Van Smyrna Naar Holland In Oorlogstijd De Aarde En Haar Volken
Chapter 3
Maar, enfin, we waren in Passau en troostten ons met de gedachte gauw in Holland te zijn, weinig eraan denkend, dat hier onze echte moeilijkheid eerst beginnen zou. Natuurlijk werd al onze bagage weer op handkarren geladen, maar we waren er aan gewoon en stapten er dus heel blijmoedig achteraan. Weer moesten we eerst onze passen laten afteekenen, wij, de Hollanders, werden afzonderlijk gehouden, we bleven niet binnen de grenzen, dus een strenger onderzoek wachtte ons. Ook dit wisten we en maakten er ons dus niet bezorgd over, maar o wee! toen de Hauptmann verscheen. Met een verbazend barsch gezicht begon hij: "Waar komt U vandaan, waar wilt U heen. Was ist Ihr Reisezweck?"--"Ik wou graag naar huis terug."--"Heimreise? Und das in Kriegszeit, ist das een Reisezweck?" Het lag me op de tong te zeggen: "Als dat niet zoo is, hadden ze me dat wel in Smyrna of in Constantinopel kunnen vertellen," maar hij zag er weinig aanmoedigend uit. Toen werd onze bagage onderzocht. In Weenen had ik me de weelde veroorloofd een nieuwe krant te koopen voor mijn schoenen, maar deze deelde in geen gelukkiger lot dan de vorige; zonder iets te zeggen, werd die op een hoop drukwerk geworpen. Mijn Lichtenstein kwam ook weer voor den dag, en zonder verdere commentaar werd deze mede tot dien stapel veroordeeld; met moeite redde ik er een kiekje uit. Met mijn souvenirs uit Constantinopel, die de Orsovasche kapitein me zoo genadiglijk had laten houden, ging het niet veel beter. Ik wendde nog een poging aan: "Ich möchte sie so gern behalten wie Erinnerung an Constantinopel," maar voor ik het gezegd had, wist ik reeds, dat alles vruchteloos zou zijn; zoo'n barsch gezicht was niet te vermurwen. Maar het vervelendste oogenblik was nog niet gekomen. Hij keek mijn handtaschje na en vond daar m'n duiten. "Wat doet U met al dat geld, U heeft veel te veel bij U?"
"Ja, Herr Hauptmann, maar ik had niet het geringste idee, wat de reis kosten zou en bovendien wist ik, dat we misschien 14 dagen aan de Oostenrijksche of Duitsche grens zouden opgehouden worden en dan moest ik toch geld hebben om in een hotel te kunnen gaan!" "Hm", bromde hij, "u heeft toch veel te veel bij u." Enfin, blijkbaar zag hij in, dat daar niets meer aan te doen was, en dus bedacht hij iets anders. "Waar komt u vandaan?"--"Van Smyrna."--"Bij wie is u daar geweest?" "Daar en daar."--"En kunt u me dat bewijzen?"--"Neen, ik wist niet, dat dit noodig was. Noch de Hollandsche noch de Duitsche consul heeft me daar iets van gezegd."--"Dus dat moet ik dan maar gelooven. Hm," nog eens naar mijn pas gekeken. "Wat staat daar op uw pas?" Het was het Bulgaarsch gekrabbel, waar hij op wees. "Dat weet ik niet."--"En als ze u op uw pas schrijven, wat u niet begrijpt, vraagt u dan niet, wat het is?"--"Neen, maar ik weet wel ongeveer, wat erop staat, dat ik nl. door Bulgarije mag reizen."--"En wat staat hier?" Ditmaal moesten de Turksche hieroglypen het ontgelden. "Dat weet ik ook niet."--"En u bent meer dan twee jaar in Turkije geweest en u kunt nog geen Turksch lezen?" "Neen, Herr Hauptmann."
Schouderophalend over zoo veel domheid, stapte hij nu naar den heer H. "Zoo en waar is uw geld?" "Ich habe kein geld, das fräulein geeft mir alles."
"Das fräulein geeft hem alles!" Op hooge pooten kwam de Hauptmann terug. "Is dat een vriend van u?"--"Neen."--"Is het dan een vreemde?"--"Ja."--"En u geeft een vreemden heer maar zoo geld?--"Pardon mijnheer, ik geef het hem niet, maar ik leen het hem." Om dit verhaal te kunnen begrijpen, moest ik eerst uitleggen, hoe de vork in den steel zat. De heer H., derde stuurman aan boord van een der Hollandsche booten, had gedacht het benoodigde geld voor zijn terugtocht aan het consulaat in Constantinopel te vinden, maar was in die hoop teleurgesteld. Het eenigste, wat er op zat, was, zei de consul, naar Holland te telegrafeeren en te wachten tot het geld kwam.
Nu vond ik de Turksche hoofdstad prachtig, maar om er langer te blijven dan noodig was, met Holland in 't vooruitzicht, lokte me niet aan. Daarom vroeg ik aan den consul, of hij wist hoeveel de reiskosten waarschijnlijk zouden bedragen en weldra bleek het me, dat mijn reisgeld zeker voldoende zou zijn voor twee personen, ik deelde dit den consul mede, waarna we daar afspraken, dat ik den heer H. het geld zou voorschieten en dat hij me dit terug zou geven in Holland, wat natuurlijk ook geschied is.
