Chapter 2
Zondag 10 Mei j.l. werd hij uit zijn lijden verlost en op den dag der ruste ging hij, zacht en kalm, met den glans van zoeten vrede op het vermagerd gelaat, de eeuwige ruste van het hemelsche Kanaän in.
Nù, ook Rudolph heeft geen leed meer van uitgestelde hoop en teleurgestelde verwachting, en van al wat tot deze aarde en dit leven behoorde, is hij verlost. Zijn werk volgt hem na en hij rust uit van zijn arbeid niet in ledig-zijn, maar in hemelsch zalig doen.
Was zijn stoffelijk omhulsel op Woensdag 13 Mei van uit Amersfoort per trein naar Leiden overgebracht en geplaatst in het midden vóór den kansel van de Geref. Kerk op de Oude Vest, den dag daarop werd het onder de grootste belangstelling op de Begraafplaats van de Groenesteeg aan de schoot der aarde toevertrouwd. Vooraf werd in genoemde kerk, die tot in alle hoeken gevuld was, een korte samenkomst gehouden. Ds. Kouwenhoven, de oudste pastor loci, ging daarbij voor in het uitspreken van een rede aan de hand van Psalm 90 vs. 3: »Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen!" Het was een aandoenlijke plechtigheid. Menige traan werd weggepinkt!
Bij de geopende groeve werden goede woorden gehoord. Ds. Thomas sprak namens den Raad van de Geref. Kerk van Leiden, ds. Impeta van Katwijk namens de classis Leiden, ds. Teerink van Amersfoort gewaagde van zijne bezoeken aan den kranke; ds. Van der Munnik uit Leeuwarden, voerde het woord namens Deputaten van de Generale Synode voor de Zending onder de Heidenen en Mohammedanen; de heer Boddaeus, notaris te Schiedam, sprak als Voorzitter van het Bestuur der Kinderstichting; de heer Mekking van Gorinchem, namens het Bestuur van de Jan-Pieter-Adolfvereeniging; ds. Breukelaar van Zaandam, herdacht den overledene als Bestuurslid van het Chr. Comité voor Indië; dr. Dupont van Ermelo, van de Geref. Drankbestrijding; ds. Meijnen van Dordrecht, van de Vereeniging »De Tuin"; ds. Heidema van Heinenoord, bracht in herinnering het 2-jarig verblijf van den overledene in zijn eerste gemeente en ten slotte de heer Vros, hoofd eener Chr. School te Leiden, sprekend namens de Geref. Schoolvereeniging. En nòg waren er meer sprekers, o.a. van de Indologen en van »Polyhymnia", bovendien de heer Wilbrink, Landbouw-Directeur van de genoemde stichtingen, en ondergeteekende. Doch de lange duur van het toeven op de begraafplaats maakte het gewenscht aan de droeve plechtigheid een einde te maken, te meer daar ook de weduwe en de hoogbejaarde vader van den overledene mede tegenwoordig waren.
Veel is daar gesproken, en had de gestorvene het kunnen hooren, ongetwijfeld zou hij gezegd hebben: »Te veel eer voor mij!" Maar de grondtoon bij alle sprekers was: dank aan den Heere, die ds. R. tot zooveel en zoo velerlei arbeid geroepen en hem in zijn laatste levensjaar met zoo groote genade begiftigd had.
Waarlijk, het was een droeve en toch goede dag. Zij de gedachtenis dezes rechtvaardigen nog tot rijken zegen!
Was het de wensch van den overledene, dat ondergeteekende, die gedurende een twintigtal jaren door hechte en innige banden van vriendschap aan hem verbonden was en nimmer hoopt te vergeten, wat hij naast God aan ds. Rudolph te danken heeft, de zorg voor de uitgave dezer Brieven op zich nemen zou, met liefde heeft hij er bijdezen aan voldaan.
Mogen deze brieven een blijvenden troost bieden voor de diepbedroefde weduwe zulk een man, voor den ouden vader zulk een zoon, voor de pleegkinderen zulk een vader, voor de gemeente zulk een Herder en Leeraar, voor allen, die hem lief waren, zulk een vriend gehad te hebben en mogen ze, waar ze door dezen herdruk de wijde wereld ingaan, voor velen nog in dagen van druk en beproeving, tot rijken zegen gesteld worden! Gode alleen de eer!
