Van strak gespannen snaren

Chapter 6

Chapter 63,935 wordsPublic domain

Deze volledigheid teekent de voortreffelijkheid der hier gevolgde methode. Ook in andere steden, als Weenen, Dresden en Parijs wordt de kanker stelselmatig bestreden; maar nergens heeft men het complete stel van middelen, dat men hier gebruikt. Schier nergens heeft men de inspuiting met enzytol, waaraan hier juist zulke groote waarde wordt gehecht. Op de meeste plaatsen heeft men òf Röntgen-bestraling, òf radium-bestraling; doch schier nergens, gelijk hier, beide tegelijk.

De voortreffelijkheid der hier gevolgde methode van kanker-behandeling blijkt dan ook wel 't best uit de verrassende uitkomsten. Een Hollandsch dokter, die op onderzoek uit is, deelde mij mede, dat hij nergens de resultaten heeft gezien, die hij hier aanschouwde. We stonden samen bij een man uit Crefeld, die in zijn geboorteplaats voor de tweede maal aan maagkanker was geopereerd. Bij de tweede operatie was de opening echter dadelijk dichtgemaakt; men zag de onmogelijkheid van een tweede operatie in. Deze man kwam hier. Hij vertelde ons, dat de knechten, die hem in 't bad hielpen, tegen elkander zeiden: »Deze kan nog naar Crefeld terug, maar verder niet, anders bezwijkt hij zeker." Hij maakte nu zijn derde kuur door, had 13 pond aan gewicht gewonnen, maakte zeer groote wandelingen, en zou spoedig verlof krijgen, om te gebruiken, wat hij wilde. De dokter, die naast mij stond, fluisterde mij in 't oor: »in beginsel is hij reeds genezen!"

Zóó zijn hier tal van voorbeelden.

Vooral de radium-bestraling is echter zeer kostbaar. Het radium is de schoone uitvinding van Madame Curie, een Poolsche van geboorte, met een Fransch professor gehuwd, zelve gedoctoreerd in de chemie, als ik mij niet bedrieg, de éénige vrouw, die ooit op wetenschappelijk gebied een ontdekking deed. Deze vinding plaatste deze princesse de science evenwel dadelijk in de voorste rijen der grootste geleerden. Zelden is nuttiger uitvinding gedaan dan deze. Het radium wordt tegenwoordig gebruikt voor de genezing van allerlei treurige ziekten, waartegen men vroeger machteloos stond.

Maar gelijk ik reeds zeide, 't radium is zeer kostbaar. Vele centenaars grondstof zijn noodig om er een milligram radium uit te bereiden. De grondstof is ook niet in groote hoeveelheden voorhanden. Alzoo gaat de bereiding slechts zeer langzaam voort, en komt op hooge kosten te staan.

Vandaar dan ook de opsluiting van de patiënten, die met radium worden bestraald. Ze krijgen voor een groote waarde aan hun lichaam. Ik had bijv. voor een waarde van 63000 Mark of 37800 Gulden aan mijn hals. Stel eens, dat zulke patiënten vrij konden rondloopen! Hoe licht zou iemand in de verzoeking komen, om er mee weg te gaan, of 't weg te stoppen, en te veinzen 't verloren te hebben, om 't later voor een zeer groote waarde aan dezen of genen dokter of kwakzalver te verkoopen!

Vrijdagavond zes uur werd de deur van buiten achter mij gegrendeld. Toen kreeg ik eenig idee van 't vreeselijke der cellulaire gevangenis, en ik kan mij begrijpen, dat tegenwoordig velen opstaan, die een andere wijze van straffen voorstaan. Terstond dacht ik ook aan Bunyan en Rutherford, en stelde mij voor, wat dezen om hun geloof hebben geleden.

En toch, hoe goed hebben deze beide mannen 't in de gevangenis gehad, wat was de Heere hun daar nabij! De kerker was hun als een paradijs! Bunyan schreef hier zijn Christenreize, en Rutherford zijn heerlijke brieven.

