Van Smyrna naar Holland in oorlogstijd De Aarde en haar Volken, 1917

Part 2

Chapter 23,924 wordsPublic domain

Zooals ik reeds zei, om 5 uur waren we in Koeleli Bourgas, waar we alvorens uit den trein te stappen, eerst onderzocht werden door de douane en den dokter, verbazend geschikte lui; bij de douane behoefde men niet z'n geheelen koffer leeg te pakken, en het medisch onderzoek liep af met tongen uitsteken en het toonen van onze cholera papieren.

Om 6 uur was het onderzoek van den trein geëindigd, en konden we in den anderen overstappen, die ons naar Sofia zou voeren. Van dit eind van de reis kan ik niets vertellen, want bijna dadelijk legde ik mij ter ruste, wat misschien een te grootsche uitdrukking is voor in een hoekje rechtop te zitten slapen. Een ding heb ik echter geleerd, dat men zich overal aan went, want gedurende onze geheele reis konden we geen slaapwagen krijgen, maar aan het slot sliep ik zoo vredig zittend, alsof ik me in het heerlijkste, donzen bed had gevlijd.

En nu Sofia! Wat had ik er me niet van voorgesteld. Als kind had ik een soort van aureool om die stad gewonden; het woord plateau van Sofia had beteekenis voor mij; vreemde woorden trekken een kind altijd aan; maar helaas! die illusie werd me ontnomen. Nu ben ik evenwel geen onpartijdig beoordeelaarster, ik heb er slechts één dag vertoefd, en in dien tijd moesten we naar twee verschillende politiebureau's, zoodat er niet veel tijd overbleef voor het bewonderen der stad zelf! Bovendien was ik dien dag uit mijn humeur. Ik was zoo dom geweest de leiding over te geven aan een Israëlietisch heer, Herr Franck, uit Constantinopel, die naar Weenen ging om inkoopen te doen voor zijn geschäft, en voor ik het mezelf bewust was, had hij de teugels in handen genomen. Hij had het reçu van onze bagage, hij zou wel een goed restaurant opzoeken, en bracht ons in een plaats, die er van buiten aardig uitzag, maar waar je bijna niets te eten kon krijgen, en waar niemand eenig andere taal kende dan Bulgaarsch. En wij hadden nog wel gedacht eens een hartigen maaltijd te gebruiken na al het brood met sardientjes, waartoe wij veroordeeld geweest waren. Toch heb ik er later weer een goede zijde aan ontdekt; of we wilden of niet, leerden we er eenige Bulgaarsche woorden, die ons later weer goed van pas kwamen.

We werden hier door kanongebulder begroet; een vijandelijke vlieger n.l. was boven de stad aan het doen van verkenningen en werd op deze wijze verjaagd. Dit was het eerste teeken, dat we zagen van den Europeeschen oorlog; later, toen we door de stad liepen, zagen we een tweede; een hospitaal, waar men sterk scheen te gelooven in zonnebaden, overal zag men de soldaten liggen, arme kerels, in de blakende zon, de een met een klein rond gaatje in den rug, de ander met een sabelhouw over den schouder; een derde met een wonde aan het been, en dubbel dankbaar was ik dat ons Holland buiten al de verschrikkingen gebleven was.

In allen gevalle waren we blij, Bulgarije's hoofdstad te verlaten; om 4 uur zette de trein zich in beweging, de zon goot nog haar stralen over de stad uit--ik herdenk dit feit, omdat we daarna bijna geen zon meer gezien hebben--en wij bevonden ons in een prettige coupé, met Herr Franck en een Bulgaarschen heer, die naar Widdin moest, opgeroepen als soldaat. De raampjes van alle treinen waren hier wit geverfd, maar er was geen verbod uitgevaardigd dat de raampjes niet mochten geopend worden, veel hielp dus deze voorzorgsmaatregel niet. En gelukkig! Want dit is een van de mooiste streken, waar ik doorgekomen ben: hooge bergen, geheel met dennen begroeid, met hier en daar een klein huisje ertusschen; andere gedeelten zijn weer geheel kaal; de bergen bestaan uit een geelachtige zandsteen, heel hoog, loodrecht verheffen ze zich en hier en daar haast zich een beekje den voet te bereiken, kleine watervalletjes makend wanneer het van een uitstekend punt naar beneden springt. Het aantal tunnels, waar men door komt, is enorm. Op dat kleine eindje van Sofia naar Lompalangka vindt men 21 tunnels, en bij iederen tunnel ziet men eenige steenen in de rotsen gemetseld, waarschijnlijk is daar een kruitmagazijn achter verborgen, om in geval van nood de lijn in de lucht te laten vliegen. Het speet me genoeg, toen het te donker werd om verder uit te kijken.