G. VERRIJ.
Waarder (Z.-H.), Mei 1914.
Amersfoort, 23 September 1913.
_Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden._
_Geliefde gemeente!_
Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.
Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen, hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in 't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank mogen betuigen.
Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope, dat ik onder des Heeren zegen op de middelen geheel zal mogen herstellen.
En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs, goed en heilig is, geschiede.
Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en blijft mij verreweg het beste.
Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht. Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest, zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte, toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.
Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde toegevoegd: »Heere, Uw wil geschiede!" Wat de Heere doet, is wèl gedaan, hoe 't ook ga. Zeker, donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een Paulus niet betuigen: »Ik sterf alle dagen!" Voor 't vleesch is dit alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom, geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge wezen in des Heeren wil!
En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.
En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en verblijde Hij ons door Zijne groote daden!
In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 1 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans vaar.
Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest, in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!
Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar Heidelberg te gaan, en in het Czerny's Institut für Krebskranken, d. i. de instelling voor kankerlijders van prof. Czerny, genezing te zoeken.
Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't dankbaar.
Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit Amersfoort vertrokken. Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.
Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven, maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen, waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen God.
Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't douanenonderzoek verder.
O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over 't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.
Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.
Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht. Van Frankfurt naar Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve God tot mij sprak: »Kind, ook dit is alles voor u en van u!" Wonderbaar, wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.
Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.
Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan. Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt mij overal.
Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden in Zijn grooten Naam!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 8 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht van ons u niet onwelkom zal zijn.
Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans vertoeven.
Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan de beide oevers van den Neckar gelegen, in een halven cirkel door hooge, groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.
Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen oorlog heeft Tilly de stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheer Mérac bevel: »Verbrand de Paltz!" Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.
Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdom Baden gevoegd. Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan. Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en kunstenaars, dichters en denkers. En Von Scheffel, de dichter van Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:
Oud Heidelberg, zoo fijn, Gij stad, aan eere rijk, Aan Neckar en aan Rijn, Geen andere stad is u gelijk!
In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeld Excellenz Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 't Samariterhaus of het huis der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders, waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.
Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen. De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor de dooding der ziektekiemen.
De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar. Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden. Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving, al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine verrassingen en groote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap matigen.
De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een heele onderneming. Maar: »huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij geven voor zijn leven!" Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij, alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: »De levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!" Als een werkelijke vader hoop ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt, maar ook zoo vaderlijk zorgt.
Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds. Kammerer over Hebr. 10: 19-25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept. Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe kunnen wij zeggen: »houdt u aan de Kerk", wanneer de Kerk de leugen brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd, of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan. Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande aangehoord. Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't slotvers ging ik geheel en al op:
»Herr unser Gott, dich loben wir, Herr unser Gott, wir danken dir Die Feier dieser Stunde. O dir sei unsre Lebenszeit, Die uns noch übrig is, geweiht In einem ew'gen Bunde. Hilf uns kampfen, Bis zum Sterben, Dasz als Erben Zu den Höhen, Einst wir siegend aufwärts gehen!"
Dat wil zeggen:
Heere onze God, U loven wij, Heere onze God, wij danken U De viering van dit uur. O, U zij onze levenstijd, Die ons nog rest, gewijd Tot eeuwigblijvenden bond! Help ons worst'len, Tot aan 't sterven, Opdat we als erven Tot de hoogten Overwinnend opwaarts stijgen!
Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft, met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons, zoolang wij hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar 't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde, en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad, op den Neckar, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichter Von Scheffel:
»Der Himmel hat die Erde geküsset!" De hemel heeft de aarde gekust!
En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus, en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven. Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: »Mijnheer, dit zijn de dingen, die ons aan de aarde binden!" »Neen, dominee", was zijn antwoord, »ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den hemel doen verlangen!"
Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!
Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't Allerbeste! »Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal thuis!" Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan. Vroeg of laat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!
Met vriendelijke groeten van ons beiden,
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 14 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek, dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te gaan.
Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.
De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas, door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.
De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden geweest.
Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden: Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen: Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren: Hegel, Fischer, Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.
Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel is: »Wie heer is van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!" Was de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.
Na den dood van Calvijn, onder Frederik III, was Heidelberg om haar Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is de regeering protestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.
Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische staat dus de medische faculteit bovenaan.
De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis, soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.