Van strak gespannen snaren

Chapter 7

Chapter 73,913 wordsPublic domain

Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift; maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve kinderen Gods hebben geleden.

Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft, kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen, verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert hun genadeloon in de hemelen.

»Want", zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: »Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk".

De vergelding wordt hier door den psalmist in verband gebracht met des Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van 't genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar volk zal schenken.

O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk genadeloon kronen.

* * * * *

»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk".

Heerlijke woorden!

Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel heeft verkwikt.

Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.

»Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk". Gelukkig staat hier niet: »want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden"; want dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de nog zwarter zonden van mijn later leven.

Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt. Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeide von Zinzendorff eenmaal: »Herr Jesu, Du bist meine Passion!", ik zeg het hem zoo van harte na: »Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!" En evenals deze leidsman der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: »Heere, ach, kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij- en regeeringskinderen, voor ontslagen gevangenen, zwervers en drankzuchtigen!"

Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak 't voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed gedaan! Ik zing zoo van harte meê met den dichter van den 119den psalm:

'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in, Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.

En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de Heere ook met Zijn volk.

Zou ook ik daarop mogen hopen?

Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?

De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord »kanker" doet den mensch sidderen.

Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?

Lieve broeders en zusters: »De Heere heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!"

Daarmede troost ik mij.

Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.

En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.

Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan als een korte wandeling in den hemel.

Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem »Vader" te noemen.

Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen. Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon op onze lippen leggen: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest." Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus, Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.

En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: »Maar, lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het beste!"

Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten. In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.

Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde kuur.

Mijn adres is dan in 't hôtel Metropol-Monopol. Men kan ook adresseeren aan 't Samariterhaus.

Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe gebeden gedenken

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 14 Januari 1914.

_Geliefde gemeente!_

Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den 9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere, Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.

Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen waren.

Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend, en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:

Alt-Heidelberg, Du feine, Die Stadt, an Ehren reich, Am Neckar und am Rheine, Keine kommt Ihr gleich!

Wat, vrij vertaald, wil zeggen: »Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den Neckar en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!"

Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland. Honderden, ja wellicht duizenden,--want de schaar groeit steeds aan,--hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke kwaal.

O, wanneer die weg naar het Samariterhaus eens spreken kon, wat zou hij hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men »de brug der zuchten" noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen, menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.

Ook die weg naar Samariterhaus mag wel de weg der zuchten worden genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: »ik ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd; wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?"

De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij benemen schier niemand de hoop geheel. Eudokia in Rotterdam heette eerst: »gasthuis voor ongeneeslijke zieken!" Toen dit gebouw in gebruik werd genomen, zeide Dr. van Staveren: »Dit opschrift deugt niet, het is in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen ziekte ongeneeslijk!" Terstond is de naam toen ook veranderd in dien van: »Tehuis voor chronische lijders."

Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld verbaasd staat.

Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.

In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar 't Samariterhaus. Prof. Werner onderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes, één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.

Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15, 16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk radium met mijn hand tegen de tong houden.

't Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel wat sterker geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat meer ondernemen.

Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: »nu is er toch Eén, Die met mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!" Het was mij, alsof Hij van den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide: »Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en wilt mij uit allen nood en dood verlossen!" En zie, eenige minuten later sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik met Jeremia kan zeggen: »En de slaap was mij zoet!"

Zalige genieting!

Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.

Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.

Weest allen dan den Heere bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 20 Januari 1914.

_Geliefde gemeente!_

Kwam mijn voorgaand schrijven te laat voor de Kerkbode, waarschijnlijk geschiedde dit door vertraging van de post. Ter voorkoming van dergelijke ongevallen zend ik mijn brieven voortaan zoo mogelijk een dag vroeger af, en doe dit reeds met dezen, die dan tegelijk met mijn voorgaanden kan worden geplaatst.

Trouwens deze brief is een vervolg op den voorafgaanden.

Ik had reeds beloofd iets te zullen schrijven over de zendingspreek, die ik 11 Januari in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier mocht hooren.

Die Zondag was door de kerkelijke overheid der gansche Badensche landskerk tot een _Zendings_dag bestemd.