Den volgenden morgen, om 6 uur, werden we gewekt door de stem van den conducteur, die ons vertelde, dat we in Lompalangka waren.

Hier werden we voor het eerst tamelijk scherp onderzocht. Onze geheele koffer werd uitgepakt, stukje voor stukje nagezien, en wij zelf naar een apart hokje gevoerd, waar we gefouilleerd werden. Daar hoorden we, dat de Donauboot, die ons naar Orsova zou brengen, om 7 uur vertrok, "maar als u u haast, kunt u hem nog wel halen".

Wij dus beenen gemaakt; maar toen we na een wandeling van ruim 20 minuten bij den Donau kwamen, was de boot reeds om 5 uur afgevaren, en er was geen andere vóór den volgenden morgen; het eenigste wat ons dus te doen overbleef was: een goed onderkomen zoeken voor den nacht.

Intusschen was ons gezelschap met één persoon vermeerderd. Een zekere Herr Schmidt, een Duitsch ingenieur die den tunnel voor den Bagdad-spoorweg tot stand had helpen brengen en nu op den terugweg was naar Duitschland. Hij was het type van den bier-Duitscher, met een klein petje op een dik hoofd, een ransel op z'n rug, een kaal versleten jasje over een dik bierbuikje. Terwijl we nog stonden te beraadslagen, waar nu heen te gaan, nam hij het woord: "Ik ben hier vroeger al eens geweest. Er is hier eine schöne oesterreichische Wirtschaft, solche hübsche Leute, ein alter Mann und eine gute, alte Frau, en ze zijn uiterst gastvrij, voor 2 kronen heb je een mooie kamer en volop eten en drinken."

"Hm," zei onze Bulgaarsche vriend, "dat lijkt me wat wonderlijk in deze tijden. Bedoel je misschien Hotel Bellevue, daar wonen Oostenrijkers!"--"Wel nee, het was een heel gewoon huisje, en als we maar eens door Lompalangka loopen, zal ik het van zelf wel terugvinden". En zoo ving onze tocht aan. Weldra hadden we drie woorden van onzen Bulgaarschen heer geleerd, die we bij ieder huisje herhaalden: "Doebroetroe, Austrikia petoekah?" wat zooveel zeggen wou als: "Goeien morgen, Oostenrijksch hotel?" Maar telkens werd geantwoord "Née", waarbij zoo hard met het hoofd "ja" geknikt werd, dat we in het begin hoopten het "Austrikia petoekah" gevonden te hebben. Vertel ik daar nog bij, dat in het dialect-Grieksch, dat in Anatolië gesproken wordt, "née", "ja" beteekent, dan zult ge kunnen begrijpen, dat het voor ons een Babylonische spraakverwarring werd.

Toch herhaalden we iederen keer dapper ons "Doebroetroe", tot de Bulgaar er genoeg van kreeg en zei: "Ziezoo, ik ga naar Hotel Bellevue, wie gaat er mee?"

Wij allen, Herr Schmidt incluis, begonnen het vergeefsche van onze pogingen in te zien, en verblijd dat er aan het geslenter een eind zou komen, volgden we een meer betrouwbaren gids, die ons weldra Hotel Bellevue binnenleidde.

Daar gekomen, raakte Herr Schmidt in vervoering: "Da ist meine schöne Oesterreichische Wirtschaft," als gevolg van die mededeeling, dachten we dat meteen "die gute, alte Frau", te voorschijn zou komen; maar inplaats daarvan werden we ontvangen door een stuursche meid. Op onze vraag: "Austrikia petoekah?" begon deze zoo'n lang verhaal, in zulk vlot Bulgaarsch, dat het maar goed was dat er iemand bij ons was, die die taal ten volle verstond.

