Chapter 8
Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.
Vreeselijk!
Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad: »Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en echtbreuk even goed hun werk als in Parijs." Het blad raadt dan ook aan, Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te overladen.
Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die 't dreigend gericht voorspellen.
Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden van Lasserre las over den bekenden Franschen schrijver Ernst Hello. Deze Hello is met recht genoemd de Pascal der 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk geschreven, getiteld: »l'Homme"; »de mensch".
Lasserre geeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende passage mede.
Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't volksleven geheel vermolmd.
De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe gegoten was.
Men lachte om dit ding.
Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in de Kamer:
»Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!"
Op één dier dagen vóór '70 wandelde Lasserre op de tentoonstelling. In de verte komt Hello aanwandelen. Hij komt naar Lasserre, en zegt: »Ik verwonder mij, mijn vriend!" »Waarom?" voert Lasserre hem tegemoet. »Ik kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen staan!"
Die man is krankzinnig, zegt een ander tot Lasserre.
Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën gaan in vlammen op.
Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!
Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't naar dezen nog luisteren!
Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurig aan 't woord van Jesaja tot Juda: »Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw".
Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.
Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik weer aan 't openbare leven kan deelnemen!
Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 4 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn hart met snelle vreugdeslagen kloppen.
Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje. »Ueber allen Gipfeln ist Ruh!" Boven op de bergen, overal is 't heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag mijn hart vervult.
De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd, voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur. Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend. Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren. Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.
Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't »Jenseit", één voor 't »Diesseit", één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke leven.
De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware krankheid, zelfs in kerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte ovens.
Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't besluit, dat de _meditatie_ of de _overdenking_, de _oratie_ of 't _gebed_, de _contemplatie_ of de _inwendige geestelijke aanschouwing_ de voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.
Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die tezamen bij zichzelve overlegde. Maria _mediteerde_ over hetgeen de herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen, dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen, en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't Kruis stond, 't licht daarover opging, en juist dit licht behoedde haar toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in dikke duisternis rondtasten.
Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes te midden van de vele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.
In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven de _oratie_ of 't _gebed_.
Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid! Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost, wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed over wil uitweiden.
Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor 't gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.
Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met den Heere, noemde ik de _contemplatie_ of de _innerlijke geestelijke aanschouwing_.
Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen, of wij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den getroffene gevoelen.
Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen, zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus, Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.
Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.
Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden glans van den hemel.
Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: »Wij dan, de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest."
O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!
Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde den hemel mag beginnen, en volkomen mag zijn voor de taak, die mij wacht.
Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.
't Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg. 2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor alles.
Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 10 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
In mijn vorig schrijven heb ik U reeds onze behouden aankomst in Amersfoort gemeld. Zoo spoedig mogelijk ben ik hier naar mijn huisdokter gegaan, om mij wederom te laten onderzoeken. Hij was buitengewoon tevreden over de in- en uitwendige resultaten der kuur.
Alzoo ga ik dan, den Heere zij daarvoor lof en prijs, langzaam maar gestadig vooruit. Natuurlijk zou ik liever zien, dat mijn genezing grootere sprongen maakte. Maar wij weten niet, wat wij moeten begeeren. In Heidelberg is men van oordeel, dat een langzame maar steeds doorgaande genezing beter is dan een plotselinge, omdat zich bij de snelle genezingen de meeste terugvallen voordoen, terwijl een langzame maar gestadige voortgang der genezing de meeste kans biedt, dat men voorgoed van de kwaal wordt bevrijd.
Hoe dit zij, ik geef 't over aan den Heere, die mij beloofd heeft voor mij te zorgen. Dezer dagen wilde Hij mij wederom nog zoo krachtig vertroosten met de woorden van Ps. 91: 1, »Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen". Wat zal ik nog meer wenschen? Wat anders dan dat heel deze weg mij maar altijd nader brenge tot den Heere, mij altijd inniger Zijn gemeenschap doe smaken. Dit is 't Hoogste en Zoetste. Daarvan zing ik met Tersteegen in zijn overschoon lied: »De vereeniging met God".
Ich bin im dunklen Heiligtum, Ich bete an und bleibe stumm; O ehrfurchtfolles Schweigen! Der beste Redner sagt mir nicht, was man hier ohne Reden spricht, durch Lieben und durch Beugen.
Hier ist die stille Ewigkeit ein immerwahrend selges Heut, dies Nun kann alles geben. Die Zeit vergeht mir süsz un sacht; Ich möchte beten Tag und Nacht, bei Gott im Geiste leben.
Hier ist mein wahres Element, ein Friedensland, weit ohne End, von Milch und Honig flieszend, Hier quilt im Grund ein Balsenflusz, durch alle Kräfte des Genusz, So sänftiglich ergieszend.
Dat is:
Ik ben in 't donker heiligdom; Aanbiddend, blijf ik stom; o diep eerbiedig zwijgen! De beste spreker zegt mij niet wat men hier zonder woorden spreekt, door _Lieven_ en door _Buigen_.
Hier is de stille eeuwigheid, een altijddurend zalig heden; dit »nu" kan alles geven. De tijd gaat voorbij zoet en zacht; Ik wilde wel bidden dag en nacht, Om in den geest bij God te leven.
Hier is mijn ware element, een vredes-land zonder end, van melk en honig vloeiend. Hier ontspringt een balsembron, die 't genot in alle zielekrachten zoo zoetelijk doet stroomen.
