Van strak gespannen snaren

Chapter 4

Chapter 43,918 wordsPublic domain

Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag hij op de gemeente, dan verlangde zijn ziel naar leven en vrijheid, om haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.

Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten, of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel, dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken, en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen, hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.

Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken. Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.

Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof. Czerny te Heidelberg.

Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.

Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeft mij steeds bij al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment, in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo luidde zijn antwoord: »Mannen, knielt, bidt!" Ditzelfde zeide ik steeds tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan de hoogste vreugde.

Zoo ging 't ook dezen dag.

Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.

Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig gingen mijne noodkreten op tot den Heere.

Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart, openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart teeder de hand drukte, en tot mij zeide: »Nu alles is afgesneden, nu zal Ik voor u zorgen!"

Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean Paul zoo schoon schreef:

»Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine Ewigkeit!" »Hoe de tijd voor u ook voorbij snelle, het is heden uwe eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!"

Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt, mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.

Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere beloofde!

Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.

Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied? Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land niet verkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?

Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:

Zalig hij, die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft; Hij, die door den nood gedreven, Zich tot Hem om troost begeeft, Die zijn hoop in 't hachlijkst lot Vestigt op den Heer, zijn God!

Zoo is het!

Wat hoop ik nu voor de toekomst?

Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten zeggen: »Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!"

Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: »Heere, Gij zijt de Getrouwe".

Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven: Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd; Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven; Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en heilig is.

Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.

En waarom ik u dit nu mededeel?

Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, »die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen". Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken, dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil geweest.

Moge dit zoo zijn!

Dit wenscht u hartelijk

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 12 November 1913.

_Geliefde gemeente!_

Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn brief.

Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.

Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is, nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel van groote voorzichtigheid.

Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield, en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit hoogelijk gewaardeerd.

Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover, varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde, de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van God jubelde mij dan tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:

»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende".

Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. »God is bekend in Juda". In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.

Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer aarde elkander beliegen en bedriegen.

Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn volk op aarde.

Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.

Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name: geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den laster zijn steeds de hoofdzonden in tijden van verval. Alle deze zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen, die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.

* * * * *

En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?

Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm, de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David betuigt: »De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!"

Een gebroken hart!

Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?

Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!

Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas; weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben in de oogen des Heeren?

Welke waarde?

Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in Romeinen Zeven over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van Paulus!

Hoort hem daarin ten slotte klagen: »Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?"

Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan. Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!

En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen, gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die luide klaagt: »Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?"

Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider: »Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!"

»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende"; blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar, liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan Zijn Eeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de roemtaal op de lippen: »Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest."

Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen 8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen 7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: »Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?" Hij besluit met de jubelende tonen: »Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere".

Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik een iegelijk uwer ook van harte toebid.

De Franschman Bordeaux schreef een boek, dat den titel voert: »la peur de vivre", »de vrees om te leven". In een inleiding op dit boek verwijt Réné Doumic aan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken. Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen. Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.

Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!

Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven, zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den donkersten nacht.

Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede aanbevelend.

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 19 November 1913.

_Geliefde gemeente!_

Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds. en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station. Het weer was zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk, en zagen dreigend op ons neer.

Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: »Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef"; »Roep mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren"; »Zij zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden". Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt, en we gingen wederom met goeden moed op reis.

Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen tusschen hooge bergen doorstoomt.

Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen aan den hemel.

Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-acht welgemoed in Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door de beide professoren Czerny en Werner. O, wat was 't me weer goed weer bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof. Czerny is daarbij niet alleen een priester, maar evenals Pasteur te Parijs, en Kort te Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in korten tijd één millioen Mark toe, om 't Samariterhaus, 't huis van barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld worden.

Prof. Werner is een man met Duitsch-militaire houding, snelle bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek, en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof. Werner ben ik een van de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er thans goede hope is.

O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat gesteld, ook anderen te troosten.

Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om hun een woord van troost toe te spreken.

Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundige behandeling, die hier in den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn arbeid voortzetten.

Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtige Friedenskirche te Handschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.