Weldra werd het ons duidelijk, dat die kamer van 2 kronen wel opgegeven kon worden, evenals het vooruitzicht daar te logeeren. Er was slechts één kamer beschikbaar, en onze vraag om dan maar vast te ontbijten werd beantwoord met een gebrom, dat het nog veel te vroeg was. Toch hadden wij na dien zwerftocht honger, en dus, gingen we zitten bij een kiosk aan den kant van den weg, de een op een omgekeerde ton, de ander op een gebroken stoel, een derde op den grond op turksche manier, bestelden een kom geitemelk, kregen er een homp brood bij en gebruikten zoo ons sober maal, nog in spanning of we voor den nacht een onderdak zouden vinden.

Om 9 uur ving onze tocht weer aan, op zoek naar een hotel. Het eerste der drie die we bezochten, zag er erg vuil uit, het tweede was schrikbarend duur; alleen voor een kamer vroeg men acht lewa, wat gelijk staat met 8 francs; doch ten slotte vonden we rust in het derde, nl. in hotel Saloniki, waar de heeren samen één kamer kregen en ik eenige bezitster werd van een apartement, dat er tamelijk helder uitzag en waar ik op de waschtafel hollandsche boertjes en boerinnetjes aantrof.

Veel is er niet van Lom te vertellen; bovendien heeft het nu in brand gestaan en bestaat wellicht niet meer--en van de dooden niets dan goeds! Heel vroeg trokken we in Lompalangka naar bed, want we hadden bevel gekregen 's morgens, of liever 's nachts om drie uur, bij den commandant te zijn en nogmaals onze passen te laten afteekenen. Om half drie stonden we dus reeds op, kleedden ons in allerijl en kwamen klokslag drie uur bij het wachthuis, waar twee schildwachten stonden. Daar ving ons Bulgaarsch gebrabbel weer aan, want nu kwam onze gids niet mee, daar hij niet naar het buitenland ging. Ziehier het volgende gesprek, dat zich ontknoopte. Wij: "Commandant???" De schildwacht: "Kak?" We begrepen dat dit "wat" beteekende. Dus wij nog eens weer "Commandant?", dezen keer met nog grooter vraag in onze stem. "Oh, commandant spaue"; dat was weer een nieuw woord, dus om verdere inlichtingen te krijgen, schreeuwden wij nu op onze beurt "Kak?" = "Commandant spaue", maar ziende dat het woord ons niet verder op de hoogte bracht, lichtte hij het nu met gebarentaal toe; hij vouwde zijn handen tegen elkaar, legde er het hoofd op, sloot daarbij zijn oogen, waardoor het ons klaar werd, dat de commandant nog in zoete rust lag. Na een half uurtje echter was hij, hoewel eenigszins brommend, present; we moesten voor de zooveelste maal opbiechten, waar we vandaan kwamen, waarom we weg wilden en welken weg we dachten te nemen; gelukkig kende de commandant fransch, wat het onderzoek vergemakkelijkte. Hij zette een paar bulgaarsche krabbels op onze passen, nog eens weer moest onze bagage nagezien worden, waarna we om half vijf op de boot konden gaan, die prachtig ingericht was, zoo iets als onze Rijnbooten, alleen is de zaal beneden grooter en mooier ingericht dan bij de onze, maar bovendeks, dunkt mij, winnen de onzen het weer. Veel ben ik trouwens niet op het dek geweest, want den heelen dag door regende het, zoodat de reis op den duur erg eentonig werd.

In het begin was het interessant genoeg Bulgarije en Roemenië, later Servië en Roemenië te vergelijken, maar wanneer men steeds dezelfde vergelijkingen maakt, raakt daar ook de aardigheid af.

