mij ga, dengenen, die den Heere liefhebben, werken alzoo alle dingen mede ten goede. Laat ons dit vasthouden! Laat de Azafswensch de onze zijn: »_Maar mij aangaande, het is mij goed, nabij God te wezen._" Met Mozes zullen wij dan eenmaal aan des Heeren mond mogen ontslapen.

Daartoe zij de Heere met u en met mij!

Ontvangt wederom de hartelijke groeten mijner huisgenooten, en gedenkt mij steeds als

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 5 Maart 1914.

_Geliefde gemeente!_

De vogeltjes tjilpen alweer. De voorboden der komende lente vertoonen zich alweer. De landman gaat weer uit tot zijn akker, om dien voor de ontvangst van 't zaad te bereiden.

Tegenover mijn raam staat van den morgen tot den avond een man te spitten. Met forschen stoot zet hij telkens de spade in den grond. Alsof ze een veer ware, licht hij de losgewrongen kluit met zijn spade op. Met een lichte handbeweging werpt hij den klomp aarde in stukken op haar plaats. Zoo werkt hij door, slechts nu en dan even verpoozend, den elleboog op den knop van zijn spade, zijn klomp op 't staal doende rusten. En dan gaat hij weer voort met zijn zwaren arbeid, totdat etenstijd hem een wijle huiswaarts roept.

Deze stoere werker doet mijn hart branden van verlangen, om ook alzoo de spade in den grond te zetten op 't terrein, dat ik aanvankelijk betrad. Geduld! Geduld! De Heere maakt alles schoon op zijn tijd. Hoe heerlijk leert ons dit de roeping van Mozes bij 't brandend braambosch, waarbij ik deze week nogal eens werd bepaald.

Mozes heeft nu den leeftijd van tachtig jaren bereikt. Nog is zijn schouder ongebogen; maar hij is de fiere jonge man niet meer, in wiens aderen 't bloed dadelijk bruist en kookt; die den aanrander van den volksgenoot met één slag velt, de herders van Midian op de vlucht drijft, en Zippóra's schapen drenkt. De kalmte der grijsheid heeft de onstuimigheid der jeugd vervangen.

Echter moeten wij ons niet voorstellen, dat hij door het veertigjarige woestijnleven ruw geworden is. In de tenten der Oostersche Bedoeïenen heerschte vaak meer hoffelijkheid dan in de paleizen der stedelingen.

Mozes heeft iets buitengewoons eerwaardigs, terwijl hij de kudde voortleidt, tot achter in de woestijn, bij Horebs berg.

Waarom, Mozes, voert ge uwe kudden zóó ver weg, tot achter in de woestijn? Waarheen wendt zich vol heimwee uw oog? Blijft daar nog een hope sluimeren op den bodem van uw hart, dat gij toch nog eens als redder zult optreden van dat volk, dat daarginds in slavenboeien zucht?

Plotseling worden zijn gedachten afgeleid door iets in zijn nabijheid. Een boschje staat in brand. Dit was niets ongewoons. 't Gebeurde wel meer door de onvoorzichtigheid van herders met 't vuur, dat er alzoo een woestijnbrandje ontstond.

Zulk een brand is echter eindelijk uitgebrand; maar deze blijft gloeien, altijd sterker, altijd verhevener.

Ware Mozes bijgeloovig geweest, hij ware op de vlucht gegaan. Hij gelooft; daarom gaat hij op onderzoek uit.

O wondervol gezicht! Blinkend, doch niet verblindend gaan hoog de vlammen op. Niet verterend, maar verlichtend, omzweeft de lichtvolheid, de lichtheerlijkheid 't braambosch.

Hoort een stem, die Mozes zegt, den schoenriem te ontbinden, omdat deze plaats heilig is!

O groot oogenblik in Mozes' leven!

De Heere spreekt!

De Heere spreekt, en zegt Mozes, dat Hij is neergekomen om de verdrukking van Zijn volk te zien. Een menschelijke wijze van spreken, waarin de Heere Zijn nederbuigende goedheid aanschouwelijk maakt.