Ook mij wilde de Heere wederom sterken. Acht-en-veertig uren moest ik alzoo gevangen zitten; maar de tijd is omgevlogen. Ik troostte mij vooral met den 9en en 10en Zondag van den Heidelberger Catechismus. Ik hief mijn hart op tot Hem, Die vóór alle dingen is, en door Wien alle dingen zijn. Ik bewonderde Zijn wijsheid, die zulke verborgene krachten in de schepping legde, en dan den naar Gods beeld geschapen, denkenden, menschelijken geest 't vermogen gaf, de meest verborgen geneesmiddelen op te sporen. Ik loofde Zijn goedheid, dat ik 't onwaardeerbaar voorrecht mocht genieten, thans van dit kostbare middel gebruik te maken. Niet minder dankte ik Zijne liefde, dat Hij mij alles, wat Hij mij in den laatsten tijd deed ondervinden, ten goede deed medewerken. Alles bracht mij nader tot Zijnen Eeuwigen Zoon. Jezus werd mij steeds dierbaarder. O Hij, Hij alléén, is mijn Alles, mijn wijsheid, mijn rechtvaardigheid, mijn heiligmaking, mijn verlossing, mijn vreugde, mijn liefde, mijn hope, mijn troost. Ik ken en aanbid dan ook de bedoeling, die de Heere met mijne zware beproeving heeft. Hij zendt ze mij uit liefde, met vaderlijke hand toe, om mij hoe langer zoo meer te louteren. Deze kennis geeft mij geduld in dezen tegenspoed, geeft mij dankbaarheid, wanneer ik eenigen vooruitgang bemerk en geeft mij ook genade om mij met een volkomen vertrouwen voor de toekomst aan den Heere over te geven, wetende, dat niets mij zal scheiden van Zijne liefde in Christus.

In dit vertrouwen ga ik dus zonder vreeze de onbekende toekomst in.

De hoofdkuur is nu afgeloopen.

Wat is 't resultaat?

Dit zal nader moeten blijken.

Blijf ik, zooals ik nu ben, dan zou ik, zij 't met groot lichamelijk gebrek, mijn arbeid weer kunnen doen. Bij de eerste kuur kwam er een omwenteling ten goede in mijn gestel. Deze is bij de tweede bevestigd.

Maar er is meer noodig.

Zoolang de kanker nog niet is uitgeroeid, blijft steeds een catastrophe te vreezen.

Ik zal dan moeten afwachten, wat de Heere nu verder werkt. Is de nawerking der hoofdkuur goed, dan hoop ik met goeden moed een derde kuur te ondernemen, in de stille hope, dat de Heere dan een volkomene genezing geeft.

Zooals Hij doet, zoo is 't echter wèlgedaan.

Neemt Hij mij weg, dan hoop ik den God mijn levens, den God van zoo rijke en vrije genade, in mijn sterven te mogen verheerlijken, en zal ik stervend Zijnen goeden Naam nog danken, dat Hij mij door mijn bezoek aan Heidelberg de gelegenheid heeft geschonken, getuigenis af te leggen van de genade, die Hij mij wilde bewijzen. De Heere vergist Zich nimmer; ook in mijn sterven zal Hij dan Zijn naam grootmaken.

De eerste leerlingen van de Geneefsche Universiteit werden door Calvijn naar Frankrijk gezonden. Calvijn had zich heel wat voorgesteld van den arbeid dezer beide evangeliepredikers in zijn geliefd geboorteland. Nauwelijks zijn zij echter over de grenzen, of zij worden gevangengenomen en verbrand.

Welk een slag voor Calvijn! Slechts voor een korten tijd! Spoedig leerde Calvijn inzien, dat deze beide jonge mannen in hun martelaarsdood krachtiger prediking hadden gedaan, dan zij heel hun leven hadden kunnen houden.

In Amerika sterft een jeugdig proponent, en wordt begraven op den dag, dat hij zijn intrede zoude doen. Wijlen Ds. Beuker zou bij de begrafenis de lijkrede houden. Hij begon te zeggen: »Deze jonge man dacht 't evangelie te prediken in de lijdende en strijdende kerk! God heeft wat beters over hem voorzien, hij mag nu aan de heilige engelen Gods verkondigen de veelvuldige wijsheid Gods, in de verlossing der gemeente openbaar".

God rechtvaardigt altijd zijn doen.

Nu zien we dat nog niet ten volle.

Hoeveel duisters er echter ook zij in 't Godsbestuur, hiervan ben ik zeker, dat 't einde aller dingen de allerheerlijkste Theodicee of rechtvaardiging Gods zal zijn.

Hoe de Heere dus ook doe, wat Hij doet, is altijd wijs, heilig en goed.

Behaagt 't Hem, mij nog jaren tot mijne levensjaren toe te voegen, dan heb ik de begeerte, dat Hij mij slechts een hemelsch leven geve, opdat ik reeds op aarde den hemel meer en meer mag beginnen.

