Van strak gespannen snaren

Chapter 11

Chapter 111,870 wordsPublic domain

O, hoe goed is de Heere voor mij!

Hier eindig ik. Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 22 April 1914.

_Geliefde gemeente!_

Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen? Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en--goed bestel.

Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des Heeren souvereinen wil.

De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste aller gedachten. Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.

Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten. »Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen," is 't woord, dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: »Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; _maar nu ziet U mijn oog!_" Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. »Hij is de pottebakker, en wij zijn het leem," is de grondgedachte van zijn geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond heeft gesteld.

Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.

O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:

»De Heere is mijn Herder, Mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen In grazige weiden; Hij voert mij zachtkens Aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziele; Hij leidt mij In 't spoor der gerechtigheid Om Zijns Naams wil. Al ging ik ook In een dal der schaduwe des doods, Ik zoude geen kwaad vreezen; Want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, Die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe Voor mijn aangezicht, Gij maakt mijn hoofd vet met olie, Tegenover mijn tegenpartijders; Mijn beker is overvloeiende! Immers zullen mij Het goede en de weldadigheid volgen Alle dagen mijns levens; En ik zal in het Huis des Heeren blijven Tot in lengte van dagen."

O, wonder van vertroosting!

Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.

Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat uitgedrukt.

Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk! Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen, Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk, Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen; Ik telde ze af, en heb met eigen hand, Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen. Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge, Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn; Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijn Zal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen. Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft, Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofd Aan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen. Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt, Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt? Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schoot De smart vertrouwt van uwer zorgen nood, Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen: »Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen".

Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.

Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 29 April 1914.

_Geliefde gemeente!_

Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga. Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.

Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart. Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheid mij in de stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de angsten van het geweten mij achtervolgen?

Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.

Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer. Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die komen _zou_, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die gekomen _is_.

In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den Vader.

En hier houd ik even stil!

Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?

Was ik een Obadja, een Jozef?

Helaas neen.

De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.

Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.

Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de verzenen tegen de prikkelen.

Het was een kruisweg op mijn leven.

Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.

Ik koos den anderen.

De Heere kwam voor mij staan: »Wilt ook gij niet heengaan?"

Ik antwoordde: »Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens." Dit was de eerste besliste keuze.

Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien dominé hebben!

De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.

Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.

Hij teekende den tollenaar.

Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.

Daarna sprak Hij van den Voorspraak.

»De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit het vuur gerukt?"

Ja, zoo was 't.

Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit het vuur gerukt!

Die tekst is mij altijd bijgebleven.

Ik lag in de zonde.

De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: »Nu zal ik voor u zorgen!"

Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.

O, wonderdoende Zaligmaker!

O, wonderzoete Jezus!

Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.

Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.

Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!

En komt de ure aan des doods:

Jezus, Uw verzoenend sterven Blijft het rustpunt van mijn hart, Als wij alles, alles derven, Blijft Uw liefd' ons bij in smart. Och, wanneer mijn oog eens breekt, 't Angstig doodzweet van mij leekt, Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke, En mijn schuld voor God bedekke.

Dien heerlijken Naam bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

+---------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: zegen zijn Rudolph toch | | C: zegen zijn. Rudolph toch | | B: Er kwam beterschap | | C: Er kwam beterschap. | | B: land toen gehoord Ten slotte | | C: land toen gehoord. Ten slotte | | B: bepleit en verdedigd neeft, ziet, dat | | C: bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat | | B: al wil dit dit daarom allerminst | | C: al wil dit daarom allerminst | | B: Kerkgacht te Leiden. Zijn ideaal | | C: Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal | | B: van velen, de met hem in het | | C: van velen, die met hem in het | | B: in de kapel van 't Diakonessenhuis | | C: in de kapel van 't Diaconessenhuis | | B: heerlijke preek van ds. Kamerer over | | C: heerlijke preek van ds. Kammerer over | | B: onder Freedrik III, was Heidelberg | | C: onder Frederik III, was Heidelberg | | B: regeering protestansch-evangelisch-liberaal | | C: regeering protestantsch-evangelisch-liberaal | | B: voor de zonnstralen op. Heerlijk gezicht, | | C: voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, | | B: werd, bijv. ' smorgens door de | | C: werd, bijv. 's morgens door de | | B: moeders voor de patienten; armen en | | C: moeders voor de patiënten; armen en | | B: uitgeleide aan 't station. . Het weer | | C: uitgeleide aan 't station. Het weer | | B: »Loof den Heere. mijne ziel! | | C: »Loof den Heere, mijne ziel! | | B: klinken. Hij heeft zijn | | C: klinken. Hij heeft Zijn | | B: ook aan Bunyan en Rethurford, | | C: ook aan Bunyan en Rutherford, | | B: Christenreize, en Rethurford zijn heerlijke | | C: Christenreize, en Rutherford zijn heerlijke | | B: om mij hoe langs zoo meer te | | C: om mij hoe langer zoo meer te | | B: wij een waarlijk hemelscht leven | | C: wij een waarlijk hemelsch leven | | B: over te stappen; in Heidlberg stapten | | C: over te stappen; in Heidelberg stapten | | B: Spoedig waren de in Mainz | | C: Spoedig waren we in Mainz | | B: waarbij ik uit die duiternis geraakte | | C: waarbij ik uit die duisternis geraakte | | B: de grashalmen pennnen, en alle engelen | | C: de grashalmen pennen, en alle engelen | | B: bestember tijd en plaats | | C: bestemder tijd en plaats | | B: terdege gehoord: »dat de sterkte | | C: terdege gehoord: dat de sterkte | | B: zoo van harte mêe met den dichter | | C: zoo van harte meê met den dichter | | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar | | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, | | B: deze arme echtgenoten geeft, dat | | C: deze arme echtgenooten geeft, dat | | B: 't licht darover opging, en juist | | C: 't licht daarover opging, en juist | | B: een altijdurend zalig heden; | | C: een altijddurend zalig heden; | | B: ver-verdrukt moeten worden, | | C: verdrukt moeten worden, | | B: _Ik zal zijn, die Ik zijn_ zal. | | C: _Ik zal zijn, die Ik zijn zal_. | | B: wat zegt mijn staatsrechtelijk gewaten, | | C: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten, | | B: wedadigheid en trouw verheerlijken | | C: weldadigheid en trouw verheerlijken | | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar | | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, | | B: ik de radiumbestraling nog goed | | C: ik de radium-bestraling nog goed | | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar | | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, | | B: en al haar heelrijkheid heeft | | C: en al haar heerlijkheid heeft | | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar | | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, | | B: , ,Mijn raad zal bestaan, | | C: »Mijn raad zal bestaan, | | | +---------------------------------------------------+