Ds. Kammerer, de pastor van 't Diaconessenhuis, nam tot tekst Matth. 24: 14: »En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen."

Hij begon met de opmerking, dat ook in Duitschland de tijden zeer zijn veranderd. In 1848 was in 't naburige Hessen alle openbare arbeid voor de Zending streng verboden. Verbeeldt u! Thans wordt vanwege de kerkelijke overheid in Baden een algemeene Zendingsdag uitgeschreven.

Zóó gaat 't goed! Zoo komen we op den rechten weg!

Niemand minder dan de Heiland zelf zegt: »En dit Evangelie des Koninkrijks _zal_ in de geheele wereld gepredikt worden." Nòg staat Hij alleen. Maar Hij spreekt toch als Koning van 't Godsrijk. Zooals Hij zeide is 't geschied, en moet 't verder geschieden.

Doch nu taste men niet mis in 't eigenlijke wezen van den Zendingsarbeid.

Is 't Zendingswerk het brengen der Christelijke cultuur?

Bestaat 't in de bevordering van het schoolonderwijs onder de onbeschaafde volken?

Moet 't bovenal gericht zijn op de wegneming van sociale misstanden en de verbetering van 't maatschappelijk leven onder de heidenen?

Dit alles is bijzaak, bijwerk, of ook vrucht der Zending.

Het eigenlijke wezen van het werk der Zending is 't niet.

De eigenlijke hoofdzaak van 't Zendingswerk is de prediking van het Evangelie des Koninkrijks. Vandaar en daardoor alleen wordt de eenige troost voor leven en sterven onder de volken verkondigd.

En wat moet men zich als hoofddoel voorstellen van het Zendingswerk?

Dat heel de heidensche maatschappij gekerstend worde?

Het ware heerlijk, wanneer dit doel bereikt werd.

Maar stellen we ons deze illusie niet voor.

Hoofddoel is, dat 't Evangelie _hun tot een getuigenis_ onder de volken wordt gepredikt.

De één neemt 't Evangelie aan. De ander verwerpt 't. Christus is ook tot een oordeel in de wereld gekomen.

De strijd tusschen vrouwen- en slangenzaad blijft tot den jongsten dag.

En wanneer het Evangelie over de heele wereld gepredikt wordt, en over heel de wereld die twee tegenover elkander staan, dan zal 't einde zijn.

Het zendingswerk is dus geen bijzaak, maar hoofdzaak. Het staat in onmiddellijk verband met Christus' wederkomst.

Wij danken dan ook den Heere, dat wij ons met 't Zendingswerk weder in goede richting bewegen.

Ge begrijpt, geliefden, dat ik de prediking met hartelijke instemming heb aangehoord.

Ge begrijpt ook, dat ik de mededeeling omtrent de vroegere Duitsche toestanden op Zendingsgebied met eenige verbazing vernam.

Bij eenig nadenken is evenwel mijn verwondering verdwenen.

Was 't vroeger bij ons ook niet ongeveer alzoo?

Neen, er was geen verbod om zendingswerk te doen. Maar men liet 't over aan zendingsvrienden, en beschouwde 't een liefhebberijzaak van deze menschen.

Tot voor korten tijd stonden we precies evenzoo tegenover den evangelisatiearbeid. Wat is in onze dagen meer noodig dan 't zendingswerk in onze naaste omgeving? Toch werd deze plicht door de Kerk nog slechts weinig gevoeld.

En in werkelijkheid staan de meesten nog zoo tegenover den arbeid, dien ik in des Heeren Naam en kracht ondernam, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Men vindt 't wel goed, dat ook die arbeid wordt aangevat; maar men voelt er niet veel voor. En ziedaar juist 't gebrek! Voor zulk werk moet worden gevoeld, anders kan 't niet slagen; want er is reuzeninspanning voor noodig om het te volbrengen. Van alle zijden moet hulp in voorbede en geldelijke bijdrage, worden geboden; anders komt 't niet tot stand.

