Chapter 10
Zie, wanneer ik zóó in de stilte van den nacht mijn gebed mag opheffen tot den Heere, dan rijst in den slapeloozen nacht de ééne ster der hope na de andere aan den hemel, de hope op de eeuwige goederen, de hope op aardsche zegeningen. De slapelooze nachten zijn dan niet lang en donker meer, maar nachten vol van sterren, die mij 't woord bij Jesaja in de herinnering roepen, 't machtige, 't aangrijpende, 't bezielende woord in Jesaja 40, waar de Heere tot Israël spreekt:
»Heft uwe oogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze allen bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.
»Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij?
»Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.
»De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
»Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet moede, zij zullen wandelen en niet mat worden."
Zulke nachtelijke bezoeken van den Heere vielen dan wel als een verkwikkende dauw op de ziel; maar mijn kracht is geen steenen kracht, en door de slapeloosheid verminderde ik zeer, zoodat ik meer dan anders tegen de lange reis opzag.
Hoe zwaar de Heere echter ook kastijdt, Hij doet 't altijd op een vaderlijke wijze, en doet in 't midden der beproeving Zijne trouwe goedheid aan de ziel merken. Zóó deed Hij ook aan mij. Wonder, den nacht vóór mijn vertrek, sliep ik bijna den geheelen nacht rustig door. Door dit blijk van Gods lieve goedheid verrast, ging ik nu vol moed op reis, en nooit heb ik haar zoo gemakkelijk volbracht als ditmaal. Zelfs 't eind tusschen Nijmegen en Keulen, dat lange eind zonder eenig natuur-décor, viel mij niet zoo lang als anders. Van Keulen gingen we weer voort, den Rijn langs. Ontslagen van zijn winterboei, stroomde de Rijn ditmaal niet _langs_, maar ver _buiten_ zijn boorden. Overal stonden heele strooken land diep onder water, en vele villa's moesten met de schuit benaderd worden.
Schier even frisch als toen we op reis gingen, kwamen we 's avonds te acht ure behouden te Heidelberg aan.
Den volgenden morgen ging ik natuurlijk dadelijk weer naar 't Samariterhaus. Prof. Werner was met vacantie afwezig. Z.Exc. Czerny onderzocht mij derhalve alleen, en deed 't zeer nauwkeurig. Ook nu weer constateerde hij grooten uitwendigen vooruitgang, maar moest er helaas bijvoegen, dat de tong nog steeds dik blijft. Hij bepaalde, dat ik twee heele en twee halve dagen met radium moest worden bestraald. Zaterdag had de eerste bestraling plaats. Maar wie beschrijft onze teleurstelling, onmiddellijk na de eerste bestraling: in den nacht van Zaterdag op Zondag, werd mijn tong nog dikker. Dit was de pijnlijkste tegenslag, dien ik gedurende deze zware krankheid heb gehad. Mijn vrouw en ik hadden den ganschen nacht bijna niet geslapen. Hoe vermoeid we 's morgens ook waren, toch besloten we naar de kerk te gaan, en troost in Gods huis te gaan zoeken. En we deden 't niet tevergeefs!
Hoe heerlijk hebben we gekerkt!
Dat begon al met 't lieflijk gezang:
Lasset uns mit Jesu ziehen, Seinem Vorbild folgen nach, In der Welt, der Welt entfliehen, Auf der Bahn, die Er uns brach, Immerfort zum Himmel reisen, Irdisch noch, schon himmlisch sein. Glauben recht, und leben rein In der Lieb' den Glauben weisen! Treuer Jesu, bleib bei mir; Geh voran, ich folge dir!
Lasset uns mit Jesu leiden, Seinem Vorbild werden gleich! Nach dem Leide folgen Freuden, Armut hier macht droben reich, Tränensaat die erntet Wonne, Hoffnung tröstet mit Geduld, Denn es scheint durch Gottes Huld Nach dem Regen bald die Sonne. Jesu, hier leid ich mit dir Dar teil deine Freud mit mir!
Dat is:
Laat ons met Jezus trekken, Zijn voorbeeld gelijkvormig worden, In de wereld, de wereld ontvluchten; Op de baan, die Hij ons brak, Altijd voort ten hemel reizen, Schoon aardsch, toch reeds hemelsch zijn. Recht gelooven, zuiver leven, In de liefde 't geloof bewijzen! Trouwe Jezus, blijf bij mij; Ga mij voor, opdat 'k U volg.