De Heere spreekt, en roept Mozes om 't verdrukte volk uit Egypte te leiden, en naar Kanaän te voeren. Welk een roeping!

Zullen de verdrukten zich nu laten leiden?

Hoe zal Faraö bewogen worden de zeshonderdduizend werkkrachten, die hij gebruikt tot wat hij wil, te laten trekken?

Op wien zal Mozes mogen steunen bij de voldoening dezer onafzienbare taak?

De Heere noemt Mozes Zijn Naam: »Ik zal zijn, Die Ik zijn zal! Ik zal zijn!"

Welk een roeping!

De Heere is de _Zijnde_! Hij is niet een _wordende_ God, zooals Hegel leert. Hij is de Zijnde. De eenige wezenlijke. Het éénige, eeuwige, volmaakte wezen, buiten wien er niets wezenlijks is, en aan wien al wat is zijn ontstaan en voortbestaan dankt.

De Heere is de _Ik zal zijn_. Zijn raad bestaat, en Hij doet al Zijn welbehagen.

Niets kan Hem weerstaan. Hij schept werelden door een enkel woord van Zijn mond. Hij vernietigt koninkrijken met den adem Zijner lippen.

De Heere is de _Ik zal zijn, die Ik zijn zal_. De Getrouwe. Hij zal zijn, wat Hij heeft toegezegd te willen zijn. De Heere vergeet Zijne beloften niet. Hij moge uitstellen, dit uitstel dient slechts tot de meerdere glorie van Hem, die een afgesnedene zaak op aarde doet.

In dezen Naam is Mozes naar Egypte gegaan.

In dezen Naam heeft de tachtigjarige zijn reuzentaak op luistervolle wijze volvoerd.

Op Zijn tijd maakt de Heere alles schoon.

Maar wij zien nu geen brandende braambosschen meer, en wij hooren nu geen hemelstemmen meer.

Toegegeven. De openbaring Gods is thans voltooid. Hij, die met Zijn lichtvolheid woonde in 't nedere, nietige braambosch, heeft Zich na dien tijd zelfs nog heerlijker geopenbaard. Hij is met de volheid Zijner Godheid gekomen in nedere dienstknechtsgestalte.

En Hij, die eenmaal zóó Zijn werk op aarde volbracht, en nu gezeten is ter rechterhand van den Vader, woont ook nu nog met Zijn Genade en Geest bij Zijn arm en ellendig volk.

Ja, 't braambosch brandt ook nu nog voort. Als bij de Emmausgangers, is Hij ook nu met de Zijnen op hun weg, op hun beproevingsweg, en maakt hunne harten brandende.

De Heere spreekt ook nu nog tot Zijn volk, door Zijn Woord en Zijn Geest, innerlijk en inniglijk in de ziel.

Hij noemt ook nu nog Zijn Naam voor 't oor van Zijn volk.

Indien één ding, dan heb ik dit duidelijk ervaren. Daarom, jubel op, o mijn ziel, in den Naam van Uwen getrouwen God! Jubel hoog op, en verlaat u geheel op Hem!

Befiehl du deine Wege Und was dein Herze kränkt, Der allertreusten Pflege Des, der den Himmel lenkt! Der Wolken, Luft und Winden Gibt Wege, Lauf und Bahn, Der wird auch Wege finden Da dein Fusz gehen kann.

Dat is:

Beveel gerust uw wegen, Al wat u 't harte deert, Der trouwe hoede en zegen Van Hem, die 't al regeert! Die wolken, lucht en winden Wijst spoor en loop en baan, Zal ook wel wegen vinden, Waarlangs uw voet kan gaan.

Dit bekende vers van den vromen Paul Gerhardt was een der eerste verzen, die opgegeven werden, toen ik Zondag 4 October 1913 voor de eerste maal de Duitsche kerk te Heidelberg binnentrad. Ge begrijpt, dat ik moeite had, mijn tranen te bedwingen. Daar zag ik 't braambosch brandende. Daar hoorde ik de stem des Heeren, tot mij sprekende in het gemeentelijk gezang.

