Chapter 3
Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik, alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor het Instituut van Czerny. Daar lazen wij den naam: »Samariterhaus!" of huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk en ambtelijk worden geinspireerd door den Geest van den medelijdenden Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op ons zoo moeilijk en donker pad.
Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere zal het wèl maken.
Heerlijke wetenschap!
Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving, zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: »Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!"
Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen 't weer te zullen worden: »En Mozes zag het land van verre!"
Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig. Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn Geest wilde schenken.
Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: »Wat is er toch achter deze zienlijke wereld?" Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel. Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar niet teleurgesteld.
Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij soms met heimwee naar boven zien. »Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben".
Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen. Immers: »En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde". Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de zaligheid en heerlijkheid des hemels.
Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente, ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank! Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.
Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem roepende: »genezen, genezen!" Natuurlijk feliciteerde ik hem zeer hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: »Einen schönen Grüsz für Ihren Mann!" Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u, naar de mate Hij u nu beproeft!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 21 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.
's Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen, der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Neckar, schitterend als kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw geheugen terug te roepen.
Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote »Denkmal" te onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van de viering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd, en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.
Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog. »Aber wenn der Krieg kommt", »maar wanneer de oorlog komt", is een uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. »Aber wenn der Krieg kommt," en met zorg staart haar blik op haar kind.
In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.
Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar in Handschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt, en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger, gelijk men dat hier noemt, Simultankirche was, d.w.z. door Roomschen en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv. 's morgens door de Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen stijl.
Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als van koperdruk.
De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar welgestelde en zeer intelligente menschen.
Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't »Wij loven U, o God!" Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch, machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de ziel: »Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan".
Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan. Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14-29. Wanneer ge deze woorden naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der ziel aangreep.
Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes, Exodus 15: 1-6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór de Napoleontische verdrukking rekende men in Duitschland niet meer met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders. Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: »God heeft mij de zege gegeven." Moet de overwonnene erkennen: »God heeft over mij gericht geoefend!"
Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth. Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten, dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen strijd.
Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken, en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.
Het is en blijft dus biddende wachttijd!
Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!
Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op dit gebied bevestigt: »Die zoekt, zal vinden!" O, wanneer ge hier in deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De Schrift spreekt van een »kauwen der tonge."
Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan, en 't is mij een diepe behoefte geworden: »Och mocht ik mij toch maar recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!" Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: »Och Heere, erbarm U over mijne ellende."
't Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:
Wer glaubt, der ist grosz und reich, Er hat Gott und Himmelreich! Wer glaubt, der ist klein und arm, Und schreit nur: »Gott erbarm!"
Dit is:
Wie gelooft, die is groot en rijk, Hij heeft God en hemelrijk! Wie gelooft, die is klein en arm, Hij roept slechts: »Dat de Heere Zich erbarm!"
»Heere, erbarm U!" Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven voor
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 30 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest heerscht in dat Samariterhaus! De professoren en doctoren zijn er vaders, zusters, moeders voor de patiënten armen en rijken, geringen en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam »Samariterhaus" vertolkt volkomen wat dit huis is!
Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken. Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon voerde! Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel inzonderheid de maand der schilders.
Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert, en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een klaagzang: »Sic transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!"
Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:
De dood heeft mij een brief geschreven, Ik las hem op het dorrend blad, Dat door den stormwind voortgedreven, Op 't vensterglas heeft post gevat.
Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen, gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje, den hoogbegaafden prediker, die na een langdurige ziekte mede werd weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot Hiskia: »Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven". Hoeveel goeds mij ook van het Czerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van een Von Moltke en een Von Bismarck werd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal. Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: »Sic transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!" Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.
Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw en ik kunnen geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan grooten heeft onthouden.
Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen. Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid, waarvan geen »sic transit gloria", »zoo gaat de heerlijkheid voorbij", kan worden gezegd.
Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan, in zijn schoone goudbruine kleur!
Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept: »Sursum corda!" »De harten naar boven!" Daar is het eeuwige licht! Daar zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De blinkende kleuren!
Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine kleur!
Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.
Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den dood.
Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst ons in zijn vergaan nog naar boven, naar de onvergankelijke heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.
O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!
Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des Heiligen Avondmaals.
Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg ik altijd bij mij zelven: »Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet!" Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.
O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!
Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens Zijn Naam samen mogen grootmaken!
Wees daartoe den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 6 November 1913.
_Geliefde gemeente!_
Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te vertellen.
Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen wrocht.
Laat ik 't u mogen verhalen.
Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft Fil. 1: 23 en 24: »Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil".
Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld verhuizen.
Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.