Laat ons met Jezus lijden, Zijn voorbeeld gelijkvormig worden! Na het leed volgt de vreugde, Armoe hier, maakt boven rijk, Tranenzaad oogst hemelblijdschap, Hoop troost ons met geduld, Want door Gods goedheid Schijnt na den regen weêr de zon. Jezus, hier lijd ik met u, Deel boven mij Uw vreugde mede!
Daarna hoorden we een kostelijke preek over Jezus' verhoor bij Annas, uit Johannes 18: 12-24.
Wat hebben wij dien morgen gehoord? Zijn onze zinnen door een welsprekende rede betooverd? Neen! Is ons denken verdiept, onze kennis vermeerderd? Neen! Wij hoorden een eenvoudige Evangelieprediking; maar konden zeggen: »Wij hebben Jezus gezien!"
De prediker schetste eerst kort maar oordeelkundig 't lijden voor Annas. Daarna sprak hij over de kenosis of de zelfontlediging van den Heiland, die de legioenen engelen in den hemel liet, en deze bende niet wegvaagde; maar alles leed om onze zonde. Zoo baande hij zich den weg om Jezus in Zijn zoete beminnelijkheid als Heilborg van zondaren voor te stellen. Aan de enkele personen, die den Heere hier deden lijden, ontleende hij dan ook de stof om aan te wijzen, voor welke zonden Jezus hier betaalde.
Ten slotte zongen wij nog:
Eines wünsch' ich mir vor allem andern, Eine Speise früh und spät; Selig läszts im Tranental sich wandern, Wenn dies Eine mit uns geht: Unverrückt auf einen Mann zu schauen, Der mit blut'gem Schweisz und Todesgrauen Auf sein Antlitz niedersank Und den Kelch des Vaters trank.
Dat is:
Eén ding wensch ik mij boven alle andere, Eéne spijze vroeg en laat; Zalig kan men door 't tranendal wandelen, Wanneer dit ééne met ons gaat: Onverwrikt op éénen Man te zien, Die met bloedig zweet en doodsbenauwdheid Op Zijn aangezicht nederzonk, En den kelk des Vaders dronk.
Als geheel andere menschen verlieten we de kerk. We hadden den Heere ontmoet, en waren in Hem gesterkt.
Vol moed ging ik dan ook Maandagmorgen weer naar 't Samariterhaus, Dinsdag eveneens. Het is nu Dinsdagavond, terwijl ik dit schrijf, en ik heb nu twee dagen achtereen een bestraling gehad van negen uren daags. Zegene de Heere deze middelen! Geve Hij ons bovenal een hart, dat volkomen berust in Zijn heiligen wil. Hoe 't ook ga. Hij maakt 't immers met de Zijnen altijd goed.
Weest, geliefden, dien God en Zaligmaker bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 30 Maart 1914.
_Geliefde gemeente!_
Sedert ik u de laatste maal uit Heidelberg schreef, is er zeer veel geschied. De Heere heeft mij van dag tot dag zwaarder beproefd, maar ook van dag tot dag krachtiger vertroost. Van slapen was in de laatste weken geen sprake meer; overdag kon ik soms een weinig soezen. Toch heb ik de radium-bestraling nog goed doorgemaakt. Daarna zouden de Röntgen-bestralingen beginnen. Daarvoor was ik echter te zwak. De doctoren raadden mij aan, naar huis te gaan. 21 Maart gingen we op reis. Behouden kwamen we 's avonds aan. Mijn vrouw waakte na de lange reis dienzelfden nacht nog bij mij. Dit kon echter zoo niet langer. Zondagavond 22 Maart ben ik naar het St. Elisabethsgasthuis alhier gegaan. Daar ben ik nu nog, en moet hier morgen een operatie ondergaan. Na dien tijd zal ik te bed moeten liggen. Ondanks groote lichaamszwakte poog ik u heden te schrijven, om u te doen weten, wat mijn hart vervult.
Ik heb telkens gedacht aan Job, tot wien ook bode na bode, ongeluk meldend, kwam. Ik heb gedacht aan 't groote doel van 't lijden der vromen, zooals dit in Job wordt voorgesteld. En ik ben zeer versterkt geworden.
Ook het boek Job behandelt het probleem van 't lijden der vromen, en beziet dit van een bepaalden kant. Het stelt als hoogste doeleinde van het lijden der godzaligen: _de verheerlijking Gods en de beschaming des Satans_.