Sindsdien heb ik ook geluisterd naar den raad, die verder in dit lied van Gerhardt gegeven wordt:

Auf, auf, gib deinem Schmerze Und Sorgen gute Nacht! Lass fahren, was das Herze Betrübt und traurig macht! Bist du doch nich Regente, Der alles führen soll, Gott sitzt im Regimente Und führet alles wohl.

Dat is:

Schep moed, zeg aan uw smarten En zorgen goeden nacht! Laat varen, wat uw harte In onrust heeft gebracht. Gij wilt toch niet regeeren Als een, die alles weet. God blijft als Heer der Heeren Met 't hoogst gezag bekleed.

Ja, zoo is 't.

Hij maakt 't alles wel, hetzij Hij onze aardsche wenschen vervult of niet. Hij stelt nooit teleur. Geeft Hij niet, wat wij begeeren, zoo doet Hij dit om 't meerdere in de plaats te geven.

Hij maakt alles schoon op Zijn tijd.

Leef, geliefde gemeente, in dit geloof!

Werp steeds alle bekommeringen op Hem!

Het einde Zijner wegen is de glorie van Zijn Naam en de zaligheid van Zijn volk!

Weest allen tezamen dan dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 10 Maart 1914.

_Geliefde gemeente!_

Terwijl ik u dezen brief schrijf, maak ik mij gereed om wederom naar Heidelberg te gaan, om mij daar voor de vierde maal onder behandeling te stellen.

Was 't verloop van de derde kuur prachtig, de nawerking daarvan heeft niet beantwoord aan de verwachting, die ik ervan koesterde. De dikte in den mond blijft, nu en dan heb ik nog hevige pijn, en in de laatste veertien dagen heb ik 's nachts slecht geslapen.

Ik wil echter allerminst klagen. Integendeel, wanneer de vreeselijke pijn mijn mond doorsnijdt, buig ik mij vol aanbidding voor de heiligheid des Heeren Heeren. Ik beschouw dezen kanker als een vruchtgevolg der zonde. Maar hij is voor mij ook een vuur Gods, dat mij doorloutert. Hij is voor mij ook een middel in Gods Hand, waardoor Hij mij brengt op de aller-, allerliefste plek, op de vlakke velden, waar onze Koning en Borg Zich in al Zijn schoonheid aan de ziel vertoont.

Dan heb ik innerlijke vreugde in 't midden van de diepe smart, en stem ik in met wat de dichter zingt:

Maar, 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wensch verkrijgen; Hun blijdschap zal dan onbepaald, Door 't licht dat van Zijn Aanzicht straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft, Hem eeren! Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn Naam is Heer der Heeren.

In dien Naam ga ik dan ook vol goeden moed weer naar Heidelberg. En zou ik niet? Hij heeft mij derwaarts den weg gewezen en gebaand. Ik kan niet anders doen dan Zijn goedheid daarin bewonderen. Voor de vierde maal heeft Hij de beide lieve broeders, die zich zoo sterk voor mij interesseeren, in staat gesteld de noodige middelen te vinden. Van 't oogenblik af, dat ik in Heidelberg kwam, heeft de Heere de middelen als wonderdadig willen zegenen. Zoude ik dan geen moed houden, en voortgaan op hope tegen hope, mij vasthoudende aan den Heere als ziende den Onzienlijke?

Maar terwijl ik alzoo vol moed den geliefden vaderlandschen bodem weer voor eenige weken ga verlaten, is mijn hart vol van ernstige gedachten over de toekomst van ons volk, waaronder in de laatste jaren zulke gewichtige omkeeringen hebben plaats gegrepen, en inzonderheid over de toekomst van ons Gereformeerd volk.

