Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 8

Chapter 83,846 wordsPublic domain

Suzanna’s ontrouw bleef nog steeds een gapende wonde in zijn hart; hij kon in het gewoel van den strijd, in de dagelijks terugkeerende zorgen en beslommeringen, in de hartstochtelijke liefkoozingen van Koesoema de geleden smart voor een oogenblik vergeten, maar dadelijk weer keerde zij heftiger dan ooit terug.

Bittere haat vervulde hem soms tegen haar vader, tegen haar echtgenoot, tegen haar volk; hij vervloekte het oogenblik waarop de Hollanders aan Java’s kusten geland waren om alles onder hun machtige knie te verpletteren, maar een oogenblik later smolt die haat weg om plaats te maken voor een smachtend verlangen naar de dagen van weleer toen hij zich bijna de gelijke durfde wanen van de blanke Westerlingen, toen hij hoop koesterde eens in hun midden opgenomen te worden; dan was het weer zich zelf dien hij vervloekte, zijn afkomst, zijn geboorte, zijn kleur, dan kromp hij inéén van wanhopige moedeloosheid omdat niets ooit in staat zou zijn hem terug te voeren in het midden der Hollanders, hem te vereenigen met Suzanna en hun zoon.

Die tegenstrijdige gevoelens streden heftig in zijn borst, zijn haat was niet diep geworteld; met weinig moeite zou het der Compagnie gelukken hem als een trouw bondgenoot en onverschrokken vriend te behouden; een samenloop van omstandigheden alleen hadden tot tweemalen hem haar vijand gemaakt. Slechts uit nood had hij de wapens tegen Suzanna’s landgenooten opgevat en nu was het misschien nog steeds een geheimzinnige schroom van voor goed met hen te moeten breken, die hem huiveren deed in ’s keizers dienst over te gaan.

Hij gevoelde weinig sympathie met de Javaansche grooten, hij kon ruw zijn en zelfs wreed maar steeds trachtte hij strikt rechtvaardig te blijven; schromelijke willekeur heerschte echter in de kratons; noodelooze gruwelen hadden elken dag plaats; de vorsten heerschten over een volk van slaven. Hoe heel anders kon het wezen als de koningen bij de veel beschaafder vreemdelingen lessen gingen nemen in de kunst van regeeren, als zij zich aan elkander verbonden en de een zijn stoffelijke bezittingen, de andere zijn geestelijke meerderheid ten offer bracht.

Hij droomde als van ouds, toen hij nog hoop had op Suzanna’s bezit en weer klonk het hem in de ooren:

„Gij zult koning zijn, koning!”

„Koning? dan zal ik mijn koningschap gebruiken, zooals mij het beste dunkt, koning zal ik wezen om hen te doen vallen die vreemde overheerschers; zij hebben mijn vriendschap versmaad ik zal hun vijand wezen...”

En hij wendde zich alweer naar de vlakte die thans door de maan met zilverglans overtogen liefelijk en vredig zich aan den voet van den berg uitspreidde; lang staarde hij er op neer totdat zijn oogen zich sloten en hij in den droom zijn gedachten voortzette. Hij zag niets dan kronen en koninkrijken; Koesoema naast hem zetelend schoon en trotsch gelijk het een Ratoe past, maar in de verte wenkte hem Suzanna, met droevigen glimlach, hij liet zijn kroon vallen en stond haastig op van den troon om naar haar te snellen, daar scheidde hen plotseling een diepe kloof.

Dat waren de droomen, welke Soerapati’s slaap bezochten op den top van den Lawoe en bij zijn ontwaken in den vroegen morgen omgaven hem juichend zijn makkers reeds toen de eerste zonnestralen zijn harde legerstede verguldden. Hij begroette hen vriendelijk en tot zijn vertrouwelingen den Kiai en Wirajoeda, sprak hij:

„Laat ons terugkeeren naar Karta-Soera, ik weet genoeg; de Dewahs hebben mij mijn toekomstig levenslot onthuld!”

Kiai Hemboong’s gelaat straalde, men nam den terugweg aan en niemand dacht aan den kluizenaar die in het dichte woud afgezonderd van de wereld leefde en eenige dagen geleden op verzoek der prinses voor weinige uren in de hofstad was neergedaald om daar met Soerapati’s pleegvader een ernstig onderhoud te voeren.

IV.

EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.

Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.

Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; een kaïn die tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.

De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen God Vishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.

De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.

De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.

Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.

De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken, en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.

De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.

Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.

„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:

„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”

Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:

„Alle aanbidding aan Allah!

„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet....

„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.

„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.

„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.

„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”

Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.

Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.

„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”

En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:

„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”

Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.

’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.

Wirajoeda fluisterde Kiai Hemboong in:

„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”

Kiai Hemboong’s gelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.

„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”

„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikte Boeloe Kidoer, de dwerg.

Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati Amirang Koesoemo dansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.

Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.

Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.

De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.

„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.

„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oude Koesoemo heeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”

„En wie is de andere bruidegom?”

„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimme Koesoemo onder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”

„Het zal toch Soerapati niet wezen?”

„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”

„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”

„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

V.

HET VERHAAL VAN DEN DWERG.

Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.

Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.

De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.

Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.

Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.

Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.

Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was niet moeilijk zijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedert Troeno-Djojo’s val op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.

De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.

Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:

„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”

Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.

Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.

Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen Goesik Koesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.

De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uit Koesoema’s lokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.

Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.

Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wie Koesoema zich verwaardigde jaloersch te zijn.

Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfs Koesoema hem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.

Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?

Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.

„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”

„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.