Langs bijna de geheele grens van Roemenië, dus aan den eenen Donauoever, liggen niets als bosschen en kreupelhout, een verbazend moeilijke streek om door te trekken voor een mogelijken vijand, terwijl in Bulgarije alles open en bloot ligt. In Servië treft u weer iets geheel anders. Geen stukje grond is er onbebouwd gebleven; wat organisatie betreft, moet men respect hebben voor de Duitschers. Den heelen dag vermaakten we ons dus met uitkijken naar een volgenden maaltijd, en juist toen die laatste maaltijd gereed was, kwam het groote punt van de geheele reis, de IJzeren poort. Twintig minuten, vóór we er heusch waren, kwam er al een loods bij ons aan boord. De Karpathen werden hoe langer hoe duidelijker zichtbaar; men kon de dennen erop al onderscheiden. De Donau werd nauwer, het water begon in het midden te bruisen, werd aan den kant ondieper, wat twee gestrande schepen bewezen, en langzamerhand naderden de bergen den oever; hier werd de stroomdraad zoo sterk, dat men aan weerszijden een betonnen wal gemaakt heeft. We kwamen er door toen het begon te schemeren, bovendien brak er toen juist een onweersbui los, wat alles nog indrukwekkender maakte; het gerommel van den donder werd weerkaatst door de bergen, de bliksemflitsen belichtten duidelijk het omringende landschap en onwillekeurig kreeg men een gevoel van ontzag en voelde men zich klein. Het duurde zeker meer dan een half uur, eer we de IJzeren poort door waren en niet lang daarna, ongeveer 9 uur, kwamen wij te Orsova aan. Hier ving hetzelfde spel weer aan, dat we al zoo vaak meegemaakt hadden. Al onze bagage werd op een of twee karren gezet, en die trokken weg naar een of ander gebouw, en daar een mensch er nu eenmaal niet van houdt zijn eigendommen in vreemde handen over te laten, dribbelden wij er allen met vlugge pasjes achteraan. Men kon zien, dat men in Oostenrijk was gekomen; alles was grootscheeps ingericht, in een groote zaal werd al onze bagage op lange banken uitgestald, ieder vloog naar zijn koffer en het onderzoek begon weer. Langzamerhand werd men strenger, couranten, waar ik schoenen in gewikkeld had, werden me ontnomen; als regel scheen te gelden, dat geen enkel stuk drukwerk mocht doorgelaten worden. Tenminste een Lichtenstein, die ik bij me had en een bundel ansichten uit Constantinopel werden me afgenomen en bij den kapitein gebracht. Deze kwam echter met een lachend gezicht bij me en zei: "Dit zijn zeker reisherinneringen en dit wilt u zeker graag houden om op reis verder uit te lezen." Hierop volgde natuurlijk een dankbaar ja, waarop mijn schatten me weer ter hand gesteld werden. Alle passen werden nu nagezien, ieder moest door den dokter onderzocht worden, waarna de geheele gemeente aftrok, met uitzondering van de twee Hollanders, die aan een strenger onderzoek moesten gelooven. Ons werd verzocht nog even geduld te hebben; de kapitein zou ons naar een ander huis voeren, waar we nogmaals moesten ondervraagd worden. Onder een kletterenden regen kwamen we daar aan. We werden in een kleine wachtkamer gelaten uit welke de heer H. 't eerst werd opgeroepen, en daarna was het mijn beurt. Een officier zat voor een tafel met massa's geschriften voor zich: "Zoo, wie is u, waar komt u vandaan, waar gaat u heen?" "Is u wel eens in Parijs geweest?" "Jawel."

"Wanneer?"--"Vier jaar geleden."--"O," een aanteekening. "Is u wel eens te Singapore geweest?" "Neen, nooit."--"Heeft u ook familie in België?"--"Nee."--"Pardon, juffrouw, u heeft daar een neef, die ingenieur is."--"Pardon, mijnheer, ik heb absoluut geen familie in België."--"O", weer een aanteekening. "Heeft u ook broers?"--"Jawel, mijnheer."--"Wat doen die?"--"De een is commies bij de post, de andere is surnumerair der belastingen, de derde surnumerair van de registratie en de vierde gaat op het gymnasium."--"Maar hoe noemt u dat in 't duitsch." "Ja, dat weet ik niet precies."--"Nu zegt u het dan maar in 't fransch." Ik deed een wanhopige poging en ziedaar welk schoon fransch van mijn lippen vloeide: "l'un est à la poste l'autre est surnumerair des impôts, le troisième est à la registration, et le petit au lycée."--"Goed, maar hoe zegt u dat nu in 't duitsch?" Ik mompelde zoo iets van steuern en registration en het onderzoek was afgeloopen. De kapitein was toen zoo vriendelijk ons een hotel aan te wijzen, waar we den nacht doorbrachten.