Kort geleden sprak ik met een Duitsch predikant. Met grooten ophef sprak hij van den wederopbloei van 't Calvinisme in ons Vaderland. Ons land is anders voor het buitenland geen stad op een berg; maar dit weet men daar dan toch, vooral in Duitschland, dat »der Calvinismus" alhier zulk een grooten »Aufschwung" gemaakt heeft.

Later over dit gesprek nadenkende, vatte de vrees bij mij post, dat in de laatste jaren de machtige ontwikkeling van het Calvinisme eenigszins tot stilstand is gekomen.

Dit stemde mij droevig, vooral met het oog op de jongste evoluties op politiek gebied.

Wie had een jaar geleden ook maar eenigszins kunnen denken, dat geschieden zou, wat wij thans voor onze oogen zien afspelen?

Cort v. d. Linden is de eerste Minister, en schrijft algemeen kiesrecht als punt één op zijn program. Verbeeld u, Cort van der Linden! In zijn staatkundigen brief van December herinnert Van Houten nog aan 't volgende feit: »Tegenover Cort van der Linden stond ik een dertigtal jaren geleden in het politiek strijdperk te Groningen, waar hij toen hoogleeraar was. Het toenmalige _comité voor algemeen kiesrecht_ had er een meeting belegd, die sterk was bezocht. Mr. W. Heineken trad als zijn woordvoerder op en werd hevig bestreden door B. D. H. Tellegen en Cort van der Linden. Ik schaarde mij aan de zijde van Heineken en verzocht den kiezers bij mijn aanstaande aftreding partij te kiezen. De uitdaging werd aangenomen door candidaatstelling van Cort van der Linden." En dezelfde Cort van der Linden, overigens een man van een vast karakter, is thans opgetreden als Minister om algemeen kiesrecht daadwerkelijk in te voeren!

Daar is in de tweede plaats de heer Treub, evenals Cort van der Linden een man uit één stuk. Vóór de verkiezing van 't vorige jaar bedankte hij voor een hernieuwing van zijn mandaat als lid van de Kamer, omdat hij niet kon meegaan in de actie der linker-partijen voor staatspensionneering. Ook is dezelfde Minister zoo fel mogelijk gekant tegen de liefdadigheid. »De liefdadigheid," zoo schrijft hij in zijn »Sociale Verzekering", »is per slot van rekening niet voor den gever, maar voor den ontvanger; voor den gever moge zij zalig zijn, voor den ontvanger is zij, omdat hij er geen aanspraak op heeft, die hij met opgeheven hoofde kan doen gelden, maar er om bedelen moet en er door vernederd wordt, een _pest_." Na de verkiezing wordt de heer Treub Minister, en wat is nu zijn eerste regeeringsdaad? Een voorstel van een staatspensioentje, een voorstel tot oefening van staatsliefdadigheid jegens behoeftige ouden van dagen.

O tuimeling der geesten!

En wanneer nu aan deze verantwoordelijke Ministers rekenschap van deze regeeringsdaden wordt gevraagd, wijzen zij eenvoudig naar den wil van 't souvereine volk. Zij huldigen de leer van koning Leopold I, die met een kniebuiging de kroon uit de hand van 't souvereine volk ontving. Zóó vragen ook deze Ministers niet: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten, maar: wat zegt de volkswil? En wat is die volkswil? Hoe wordt hij saamgesteld? Wie spreek hem uit?

Voor ons land is het antwoord daarop gemakkelijk te geven!

Van 't eerste optreden der sociaal-democratische partij heeft haar leider, Mr. P. J. Troelstra, het algemeen kiesrecht op den voorgrond geschoven. Met dien eisch heeft hij de linkerzijde eerst verdeeld, en daarna over haar geheerscht. Daarna is hij nog gekomen met den eisch van staatspensioen. Wilden de vrijzinnigen tegen de sociaal-democraten opbieden, en wilden ze bij de herstemmingen op hun hulp en steun rekenen, dan waren zij verplicht, deze beide, algemeen kiesrecht en staatspensionneering, in hun programma's te schrijven. Alzoo geschiedde. De vereenigde linkerzijde triumfeerde. Nu heet 't dat algemeen kiesrecht en staatspensionneering door den volkswil zijn uitgesproken. 't Is eigenlijk de wil van Troelstra. Feitelijk doen Cort van der Linden en Treub niet anders dan dat zij buigen voor Troelstra. Snorkend, maar niet zonder grond, noemde Troelstra dan ook dit Kabinet zijn zaakwaarnemer.