En wie maar even nadenkt, zal dadelijk moeten toestemmen, dat geen werk meer noodig is dan dit werk. Er is een werk, dat bij voorkeur den naam draagt van _Christelijk werk_. Daartoe behooren 't uit- en inwendig zendingswerk, de arbeid onder al 't verlorene, 't gaan in de heggen, en sloppen, 't bezoeken der gevangenen, enz. Wanneer een gemeente deze werken niet heeft, zegt de Heiland van haar: »Gij hebt den naam, dat gij leeft; maar gij zijt dood!"

't Spreekt vanzelf, dat de zuiverheid der leer bij dit practisch werk niet mag worden verwaarloosd. Hoe zullen we op dit gebied ons hoofdwerk goed doen, 't brengen van het Evangelie aan de schare, indien we 't niet zuiver bewaren?

Bovenal moet bij dezen arbeid 't eigen, inwendig leven zorgvuldig worden verpleegd. Alleen omdat de liefde van Christus hem drong, kon Paulus alle bezwaren overwinnen in zijn moeilijk werk.

Maar wanneer 't vuur van binnen brandt, is 't ook zulk een heerlijk werk.

Hoe verlangt mijn ziel naar 't oogenblik, dat ik dezen arbeid zal mogen aanvatten!

Ik verheug mij, dat ik u in dezen opzichte wederom gunstige berichten mag doen toekomen. Inplaats van 20 minuten word ik om den anderen dag geregeld 40 minuten bestraald met Röntgen-belichting. 15 en 16 Januari werd ik met radium behandeld. Vandaag kreeg ik nog een extra-behandeling met kool-radium, weer een nieuw soort. Duurt de gewone radium wel 2000 jaren, deze kool-radium houdt slechts twee dagen zijn kracht. Maar 't doet eveneens een krachtige werking. Ondanks een kleine katarrh verdraagt mijn gestel alles met het grootste gemak. Ik ga in gewicht nog zelfs iets vooruit en voel mijn krachten herleven.

O wonder van goedheid, dat de Heere aan mij doet!

Dien alléénzaligen God beveelt ook u, geliefde gemeente, van ganscher harte

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 28 Januari 1914.

_Geliefde gemeente!_

Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister de dooi onverwacht ingetreden. De plasregen van den morgen werd echter gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen glans der witte bergen.

Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.

Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig gezang:

Vater, kröne du mit Segen Unsern Kaiser und sein Haus, Führ durch Ihn auf deinen Wegen Herrlich deinen Ratschlusz aus! Deiner Kirche sei er Schutz, Deinen Feinden biet' er Trutz.

Dat is:

Vader, kroon met uwen zegen Onzen Keizer en zijn huis, Voer door hem op uwe wegen Heerlijk uwen raadslag uit! Uwe Kerk zij hij ten schild, Uwen vijand bied' hij tegenweer.

Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.

Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering; in al 't vreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.

Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan deze preek enkele beschouwingen vast.

Ds. Kammerer sprak uit Lukas 2: 41: »En Zijne ouders, reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van Pascha." In zijn rede stelde hij de heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.

Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen, hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.

Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.

Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen? Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man. »Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?" vroeg de predikant met ontroerde stem.

Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.

En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend zijn.

Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogste gewaardeerd. Ziet, dit is de eere, die Hij aan deze arme echtgenooten geeft, dat zij de pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.

Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den Heere wordt gesteld!

O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer, In deiner Liebe eines Geistes sind, Als beide eines Heils gewürdigt, keiner Im Glaubensgrunde anders ist gesinnt; Wo beide unzertrennbar an dir hangen In Lieb und Leid, Gemach und Ungemach, Und nur bei dir zu bleiben stets verlangen An jedem guten wie am bösen Tag!

Dat is:

O zalig huis, waar man en vrouw in eene, In uwe liefde éénes geestes zijn, Waar beiden van één heil bezitters zijn en geene In gronden des geloofs een andere gezindheid heeft. Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen, In lief en leed, gemak en ongemak, En slechts bij u te blijven steeds verlangen, Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.

Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel haar Gretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden. De Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurig Faust-karakter; hij hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.

De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis, en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.

Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen te wankelen.

Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.