's Morgens vroeg om 5 uur waren we weer op, want om 6 uur vertrok de trein naar Boedapest, dien we maar net haalden. De trein was hier stampvol, de streek was niet mooi, de menschen praatten slechts Hongaarsch, wat een zeer zangerigen indruk maakt, bovendien durfden wij zelf geen gesprek aanknoopen, want overal in den trein waren groote plakkaten aangeplakt om de Oostenrijkers te waarschuwen voorzichtig te zijn: "Indien iemand u vraagt naar familieleden die in den oorlog zijn, is het voorzichtiger die persoon aan te geven aan het volgend station, waarschijnlijk wil hij u uithooren." We zaten dus elk maar in ons hoekje, en ik was dankbaar, dat ik mijn Lichtenstein had mogen behouden. We kwamen om 5 uur in Boedapest aan, en om half acht vertrokken we weer met den nachttrein naar Weenen. We misten hier den sneltrein naar Passau, zoodat we besloten ons hier maar een dag op te houden en meteen wat uit te rusten. En genoten heb ik dien dag. Het weer was iets aan 't opklaren, wel daalden er nog eenige buitjes op ons hoofd neer, maar 't geheel zag er nu bemoedigender uit. Bovendien, we waren in Weenen, we waren in een beschaafd land en niet te vergeten, we begonnen de daagjes nu te tellen voor we in mooi Holland zouden zijn. 's Morgens gingen we naar Schönbrunn per tram met haar vrouwelijke conducteurs. Op mij maakten deze geen netten indruk; bij de meesten kwamen pieken haar onder de petten te voorschijn, maar voor haar werk waren ze uitstekend; vlug en handig deden ze het af, zoodat de mannelijke collega's 't haar niet hadden kunnen verbeteren. In Schönbrunn was het heerlijk, kalm en vredig. Op de groote, breede wandelwegen trof men slechts enkele wandelaars aan, en het loover van de boomen leek ons zoo diep, frisch groen, na het donkere groen van warmer streken. De vogels zongen er zoo lustig, dat men moeite had te gelooven, dat dit het land was, waar het eerst de oorlog ontbrandde; wat meer is, dat dit de bezitting was van den keizer, die mede schuld had aan het begin van den wereldkrijg. Een prachtig park is het, met zijn breede lanen met reuzenhooge boomen, die alle aan één kant geschoren zijn, zoodat men twee groote, rechte lijnen kan volgen door een half uur lange laan; dan de waterwerken, waar Neptunus troont in al zijn staatsie en waar alles zoo schitterend in steen is uitgehouwen, dat men in verzoeking komt de druiventrossen af te plukken, die zich naar beneden slingeren. Overal staan verder bankjes, waarop men meestal een oud mannetje ziet zitten, een heerlijke plaats om zich te verbeelden nogmaals jong te zijn.