Ik deed dit verhaal ook aan den kapitein, maar deze was zoo gauw niet tevreden. "Wie waarborgt u, dat hij er aan een volgend station niet van doorgaat, en dan ziet u nooit een pfennig terug van uw geld." Het zou kunnen, natuurlijk, maar de consul stond me in voor de eerlijkheid van den heer H., ik vertrouw hem ten volle..... Maar al deze redenen voldeden den heer Hauptmann niet. Als dit geen spionnage-geval was, een dame, die veel te veel geld bij zich had, daarvan blijkbaar een heer geheel vrij hield, dan wist hij het niet. En dus nog stuurscher dan de vorige malen klonk het: "Nu, ik weet niet, of ik u wel verder zal laten reizen. Ik denk, dat ik u naar Constantinopel terug stuur. Tot 5 uur kunt u hier wachten, dan gaat er een trein terug naar Weenen en dan zal ik u melden, of u door kunt gaan of niet. Nu moet u onderzocht worden." En zoo gingen we weer een hokje binnen, en hier werd niets ons gespaard. Natuurlijk moesten we ons ontkleeden, maar daar bleef het niet bij. Alle zoompjes van elk kleedingstuk werden nagevoeld, mijn horloge werd geopend, ik moest mijn haar losmaken, waar de douanejuffrouw met haar handen doorheen woelde; ook het papier in mijn hoed, waarop "Maison Moderne"stond, werd veroordeeld; mijn reisgezel, de heer H., weervoer niet veel beter. Deze had nog immer een veldflesch met water in zijn zak, in Turkije en Bulgarije was het water niet te vertrouwen--en nu werd hij verdacht cholera baccillen of iets dergelijks met zich te voeren. "Wat zit er in die flesch?"--"Water."--"Zoo, water, drinkt u er dan eens uit." Natuurlijk deed de heer H. dit met het grootste plezier van de wereld, tòch werd de zaak blijkbaar nog niet geheel vertrouwd, tenminste zijn onderzoeker ging met de flesch naar den Hauptmann, die hem klaarblijkelijk beval den inhoud der flesch uit te gieten, tenminste leeg kwam ze weer in 't bezit van den heer H. Na dit onderzoek kwamen we weer bij den kapitein, die ons andermaal toevoegde: "Hm, ik denk, dat ik u naar Constantinopel terugstuur." Daarna kreeg een soldaat bevel ons naar de restauratiezaal te begeleiden, waar we dan ook met onzen bewaker in een hoek gingen zitten en waar we den tijd kortten met kaffee en kuchen te gebruiken. Toch popelde ons hart wel wat, vooral toen het tegen 5 uur begon te loopen. Zouden we heusch terugmoeten? Het liep beter af, dan we vreesden. Om 5 uur verscheen een andere soldaat: "U kunt doorreizen, maar u moet dadelijk Passau verlaten." Mijn eerste ingeving was een sprong van blijdschap te doen, maar toen: "dadelijk Passau verlaten? Er was toch geen trein meer naar Frankfort?" Ik was zoo vrij deze vraag ook aan onzen bewaker te stellen. Neen, dat was zoo, maar de Hauptmann had het zoo gezegd. "U moet dan eerst maar naar Landshut gaan, en dan kunt u morgen naar Regensburg doorreizen." Dit leek me het vreemdste plan, dat men zich denken kon, ik moest naar het Noorden en men wilde mij eerst naar het Zuiden sturen? Dus vroeg ik, of hij niet zoo vriendelijk wou zijn te vragen, of we niet tot morgen konden blijven. Brommend trok hij af, maar kwam toch weldra terug met de boodschap, dat het ons toegestaan werd, maar dat we dan den volgenden dag met den boemel van 9 uur naar Regensburg moesten gaan en dat we daar konden wachten op den sneltrein uit Passau. Maar we zaten immers in Passau, was het dan niet eenvoudiger daar den trein uit Passau af te wachten? Na lang beraad werd ons ook dit toegestaan. We brachten er een rustigen nacht door, en zorgden 's morgens op tijd in den trein te zitten naar Frankfort. Even voor het weggaan kregen we nog de boodschap mee, dat we ons nergens in Duitschland mochten ophouden. Nu daarvoor behoefden ze niet bang te zijn. In den trein kwamen de tongen los. Ieder had iets te vertellen van den Hauptmann, één was teruggestuurd geweest naar Budapest, een ander had twee dagen moeten wachten, maar met de narigheden kwamen ook de anecdotes los, zoodat er weldra in onze coupé een luidruchtige geest heerschte.