Gaan we den inhoud van 't boek Job maar even na.
Satan verschijnt in de vergadering der kinderen Gods. Verwonderen we ons daarover niet. Hij komt ook in de samenkomsten van Gods volk, waar de gemeente met den Heere vergadert.
De Heere Zelf prijst Jobs godsvrucht, Satan dingt daarop af. Ook daarover behoeven we ons niet te verbazen. Satan is de verklager der broederen, de kritische geest, de geest, die graag zaken doet, en daarom den ander den voet licht. Zoo doet Satan tegenover Job. Hij stelt Job voor als iemand, die slechts uit loonzucht God dient. Natuurlijk. Satan kent niet de zaligheid van Azaf, die te midden der zwaarste beproevingen zingt: »Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" Er moet dus wat achter zitten, wanneer Job zoo getrouw God dient, en dat is de zucht naar loon.
Hiermede beleedigt Satan Job. Bovenal tast Satan echter Gods eere aan. Satan bedoelt te zeggen: »Gij, o God, zijt niet zoo vol van majesteit en beminnelijkheid, dat Gij om Uzelven zoudt worden gediend. Kon ik, Satan, maar één gulden meer geven dan Gij, o God, dan had ik Job en allen aan mijn snoer. 't Blinkende goud, dat is de ware majesteit en beminnelijkheid."
Nu volgt de ontwikkeling van 't ontzaglijkst drama.
Op één dag, van vee, van goed, van kinderen beroofd, zit Job op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Valt hij van God af? Neen! Hij spreekt de heerlijke woorden: »De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, _de Naam des Heeren zij geloofd_."
Satan heeft derhalve zijn doel niet bereikt. Nogmaals komt hij in de vergadering der kinderen Gods. Nogmaals randt hij Jobs eere en daarmede Gods eere aan. »Job is in zijn lichaam nog ongedeerd gebleven; anders zou hij Gods Naam wel hebben gevloekt", meent Satan.
Nu geeft de Heere Job een wijle over aan Satan. Hij mag met hem doen, wat hij wil; alléén hij moet Jobs leven verschoonen.
Nu wordt Job met een vreeselijke melaatschheid geslagen. Hij heeft nacht noch dag rust.
Jobs huisvrouw, in plaats van hem te troosten, port hem aan, om nu maar een einde aan zijn leven te maken.
Voor Jobs vrouw heeft Job alléén beteekenis, zoolang hij groot en rijk is. Zij gelijkt de vrouw van een Indisch ambtenaar, van wie 't volgende wordt verhaald. Bij de landing te Priok, de havenplaats van Batavia, valt haar man te water. »O, mijn traktement, mijn traktement!" schreeuwt zij luid op den oever. Gelukkig werd de drenkeling weer op 't droge gebracht en was haar traktement behouden.
Zoolang Job goed en rijk was, kleeft Jobs vrouw hem aan. Thans, nu hij van de zonnige hoogten van 't geluk in de afgrondskolken der ellende is neergestort, wil zij liever van hem af. Zij is een dienares van de grootschheid des levens, de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches, een echt Satanskind. »Zegen God, en sterf!" zegt, zij tot Job. »Zouden wij het goede van God ontvangen, en zouden wij het kwade niet ontvangen?" zegt Job.
Wederom is Satan beschaamd.
Thans komt evenwel nog de zwaarste beproeving. Jobs drie vrienden, Elifaz, Bildad en Zofar komen uit 't verre Oosten om hem in zijn lijden te bezoeken. Ternauwernood hebben zij hem uit de verte gezien, of zij verstommen van verschrikking; zeven dagen en zeven nachten zitten zij neer om Jobs lijden te beweenen.
Niet één hunner staat echter op om hem de hand te gaan drukken. Het staat immers wel bij hen vast, dat een verborgen kwaad Job moet aankleven, en dat de Heere hem daarvoor nu komt ontmaskeren. Daarover zullen zij eerst met hem spreken. En dat zal wel goed uitkomen. Job vreest God, en zal wel in de schuld vallen. Maar dit moet dan ook geschieden, zal er van vergeving en genezing voor hem sprake kunnen zijn. En aangezien zij zijne vrienden zijn, zijn zij de aangewezen personen om hem daarover ernstig te onderhouden.
Welk een beproeving voor Job!