Behaagt 't den Heere, mij te herstellen, dan heb ik natuurlijk ook nog een tweede begeerte, n.l. spoedig te mogen ingaan tot den arbeid, die zoo geheel de liefde van mijn hart heeft, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers.
Volgens sommigen is deze arbeid wel nutteloos; zij beschouwen eigenlijk alleen dan een bekeering als echt, wanneer iemand van zijn jeugd af als een kind des verbonds heeft geleefd. »Wacht u voor bekeerde Joden, voor bekeerde hoeren, voor bekeerde bandieten! Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken." Ziedaar hun standpunt!
Er is zeker weinig betoogkracht noodig om dadelijk te doen zien, dat dit standpunt onhoudbaar is.
Het strijdt met de Schrift. De eerste Christelijke gemeente is uit bekeerde Joden als evenzoovele levende steenen opgebouwd, en hoeveel goeds wordt in de Schrift van haar gezegd. Een moordenaar volgde den Heiland in 't paradijs. Hoeveel liefde bewees de vrouw, aan wie veel vergeven was!
De feiten werpen ook dit heele standpunt omver. Denkt slechts aan een Da Costa, een Neander, een John Bunyan, een Rowland Hill.
De ervaring bewijst juist, dat menschen met een zwarte jeugd, wanneer zij waarlijk bekeerd worden, zich na hun bekeering zoo ver mogelijk van dit zwarte punt zoeken te verwijderen, en als Maria Magdalena zoo dicht mogelijk bij den Heere zoeken te zijn.
O, ik brand dan ook van verlangen, om dien arbeid te beginnen onder deze ellendigen en verlorenen.
In de stichting voor voogdij- en regeeringskinderen zullen we in den regel wel alleen degenen krijgen, die voor de gezinsverpleging ongeschikt zijn. Dit is dus 't minste soort. Maar o, wat lokt 't mij aan, deze zwarte schapen hun weg voor oogen te stellen, en hun te doen zien, hoe deze weg hen ten ondergang voert! Hoe lokt 't mij aan, hun tegelijk den oneindigen rijkdom van Christus' zoekende liefde te prediken, en hun den weg te wijzen, die leidt tot een eeuwig behoud!
Ook van de opleiding voor maatschappelijken arbeid stel ik mij veel goeds voor. Terecht heeft de Regeering ingezien, dat zij voor heel de opvoeding van dergelijke kinderen de krachten van 't particulier initiatief moet te hulp roepen. Vooral in de particuliere stichtingen kan de Christelijke liefde haar werk doen. Met dwang alleen komt men trouwens in 't werk der opvoeding niet veel verder. Laat de plantagehouder zijn slaven op den akker zenden, laat hij den man met de zweep medezenden; 's avonds keeren de slaven wel terug met de vruchten van hun arbeid, maar ook met een hart vol haat tegen den meester en tegen den arbeid. Liefde tot den arbeid moet den kinderen worden ingeprent. Daartoe moeten dwingend gezag en Christelijke liefde samenwerken.
De andere arbeid, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers, is van niet minder belang.
In den regel stellen wij ons voor, dat de gevangene in zijn kerker vurig naar de vrijheid verlangt. En dit is ook zoo. Toch is er iets, dat hem al 't genot der vrijheid geheel vergalt. De gevangene weet, dat hij in zijn gezin de eereplaats kwijt is. Werk krijgt hij niet gemakkelijk meer. Wie wil iemand hebben, die gezeten heeft? Velen vallen na hun ontslag uit de gevangenis in de misdaad terug, en zij gaan hun verder leven van de gevangenis in de maatschappij, van de maatschappij in de gevangenis. Dit moet voorkomen worden. Deze menschen moeten geholpen worden. »Peccator est, comprime; homo est, miserere!" »Hij is een misdadiger, bestraf hem; hij is een mensch, heb medelijden met hem!"
Ook voor de drankzuchtigen moet er een retraite (rustplaats) zijn, waar hun verstoord zenuwleven hersteld wordt, en waar zij onder de bearbeiding der Christelijke liefde tot den strijd tegen de drinkgewoonte worden gesterkt.
Het moeilijkst te behandelen zijn de zwervers, de arbeidsschuwen; die leven van bedelarij en diefstal. Maar de Heere kan ook uit deze steenen kinderen Abrahams verwekken.
O geve mij de Heere dezen arbeid te mogen beginnen!
Geliefden, houdt aan in 't gebed voor mij! Verblijde ons de Hoorder der gebeden nog door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 19 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Tot mijn leedwezen kan ik u thans geen uitvoerig schrijven doen toekomen. Ik lig met een lichte maagkatarrh te bed, en kan dus niet schrijven.
Gedenkt onzer, en weest den Heere bevolen
door uwen u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 25 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh, die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij dank, geheel hersteld.
Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop. Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.
Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn, wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten valt weleens moeilijk.
Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken wel.
Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.
Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken. Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarder verdrukt moeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt. Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn schoonvader Réhuël.
Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats van Israël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen. De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk. Welk een beproeving voor Mozes!
Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders. Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods. De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods, die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij, wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is de hoogeschool, die Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er den Heere voor gedankt.
Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de beproeving ook voor mij gezegend.