Kan 't erger?

Gelukkig is er in Nederland nog een volk, dat nooit ofte nimmer voor den schepter van Mr. Pieter Jelles' volkswil bukt. En dat is 't Calvinistische volk.

Maar tegen dit volk heeft zich zijn haat en die zijner partij dan ook 't felst gekeerd. Duidelijk kwam dit wederom uit bij de Kiesrechtmanifestatie op 1 Maart te Amsterdam in het Paleis voor Volksvlijt. Door de beide sprekers, Oudegeest en Troelstra, werd daar vooral op de lachspieren gewerkt. En wanneer brulde 't instemmingsgeroep? Wanneer er gespot werd! Zooals door Oudegeest: »Minister Rambonnet zendt niet den Bijbel, niet Bunyans Christenreize naar de eeuwigheid op de vloot, maar Treubs boek tegen 't Marxisme!" En door Troelstra, toen hij de Eerste-Kamerleden belachelijk maakte, en hen aanraadde, wat meer zorg te hebben voor het heil hunner onsterfelijke ziel.

In den grond is heel de strijd der sociaal-democratie evenals die der vrijzinnigheid niets anders dan een anti-christelijke strijd. Op den bodem van elke wetenschap ligt de Theologie, ook van de sociologische wetenschap. Het ongeloof is de wortel, waarop vrijzinnigheid en sociaal-democratie stoelen; revolutie, opstand tegen God en Zijn Gezalfde, is beider vrucht.

Daarom is de haat dan ook zoo fel van 't socialisme tegen den levenden God. Op treffende wijze is dit verklaard door Sertillanges in zijn werkje »Nos luttes", »Onze worstelingen". Hij spreekt daarin over den politieken strijd, den klassenstrijd en den Godsdienststrijd. Er is niets, zegt hij, wat de hartstochten zoo in beweging brengt als de politiek. De klassenstrijd kweekt daarbij haat. Nu zou men denken, dat de Godsdienst vrede zou brengen. Maar neen, zij brengt olie in 't vuur. Christus heeft gezegd, dat Hij gekomen is, om 't zwaard te brengen op de aarde, en de tegenpartij voelt in de partij van den levenden God de scherpte van Christus' zwaard. (Sertillanges, Nos luttes, bladz. 137 en 138).

Onwillekeurig komen de scherpste partijen 't meest tegenover elkander te staan. De middenpartijen vallen weg. Het scherp gekleurde komt op den voorgrond.

Alzoo is dan ook nu reeds vervuld, wat ik reeds voor jaren in mijn »Calvinisme en Socialisme" opperde, dat in Nederland de groote strijd om de leiding der geesten in de toekomst zou gestreden worden tusschen Calvinisme en Socialisme.

Wie zal in die worsteling triomfeeren? O zoo gemakkelijk kon 't Calvinisme overwinnen, wanneer 't één was!

Maar helaas, hoeveel soorten van gereformeerden zijn er niet! Er zijn Gereformeerden A en B, Christelijk-Gereformeerden, oud-Gereformeerden, de mannen van den Gereformeerden Bond, voorts die van de Confessioneele Vereeniging.

Welk een kracht zou er van 't Calvinisme in ons vaderland uitgaan, wanneer al deze Gereformeerden eens werkelijk één waren!

Maar dit worden ze toch nooit, hoor ik zeggen. Ziet maar eens, hoe scherp ze tegenover elkander staan! De één wil nog gereformeerder zijn dan de ander; dezen worden nooit één.

Wie durft dat beweren?

Gelooven wij dan niet meer in den Heiligen Geest?

Werkt Gods Geest niet meer in Gods volk?