Hij erkent zijne zonde en schuld. Hij belijdt, dat hij een onreine is. Maar hij ontkent, dat eenig verborgen kwaad hem aankleeft, waardoor hij zich dezer zware straffe heeft waandig gemaakt.
Diep in zijn eer aangerand, vervloekt Job nu den dag zijner geboorte.
De volgende hoofdstukken bevatten dan de twistgesprekken tusschen Job en zijn vrienden, waarin hij zijn zakelijke gerechtigheid handhaaft.
In het 32e hoofdstuk treedt een ander spreker op. Elíhu, die een nieuw licht werpt op de rampen der vromen. Hij ontwikkelt de waarheid, dat de Heere zijn volk beproeft om hen te _louteren_.
Maar de eigenlijke oplossing van 't groote probleem van de rampen der godvruchtigen geeft de Heere Zèlf. In de hoofdstukken 38 en 41 treedt Hij Zelf op.[A] Hij verschijnt in een onweder, in al de verhevenheid Zijner majesteit. Hij treedt met Job in gesprek over de wonderen der schepping. En nu zinkt Job neer voor des Heeren Majesteit en Beminnelijkheid. Nu spreekt Job de gedenkwaardige woorden: »Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog; daarom verfoei ik mij, en heb berouw in stof en asch." Job begrijpt Gods wegen niet, maar ziet Gods heerlijkheid, en zinkt in aanbidding voor Zijn Majesteit neder.
Nu is God verheerlijkt.
Nu is de Satan geheel vernederd.
Ziehier één der gewichtigste doeleinden van de rampen der godzaligen: Tegenover heel de wereld moet blijken, dat de vromen vasthouden aan hun God, door welke diepe wegen die God hen ook leidt!
Dit is ook voor mij thans de oplossing van den raadselachtigen weg, dien de Heere met mij houdt.
Inderdaad, 't is een weg vol van vragen. Waarom dit? Waarom dat? Volgens de Schrift is 't leven van wie God vreest, als een boom, geplant aan waterbeken; maar de weg der goddeloozen als 't kaf, dat de wind henendrijft. In de werkelijkheid zien we 't vaak zoo gansch anders. David vlucht; Saul behoudt 't veld. Elia zwerft in de woestijn; Achab zit op den troon. Johannes sterft in den kerker; Herodes zwelgt in weelde. De één gaat arbeiden in 't Koninkrijk Gods, en onspoed is slechts zijn deel. De ander onderneemt slechts een tijdelijke zaak, en de zon van voorspoed beschijnt zijn weg. Hoevele vragen liggen in al deze verschillende feiten!
Ook ik gevoel dit diep in mijn geval. Maar met het licht, dat het boek van Job in mijne ziel doet vallen, is zij Gode niet alleen stil; neen, zij jubelt hoog in God over de genade en de eere, geroepen te worden tot de verheerlijking Gods in den weg des lijdens! Geroepen te worden tot beschaming van Satan; door het midden van de zware beproevingen des levens te jubelen in de zaligheid, die daar ligt in 't woord: »Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!"
En nu ten slotte, ik dank den Heere, dat Hij mij de krachten gaf, dit nog eens uit te spreken. Hij blijve mij de genade verleenen, Zijnen grooten Naam te prijzen, hoe alles verder ook ga! Hij geve mij, dat mijn wil lieflijk verslonden blijve in Zijn wil! Hij geve mij eindelijk, zij 't ook na veel lijden, om den wille van Christus' lijden en gehoorzaamheid, een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Welk een vergoeding zal dit zijn! In de eeuwigheid is alles vervulling zonder eenig gemis. Daar wordt de hoogste bestemming bereikt, en eerst recht gevoeld, wat leven is, en wat 't is, beelddrager Gods te zijn!
Mocht dit mijn laatste brief aan u zijn, geliefde gemeente, dan tot weerziens aan die zalige plaats!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
P.S. Den dichter uit Sassenheim mijn diepgevoelden dank.
[A] Eigenlijk geeft de Heere geen enkele verklaring van Zijn doen met Job. Zijn wegen zijn hooger dan onze wegen, Zijn gedachten dan onze gedachten. Hij geeft aan nietig stof geen rekenschap van Zijne daden. God alléén is groot, en wij begrijpen Hem niet, maar daarom aanbidden wij Hem.
Amersfoort, 7 April 1914.
_Geliefde gemeente!_
Ook thans poog ik een schrijven aan u saam te stellen.
