Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 9
„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”
„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”
„Ja vertel op! niet waar Koesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”
„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”
„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”
„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders van Boeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”
„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”
„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”
„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeide Koesoema fier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”
„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”
„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”
Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.
„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.
„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”
Radhen Koesoema voelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.
„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.
„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.
„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”
„En de prinses antwoordde:
„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”
„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:
„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”
„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”
„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”
„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.
„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.
„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.
„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”
„En de moeder antwoordde:
„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:
„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:
„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.
„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.
„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).
„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.
„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”
„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen...”
Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.
Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.
„Ik moet u spreken,” zeide Amirang Koesoemo haastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”
„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.
Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.
„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”
„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”
„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”
„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”
„Is dit alles?”
„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”
„Wat zal de keizer antwoorden?”
„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”
„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”
„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.
„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”
„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee? Wilt gij weer slaaf worden?”
„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”
„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”
„Ge spreekt zooals het mijn dochter past, Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hij onmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge, vlucht of strijd?”
„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”
„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”
„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”
„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”
„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”
„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”
„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riep Koesoema uit.
„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.
„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”
„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”
„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drong Koesoema aan.
„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet na Troeno-Djojo’s heilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij! En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”
„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”
„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg!
„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”
Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
VI.
COMMISSARIS TAK.
Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; twee compagnieën soldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.
In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.
Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.
Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.
De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.
Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:
„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”
De Commissaris antwoordde:
„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”
„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”
„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”
„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”
Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.
„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”
„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”
„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”
„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”
„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”
„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”
„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”
„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”
„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”
„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”
„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”