Geliefden, laten wij die genade veel van onzen God bidden! O, wat zal 't ons dan goed zijn, wat zal God in al ons doen verheerlijkt worden, en wat zal ook de wereld dan werkelijk worden jaloersch gemaakt!

Eenigen tijd geleden verscheen een werk, dat veel opzien baarde, en dat den titel voerde: »Briefe, die Ihn nicht erreichten!" »Brieven, die hen niet bereikten."

En wie waren die brieven?

Dit waren de Christenen. Zij zijn de brieven, die de Heere aan de wereld schrijft, opdat zij uit den wandel der Christenen zullen leeren hun leven te verbeteren.

Maar helaas, vele van deze brieven bereiken de menschen der wereld niet.

De wereld kan aan vele Christenen niet zien, dat zij werkelijk Christenen zijn.

Zulke brieven komen niet aan hun adres, en blijven als onbestelbaar liggen.

Neen geliefden, zoo mag 't niet zijn!

Laat ons dus om genade bidden, dat wij een waarlijk hemelsch leven mogen beginnen! Zegene Hij daartoe voor ons tezamen ook het schrijven dezer brieven!

Dit is de hartelijke bede van

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 18 December 1913.

_Geliefde gemeente!_

Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen, omdat we dan nergens behoefden over te stappen; in Heidelberg stapten we in, in Amersfoort uit den trein.

Spoedig waren we in Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van Heidelberg langs »den grootvorst van Europa's stroomen" spoorde.

Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht, en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht »wateren des doods". Heel anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte, natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't electrische licht.

Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.

Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van 't atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste lichtstralen geweest, waarbij ik uit die duisternis geraakte. »Neen," zoo dacht ik, »die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks als de moederliefde uit te denken en te scheppen!" Volkomen versta ik dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag, wat noodig is voor de verhooging van een volk. »Geef ons moeders!" zeide de scherpziende staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw heeft gedompeld.

Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.

Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog, hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords, door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt: »Vita brevis, ars longa", het leven is kort, de kunst is lang. Zoo spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn, en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot volk zinken.

Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een groot volk, dit volk van »denkers en dichters". En onwillekeurig deed de Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.

De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.

De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.

Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't Duitsche rijk.

En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.

In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn »Sommerfrische" wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den arbeid van heel een jaar.

Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende. Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche literatuur.

De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken. Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren. Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden. In 1870 is deze wensch vervuld. »Die Wacht am Rhein" was 't volkslied, dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied is sindsdien het volkslied bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk, over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en wellust, krachtig voort.

Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van toepassing: »Sic transit gloria mundi!" Zoo vergaat de heerlijkheid dezer wereld!

Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't bijzonder dacht ik aan den vredehof »Rijnzicht", die even buiten Leiden wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf te mogen vinden.

Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.

Welk een vreugde van 't wederzien!

En nu? Wat zal 't nu verder zijn?

Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof. Werner naar 't resultaat van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: »Wir haben einen guten Erfolg!" Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de tong zeer langzaam zou gaan.

Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.

Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen. Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch, eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!

En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde papier, de zee inkt, de grashalmen pennen, en alle engelen vaardige schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!

En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen deelen!

O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?

Zij is _een beeld_ van Zijn liefde.

De moederliefde heeft iets _souvereins_.

De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't zich als een gebrekkig kind openbaart.

Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheid _souverein_. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en schuld te dragen en te boeten.

De moederlijke liefde is een _trouwe_ en _onveranderlijke liefde_. Zij houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen. Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus' _liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood_.

De moeder _offert zich gaarne_ voor haar kind. Zij springt 't na in den vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't Kruis!

En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen prijzen.

Weest allen hartelijk gegroet van

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 8 Januari 1914.

_Geliefde gemeente!_

In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die men _momenten_ noemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.

Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't zwijgend graf gelegen hebben.

En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen, om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:

»Zoete banden, die mij binden. Aan des Heeren lieve volk,"

en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens mij zijn vervuld.

Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope, en de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!

O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest, van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt troostwoord verkwikken.

In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van Psalm 62: »God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk".

Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!

Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft ter bestemder tijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.

Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen. Voor Hem was nergens plaats. Noch in de hutten der armen, noch in de paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in 't hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht. Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.

»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit goed en terdege gehoord: dat de sterkte Godes is".

En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne goedertierenheid.

Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.