Werkt Hij de gemeenschap der heiligen niet meer?

Wie dat wilde beweren, randde daarmede de eere en het werk des Heiligen Geestes aan!

Vereeniging van de partijen in de Ned. Herv. Kerk is een onmogelijkheid. Vereeniging van alle Gereformeerden is mogelijk, en noodzakelijk. Gods eere eischt, de nood der tijden vordert 't.

O wat zou 't Calvinisme ten onzent in ontwikkeling voortschrijden, wanneer deze vereeniging eens tot stand kwam! Dan werd ons land waarlijk als een stad op een berg!

Komt, Geliefden, sturen we dan daarop aan, in gebed, in omgang, in arbeid!

Maar ik moet eindigen. Mijn brief is reeds veel te lang. Het is ook een onderwerp, dat mij reeds lang bezighield. Ik verheug mij, dat ik, wat mij vervult, nog eens heb mogen uitspreken.

Weest tezamen den Heere bevolen. Gedenkt in uwe gebeden

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 17 Maart 1914.

_Geliefde gemeente!_

Zoo zijn wij dan Woensdag den 11en Maart wederom gegaan naar Heidelberg, de oude hoofdstad van 't oude keurvorstendom de Paltz; thans een stad van den tweeden rang in 't groothertogdom Baden, maar als universiteitsstad en als een der centra van de hedendaagsche cultuur geenszins de minste onder de dochteren van Duitschland.

Voor mij is Heidelberg de stad van Czerny en Werner, van 't Samariterhaus, van 't kankerinstituut.

Hoe gaarne ik anders steeds naar Heidelberg ga, ditmaal had ik zeer tegen de reis opgezien.

De laatste veertien dagen had ik thuis bijna niet geslapen, en ieder die weet wat slapelooze nachten zijn, kent ook hunne verschrikkingen, en weet hoe ze doen afnemen in krachten.

Toch waren niet alle slapelooze nachten even donker en bang. Wanneer de Heere 't mij gaf, mij in de stilte van den nacht diep onder Zijne kastijdende hand te verootmoedigen;--wanneer Hij 't mij gaf dan aldus in mijn binnenste te spreken:

»Heere, Gij zijt rechtvaardig en heilig, ik ben boos en onrein! Gij doet geen onrecht, Uwe zware kastijding is zoo volkomen rechtvaardig! Maar bij U, Heere, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt! Dit hebt Gij getoond in de overgave van Uwen lieven Zoon, opdat Hij onze zonden zou dragen, en onze krankheden op Zich zou nemen! Ach, Heere, neem dan om 't lijden en de gehoorzaamheid van Uwen lieven Zoon deze krankheid weg, en laat Uwe genade bij mij blijven. Ach Heere, ontferm U om Jezus' wille over mijn arme vrouw, over mijn arme kinderen, over mijn ouden vader, over allen, die mij lief en dierbaar zijn! Heere, wees mij genadig en genees mij! Gij hebt mij beloofd, voor mij te zullen zorgen. Gij hebt tot hiertoe deze belofte zoo lieflijk vervuld. Ach, wil Gij nu Uwe weldadigheid en trouw verheerlijken in de zorg voor mijn volkomen genezing! Ik vraag niet te veel, Heere! Gij zijt de Machtige, die spreekt en het is er. Gij hebt de middelen reeds geschonken. Nu hangt alles nog aan Uwen zegen. Ach Heere, spreekt het genadewoord, het wonderwoord, het machtwoord van zegen over de middelen, en ik zal genezen! Maar hebt Gij in Uw Raad vastgesteld, mij nu door den dood weg te nemen, ach geef mij dan genade, dat mijn wil lieflijk verslonden zij in Uwen wil, en geef mij dan door 't geloof een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Behaagt 't U nog jaren tot mijne levensdagen toe te voegen, geef mij dan in een Christelijk leven en in Christelijken arbeid hier op aarde reeds te blinken als een parel aan de Middelaarskroon van Jezus!"