Chapter 5
De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15-18. Krachtig wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst in dagen van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken. Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen wij ook bidden tot Hem, die sprak: »De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid." Laten we 't doen in 't besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof. In der waarheid.
Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.
Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne ziel 't meejubelt: »Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden."
Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar uit: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden".
Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas à Kempis: »Meditatiën over het leven van Christus." Welk een beschaming, maar ook welk een troost ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig lijden en sterven!
Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven. En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne ziel: »En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!"
Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in een oceaan verzinkt!
Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!
Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen, dat den titel voerde: »Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen." »Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord."
Twee onderwerpen werden daarin behandeld: »Wereldbeschouwing en zedelijkheid," en »Hoe iemand van zijn angst verlost wordt." Een uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.
Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ik dadelijk: Ik moet zien, welke hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. »Ach, was haar antwoord, 't geeft zoo weinig!" Ik was blijde haar terstond 't tegendeel te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar Holland zenden. »Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve merkt."
Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met haar werden.
Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje, opdat mijn brief niet te groot worde.
»Hoe verhoort God onze gebeden?"
»Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen. Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: »Heere help ons, wij vergaan!" Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord, wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige heerlijkheid rijper gemaakt worden."
Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen zijn.
Ons wederom in uwe gebeden aanbevelend, blijf ik
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 25 November 1913.
_Geliefde gemeente!_
Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld, behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad beteekent.
Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naar Handschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk leven. Handschuhsheim is de Sionsburcht van Heidelberg.
Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op de Landstrasse. Rechts hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het Neckardal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren op aarde. Een oogenblik later begon de klok van Handschuhsheim haar volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu ingeluid.
Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. »Voor den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!" Ik dacht toen dadelijk: »Maar is onze verhouding tot het Christendom een andere?" Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons Christenen meer dan een Godsdienst, het is ons alles. Dat was 't voor een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!
Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap, de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken. Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.
Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek. Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier. Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.
Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles tegelijk.
Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui der zware krankheid....
Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht, hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeft Zijn Middelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom ik moet lijden.
Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke woorden van Carolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan ik reeds een vorig maal melding maakte.
»Wat hebt Gij mij te zeggen, Mijn Meester daar omhoog?" Zoo wil ik weder vragen Tot ik Uw heil versta. Waarom hebt Gij gestuit Opnieuw nu mijnen loop? O, zeg mij toch het antwoord, Ik wachte stil daarop.
Mijn kind, Ik moest u leiden Hierheen in deez' woestijn, Om met u te spreken Op deze stille plaats. In al 't verwarde drijven Der onrust om u heen, Daar kondet gij mijn stemme Niet hooren, neen o neen!
Gij waart in gevaren, Die gij niet hebt vermoed, En hoordet niet mijn roepen, Dat zacht u heeft gemaand. Zoo moest Ik »halt" gebieden, En nu door deze smart Uit het gewoel u trekken Heel na aan mijn hart.
Nu zie Mij eens in d'oogen En ga niet weder weg. Geloof nu Mijne liefde En hoor naar Mijn Woord! Buig u nu geduldig Ook onder Mijne tucht, Opdat Ik u kan reiken Des Geestes zoete vrucht!
* * *
Nu heb ik U verstaan, Mijn Meester en mijn Vriend, En wil verheugd U danken Dat Gij zoo trouw 't meendet. Nu wil ik in de stilte Bij U ter schole gaan En U in Uwe schoonheid, Mijn Koning, gadeslaan!
O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn, de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche Kanaän, waar niemand zegt: »ik ben krank!" O, heerlijke woestijn, waar de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid uitbreidt over de ziel. Ik ben overgelukkig, en ook uit mijn hart klinkt de lofzang tot dien Heere: »Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd zijn!"
Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.
Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de bekende pastor Samuel Keller uit Freiburg zou preeken. Hij is hier gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou hij spreken over »die Heimkehr Gottes," Maandag over »den omgang met mijzelven," Dinsdag over »vrije liefde en werkelijk huwelijk," Woensdag over »moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk," Donderdag »over den inzet der ziel," en Vrijdagavond »over de toekomst van het Christendom." Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en preekt Zondagmorgen in de kapel.
Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier duizend menschen samenkomen.
Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.
Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend gelaat, een stem van metaal.
Hij nam tot tekst Openb. 2: 2-5.
Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we vandaag de massieve, grove volkszonden hekelen, onszelven als farizeërs oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. »Ik weet uwe werken," zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere zegt: »Ik weet!"
Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging; maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan: »deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!" Maar zóó zijt ge verachterd in de genade!
Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en gewetens aangreep.
Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.
Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad. Weest tezamen den Heere bevolen van
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 3 December 1913.
_Geliefde Gemeente!_
»Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren!" »Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef!" In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.
Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1 uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.
Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.
Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende 't vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 't Samariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. »Heere", zeide ik in mijzelven, »daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen". Deze overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees voor pijn. Welgemoed ging ik 't Samariterhaus binnen, onderging 't één na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en verzenden.
Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had gesterkt.
Prof. Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide 't werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.
Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed houden.
Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk 't onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn, van alle zonde en ellende ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs, elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: »Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der wereld." Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in 't Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en prijs!
Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den Heere te worden uitgedreven.
En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst. Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.
's Middags maakte ik een bezoek bij Prof. Werner, om met hem over mijn toestand te spreken. Hij was nu nog meer voldaan dan aan 't einde der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk weer mag opvatten.
Mocht dit eens waarheid worden!
Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?
In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:
Die Wege sind oft kromm, und doch gerad, Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen, Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen, Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!
D. i.
De wegen zijn vaak =krom=, en toch =recht=, Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert, Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien. Toch triumfeert =ten laatste= Uw goede raad!
Ja, krom schijnen vaak de wegen, waarop de Heere Zijne kinderen leidt tot het voorgestelde doel!
Israël wordt uit Egypte geleid; maar in plaats van dadelijk wonderdadig Kanaän te worden binnengeleid, wordt 't gansche volk in de engten van Pi-Hachirôth oogenschijnlijk dadelijk ten doode gewijd!
Aan Jozef wordt verhooging beloofd, en hij wordt in de diepste vernedering weggestooten!
David wordt tot koning gezalfd, en de gezalfde des Heeren moet als balling buiten zijn vaderland zwerven, bij de Filistijnen zelfs een schuilplaats zoeken!
Kromme wegen!
Toch zijn ze recht als een kaars!
Aan de Roode Zee wijken op Gods bevel de wateren des doods voor de koningskinderen. Als een rij soldaten staan de wateren aan weerskanten van 't doortrekkend volk. Het is, alsof ze hun zwaarden tegen hun schouder drukken, om den kinderen Israëls militaire eer te bewijzen. Op de Egyptenaren stormen ze in met de scherpte hunner wapenen. En Mozes en Israël zingen 't lied, dat de paaschpsalm der eeuwen, 't lied der eeuwigheid werd!
Was Jozef een minder voortreffelijk onderkoning, omdat hij in 't kerkerhol had gezucht, of was hij de rechte man op de rechte plaats om den nood van heel een volk te lenigen?
Heeft 't David kwaad gedaan, dat hij een balling was, voordat hij koning werd. Neen, in de ballingschap is de lier gestemd, waarbij de koning voor zijn volk zong; meer nog, is zijn hart gevormd, om een rechte koning te zijn over het arme volk van God.
Zal 't mij hinderen in mijn arbeid onder de verwaarloosde jeugd, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen, wanneer ik straks als uit de dooden opgestaan in hun midden mag staan om de groote werken Gods te vertellen?
O, mocht 't eens waarheid worden, dat ik in Februari of Maart mijn werk weer mocht opvatten!
Bidt, Geliefden, de Heere is de Hoorder der gebeden! Hem is niets te wonderlijk! O, verhoore Hij uwe en onze smeekingen, en verblijde Hij ons door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 9 December 1913.
_Geliefde gemeente!_
Wanneer gij dezen ontvangt, hoop ik met mijne vrouw weder in het vaderland te zijn. Woensdag 10 December vertrekken we D.V. 2,19 van hier, en hopen dan 's avonds 10,16 in Amersfoort aan te komen. Donderdag zal wegens de vermoeienis van den vorigen dag 't hoofd wel niet tot schrijven staan. Daarom zend ik dezen brief thans maar wat vroeger af.
Het voornaamste wat in de afgeloopen dagen met mij heeft plaats gehad, is de vroeger reeds aangekondigde opsluiting van 5 tot 7 December en de bestraling met mesothorium radium.
Behalve operatie worden hier voor de kankerbestrijding in hoofdzaak drie middelen aangewend: 1e. de inspuiting met enzytol, 2e. de Röntgen-bestraling, en 3e. de radium-bestraling.