Totdat hij binnenkwam. Het was een jonge man in uniform, bleek, doodsbleek, met ingevallen wangen en holle oogen. Maar dat was het niet wat ons stil maakte. Met een zenuwachtigen lach kwam hij binnen, zijn handen sidderden aanhoudend en toen hij zijn képi wilde afzetten, rolde die in de coupé, waarna hij in een ijzig lachen uitbarstte, op zijn knieën slaande om het grappige van het geval. Een van ons raapte zijn pet op en legde die in het net. Toen ging hij zitten, uitgeput, de oogen dicht, het was een der vele slachtoffers van den krijg; was het wonder, dat we stil werden? Er zaten twee vrouwen in de coupé, die beide zoons hadden aan het front. Eenige bejaarde mannen keken met medelijden naar dien ongelukkige. Dachten ze misschien, hoe hun jongens ook zoo terug zouden kunnen komen? Toen hij eenigszins bijkwam, begon hij zijn lijdensverhaal. "Het is niet gekomen door vrees," hijgde hij. Arme kerel, al wàs het door vrees, wij zouden er je niet minder om geacht hebben! "Het was de zesde maand van den oorlog, en ik kreeg een hoofdschot en daarna werd ik door een granaat opgenomen en eenige meters ver weggeslingerd. Toen ze me vonden, werd ik geopereerd en bleef acht dagen onder narcose, en toen ik bijkwam, was ik zoo." En weer lachte hij dien ijzigen lach, dien hij niet bedwingen kon, juist als er iets akeligs was. Een oudere heer troostte hem, zeggende, dat het wel met rust in orde zou komen. "Ja, ja, dat zeggen ze allemaal."
En het gesprek werd nu weer levendiger... totdat we opeens uit zijn hoekje een gil hoorden, zoo akelig en doordringend, dat velen van ons de tranen in de oogen kregen. Wij, gezonden, hadden niets van de oorzaak gemerkt, maar hij? Wisten we dan niet, dat een onverwacht geluid den man zoo van streek kon maken, dat hij gevaar liep, alles wat hij gewonnen had, weer te verliezen. Hard was de deur van onze coupé opengerukt door een nieuwen reiziger, en dat was voldoende geweest om hem een pijn te geven, zóó hevig als wij ons waarschijnlijk zelfs niet indenken konden. Nu, terwijl het te laat was, werd onze deur van binnen op slot gedaan, maar wat konden we doen tegen buitenstaande machten? Vliegensvlug, met het eigenaardige geluid dat slechts twee passeerende treinen maken, vloog er een sneltrein langs ons heen. Weer hoorden we dien klagenden, snijdenden gil, weer begonnen hoofd en handen in heviger mate te trillen; achterover zonk het lichaam, woest rolden zijn oogen door het hoofd, en toen een der heeren, om hem verlichting te brengen, trachtte zijn boord los te maken, sloeg hij als een wilde om zich heen en keek ons met verschrikte, verbijsterde oogen aan. Het eenige wat we doen konden was een Roode kruisdokter roepen, van wie er eenige aanwezig waren. Dit was een kalme prettige man; met eenige flinke woorden, wist hij hem kalmer te maken, hij nam zijn hand in de zijne, en pratend of hij tegen een kindje sprak, deed hij zijn boord af, gaf hem wat te drinken, sloot de gordijntjes van de coupé en bleef bij hem zitten. Langzamerhand werden zijn stuiptrekkingen minder en de dokter vroeg enkelen van ons voor eenige minuten weg te gaan. Weldra volgde hij zelf ook en vertelde mij o. a., dat die jongen hopeloos verloren was, dat hij nooit meer beter zou worden. Toen de oorlog uitbrak, was het een jong, medisch student, vol hoop en kracht voor de toekomst, en nu, nu was er een wrak overgebleven. "En zoo is er niet één", vervolgde de dokter, "zoo zijn er duizenden." Vervloekt zij de oorlog met al zijn gruwelen! Aan een tusschenstation stapte de ongelukkige uit, hij ging uitrusten bij een oom, maar bij ons, achtergeblevenen, bleef de droevige stemming hangen, we hadden de gevolgen van den oorlog van te nabij gezien.
's Avonds om 9 uur kwamen we te Frankfort en namen meteen den nachttrein naar Keulen, dat we om half zeven bereikten. Om 7 uur uit Keulen en 's avonds in Holland! Dat dachten we tenminste; maar helaas! we hadden buiten den waard of liever buiten de Duitschers gerekend. Na een kopje koffie zonder suiker genuttigd te hebben, stapten we in naar Emmerik, en van daar gingen we naar Elten, waar we voor het laatst onderzocht moesten worden. Dat ging hier heel kalmpjes en reeds dachten we verder te kunnen gaan. Verbeeldt u echter onze teleurstelling, toen we hoorden, dat we niet verder mochten, voor dat onze portretten uit Passau waren ontvangen.
Zal ik verder vertellen, hoe we daarop drie dagen moesten wachten, uit den treure den Elterberg beklommen, om het beloofde land uit de verte te aanschouwen; hoe we een keer naar het wachthuis werden opgebracht, omdat we ons te dicht bij de Hollandsche grens waagden en hoe we in die drie dagen tijds slechts één keer warm eten kregen, en dat dit nog zeer, zeer schamel was? Neen, ik wil u en mezelf deze beschrijving besparen, u, omdat het een opeenhooping van verveling is en mezelf, omdat ik in mijn geheele leven geen naarder dagen heb doorgebracht.