Vlak bij het slot is het park meer aangelegd. Groote bloemperken met de snoezigste kleuren liggen daar, bedwelmende geuren uitwasemend, langs nissen, uitgehakt in het groen; iedereen heeft hier vrijen toegang; men loopt vlak langs het slot zonder ook maar eenmaal aangehouden te worden. Der gute Kaiser Franz werd heusch als vader beschouwd, zijn kinderen zouden hem nooit letsel willen doen. Een heerlijken, rustigen morgen brachten wij er door, een morgen, zooals we heusch wel noodig hadden na al onze vermoeienissen, na al onze nachten van half waken en half slapen, onze dagen van gebrekkig reizen. Onzen middag hadden we bestemd voor het Prater, de groote wandelplaats van Weenen. Met recht zijn de inwoners er trotsch op; heel uitgaand Weenen kan men hier bewonderen. Deze week was er nog een extra aantrekkingspunt: er was een oorlogstentoonstelling, en natuurlijk wilde iedereen wel eens zien, hoe nu eigenlijk hun dierbaren doodgeschoten werden en met welk soort wapenen. Dit is misschien te scherp gezegd: ik vergat een oogenblik, dat de opbrengst bestemd was voor het Roode Kruis; hoe het zij, het krioelde er van dames en heeren, en van verminkte militairen; arme kerels, ook zij wilden wel eens op hun gemak zien, hoe het eigenlijk toeging; daar in de loopgraven wisten ze er zoo weinig van, of waren ze wellicht blij, dat ze voor grooter ellende gespaard bleven; zoo keken ze met een gevoel van rust naar al die monsterwerktuigen die hen immers toch niet meer deren konden! Het was een groote tentoonstelling, men zag er alle soorten van wapenen, van de groote 42 cm. af, tot de sabels en klewangen toe door de Singhaleezen gebruikt; men zag er loopgraven, men zag er kanonnen verdekt opgesteld; buitgemaakte, half verbrande vliegmachines, handgranaten, bommen, ja alles, wat maar dienen kon om den menschen al het ontzettend lijden der hunnen beter te doen beseffen. Hadden ze zich dan eenmaal goed alle verschrikkingen voorgesteld, dan kwam er een weinig balsem op de wond; men kwam in een zaal, waar de gevangenkampen afgebeeld waren, en waar verteld werd, hoeveel gevangenen men reeds gemaakt had; een andere zaal toonde u weer, hoe kogels gemaakt en gekeurd werden. Zooals ik zei, het was een groote tentoonstelling, er was te veel om op te noemen, te veel zelfs om te onthouden. Wat indruk op me maakte, was de Roode Kruis afdeeling; men zag miniatuurtreintjes met miniatuurgewonden erin, draagbaren, verbandstoffen; maar vooral de afdeeling, waar men zorgde voor de verminkten, trok mij aan. Hier zag men hoe soldaten, die hun handen verloren hadden, daarvoor een soort knip in de plaats kregen, die ze leerden dicht en open maken door middel van een veer, zoodat ze alles weer hanteeren konden; hoe schrijvers hun pen leerden vasthouden, timmerlieden hun schaven; blijkbaar had men verschillende soorten kunsthanden, naar het ambacht, dat men uitoefende. Ook was er een mooie schilderij-afdeeling, de meeste met afgrijselijke voorstellingen; slechts een enkele had de weemoedige zijde, die der thuisgeblevenen, op het doek gebracht.--Het was toch een vredig gevoel, weer uit die krijgsomgeving te komen, en den verderen tijd bleven we rustig in ons hotel, waar het eten eenvoudig, maar goed en duur was. Het was wel grappig, de verschillende opmerkingen aan tafel te hooren, de een den ander plagend over het karige voedsel, dat verstrekt werd: "Bewahre, een goeie vermageringskuur voor jou,"--"ja jij hebt mooi praten, maar drie kleine stukjes brood per dag, als je honger hebt voor 20 zulke stukjes," en dan gingen de gesprekken over in zacht gefluister; overal was de angst voor "Spionengefahr". Ook ontbrak natuurlijk niet het spreekwoordelijk geworden "Gott strafe England", in een hoek van de zaal. Het eenige, dat er niet duur was, was het bier, waarvan dan ook ruim gebruik gemaakt werd.

Ik heb er nog een aardig tafreeltje gezien. Een man in uniform kwam binnen gevolgd door een vrouw met twee kinderen. Blijkbaar was hij juist met verlof thuis, teruggekomen zonder letsel op te doen; tenminste de moeder keek iederen keer op naar haar man met iets ongeloovig blij's; was het mogelijk, dat hij terug was? En hij bezorgd: "Kom, Mütterchen, je bent mager geworden, de ronde wangen moeten nu weer terugkomen, hoor." Het jongentje was blijkbaar trotsch op zijn soldaten vader en het kleine krullekopje van een meisje--acht jaar was ze nauwelijks--praatte aan één stuk door, en na iedere tien hapjes wipte ze van haar stoel, om nog eens dicht bij vader te komen, eventjes zijn hand vast te houden en met zoo'n vreugde naar hem opziend, dat men zich kon indenken hoe zeer ze hem gemist had. Iedereen had plezier in het groepje; het meisje had ten slotte een plaats op z'n knie veroverd! Ze sprak nu niet meer, maar liet rustig haar kopje tegen zijn breede borst rusten. Zelven bemerkten deze menschen niets van de belangstelling om hen heen, zoo geheel gingen ze op in hun eigen geluk, de tijd was zeker te kort om zich erover te bekommeren of oningewijden dit tooneeltje mee gade sloegen.

Den volgenden morgen vroeg reisden we weer verder, we kwamen door een prachtige woudrijke streek, aan de stations zag men veel Fransche uniformen, die blijkbaar belast waren met het sorteeren van de post; langs den weg, in de bosschen aan het werk, veel Russen met groote petten op. 's Middags om 1 uur zouden we in Passau zijn en daarom gebruikten we ons middagmaal in den trein. Nooit heb ik zoo slecht voor 6 kronen gegeten als daar, het geheele menu bestond bijna uit "kartoffeln", kartoffelsoep, kartoffelgroente, en kartoffelnknödeln als déssert. Vooral dit laatste was bijna oneetbaar en verschillende borden werden weer net zoo weggenomen als ze voorgezet waren.