Het roemend, zoowel als 't klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Dit biedt ge mij steeds. Nooit behoef ik in mijn »Gethsémané" te zeggen: »Kunt gij dan niet één uur met mij waken?" Uwe belangstelling is beschamend! Daarom span ik mij gaarne wat in om u, geliefde gemeente, te melden waarnaar gij verlangend uitziet.
31 Maart ben ik dan aan de keel geopereerd geworden.
De bedoeling dezer operatie was om een buis aan te leggen in de keel, den loop der adem daardoor vrij te maken tegenover de verdikking van de tong en tegenover de slijmvorming in den mond, en mij op deze wijze nachtrust te bezorgen. Het is dus wat de geneesheeren noemen, een palliatieve, een verlichtende operatie.
Met 't uitzicht daarop liet ik mij met vroolijken moed naar de operatiekamer voeren. In dezen ben ik mijzelven een raadsel. Evenals alle menschen ben ik steeds met operatievrees bezet geweest. De Heere heeft die vrees echter geheel weggenomen.
In de dagen vóór de operatie sterkte ik mij maar weer in den 91en psalm: »Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen."
Gelukkig, er is voor Gods volk een schuilplaats in allen nood. Zie 't in Noachs historie! In Davids leven! In 't leven van heel de kerk!
En wat is die schuilplaats veilig! _Ze is de schuilplaats des Allerhoogsten!_ Gods gemeente is met Christus in den hemel gezet. In beginsel is zij met Paulus opgetrokken in den derden hemel.
O wat voelde ik mij daar volkomen veilig! Ik was volkomen verzekerd, dat geen kwaad mij kon overkomen.
En hoe was ik daar gekomen, in die schuilplaats!
O wonder, o wonder, o wonder van genade! De Heere heeft naar mij willen omzien, en mij in Jezus aangezien. Ach wie ben ik altijd geweest! De Heere is de eerste geweest om mij te trekken, om mij met 't geloof te begaven, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen, om mij te verlossen _en mij een schuilplaats te geven_. De overdenking daarvan vervulde mijn hart met aanbidding van Gods heerlijke, vrije genade.
»Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen." Den nacht zijner beproeving zal hij doorbrengen in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den Almachtige, Die kan en wil helpen.
Dit heb ik bij deze operatie weer ondervonden.
's Middags te drie uur werd ik naar de operatiekamer gebracht, waar vier doctoren en drie pleegzusters mij wachtten. Ik werd gelukkig niet weggemaakt. Dit geschiedt bij deze operatie, geloof ik, nooit. Het is ook niet noodig. Het gevoel, dat men aan uw keel kerft, nu en dan wat weeë pijn, dit moge u wat aangrijpen; maar dat is ook alles. Ongelukkig was de buis wat groot, en 't gat te klein gemaakt. Daardoor moest men opnieuw aan 't snijden en knippen. Ik maakte mij echter allerminst onrustig. Ik nam gedurende de heele operatie de toevlucht tot Jezus' lijden, en stelde mij voor oogen, wat Hij heeft geleden om onze zonden. O onvergetelijke ure! Hij sterkte mij krachtig. Vroolijk had ik mij neergelegd. Vroolijk mocht ik oprijzen, nadat de operatie, die ruim een half uur duurde, was afgeloopen.
Het doel, dat er mee beoogd werd, is volkomen bereikt.
De verlichting is groot.
O, heerlijke nachten van verkwikkenden slaap, die ik nu mag genieten!
Soli Deo Gloria! Gode alleen zij de eere!
Meer schrijf ik thans niet.
Ik moet vanmiddag weer verbonden worden. Ook dit is zeer pijnlijk, en ik moet daarvoor mijn krachten sparen.
Hartelijk gegroet, geliefde gemeente! Weest allen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 15 April 1914.
_Geliefde gemeente!_
Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van 31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel lijden. Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.
Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de heerlijke Paaschdagen.
In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den Heiland.
Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht aan 't eerste kruiswoord: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen". Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden, door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods. Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden: »Het is volbracht!" Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't, wat Paulus schreef:
»Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, _opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!_"
Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.
Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.
Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der Schrift:
»Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af."
Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt. Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw, treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haar heerlijkheid heeft haar waarde voor haar verloren.
Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.
Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.
Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.
Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke wereld?
Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heeft _het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht_.
Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.
Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.
Zij bracht mij rijke vertroosting.
Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.
Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.