Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 7

Chapter 73,935 wordsPublic domain

De kleine vijver was tusschen metselwerk besloten en omgeven door blauwe Chineesche potten op hooge voetstukken, waarin dwergplantjes staken; oranjeboompjes beladen met tal van gouden appelen, miniatuur-aloës, cactussen en ananassen, kleine waringins, tjampaka, soka, dlima en andere vrucht- of bloemdragende plantjes. Sierbamboes omgaven op eenigen afstand het water en onderhielden door hun zacht wuiven een frissche koelte; op de oppervlakte van den vijver dreven de breede bladeren van de waterlelies met hun witte en gele bloemen, waartusschen nu en dan een goudvisch glipte, dicht het watervlak naderend om vlug en behendig een insect te vangen.

Het was een eenzaam plekje door de lianen geheel beschut tegen de nieuwsgierige blikken uit de omringende huizen en vervuld met de liefelijkste geuren; het lag dicht aan den buitensten muur van den kraton, en zoo was het Soerapati gelukt binnen te komen om van zijn bruid een afzonderlijk onderhoud te verzoeken.

Hij stond bij den vijver; met de armen over de borst gekruist staarde hij in het water en zag het spel der visschen tusschen de bloemen en insecten aan, toen Radhen Goesik vlug maar toch met schier onhoorbaren tred hem over het sneeuwwitte zand naderde.

„Wat wil mijn Heer en Gebieder?” vroeg zij dicht bij hem gekomen en de oogen neerslaande.

„Ik wilde u een woord van vaarwel zeggen, prinses,” antwoordde hij.

„Vaarwel,” en zij zag hem angstig aan, „er is geen woord, dat mij harder in de ooren klinkt. Waarom moet ge mij vaarwel zeggen?”

„Het is slechts een vaarwel van eenige dagen,” hernam hij glimlachend, „vóór dat onze bruiloft gevierd wordt, voel ik er behoefte aan mij eenige dagen terug te trekken, daar ginds in den tempel van Tjèta, welke zich op de helling van den Lawoe verheft. Ik wilde daar raad nemen met mijzelf en met de onsterfelijke goden—met Allah en zijn Profeet,” zoo verbeterde hij zichzelf.

„Raad en tot welk doel? Is er nog raad noodig? Ziet gij dan niet duidelijk wat Allah in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit voor u heeft vastgesteld,” vroeg de vorstin heftig.

„Ik zie het duidelijk in, prinses, maar toch twijfel ik of de weg, dien ik in ga slaan wel de rechte is.”

Radhen Goesik’s oogen fonkelden van toorn.

„Hoe, gij aarzelt het lot aan te nemen dat de machtige keizer en mijn vader u aanbieden? Dat is een beleediging!”

„Neem het zoo niet op, liefste mijn!” sprak Soerapati met de zachte, weeke uitdrukking in zijn stem, die in de ooren zijner bruid zoo onweerstaanbaar aantrekkelijk klonk en die ook het hart der Hollandsche jonkvrouw eens bekoord had, daar zij zoo in tegenstelling was met zijn forsch, echt mannelijk voorkomen. „Ge weet, ik heb u lief, mijn Vorstin, mijn Bruid, zooals ik niemand op ééne na, ooit heb liefgehad!”

Radhen Goesik wendde het hoofd om.

„Juist die ééne, welke ik niet treffen kan, wier herinnering sterker nog is dan mijne schoonheid!...” dacht zij.

„En waarom, als ge waarheid spreekt, mij dan verlaten?” vroeg zij, haar oogen van onder de lange wimpers opheffend.

„Omdat ik vrees, dat mijn liefde u slechts ongeluk zal aanbrengen. Ge zijt zoo schoon, zoo beminnelijk, om uwe hand zullen de eerste prinsen van den bloede dingen, zij benijden mij uw bezit, ik weet het. Maar wat kan ik u geven, ik, een slaaf, een roover?”

„Zeg dat niet, ge zijt het niet meer!” riep de prinses verontwaardigd uit, „licht mijner oogen, schat mijner ziel! Welke prins kan met u wedijveren? Uw gestalte is gelijk aan den stam van den jongen pinangboom, zoo slank en toch zoo krachtig, uw oogen schitteren als de avondster en de woorden, die van uw lippen vallen, zijn zoet als de geur van den kemoening. Uw arm is zoo krachtig, als de klauw van den tijger als gij uw vijanden aanvalt, maar zoo zacht als het dons van den pelikaan, wanneer gij mij liefkoost. Ge zijt een roover, ja de roover van mijn hart, van mijn ziel. Gij zijt geen slaaf meer, doch ik wil uw slavin zijn, mijn leven lang! Met u wil ik alles deelen, alles, armoede en rijkdom, schande en roem. Ik bemin u met een liefde zoo brandend en vurig dat de Hollandsche met de koude, witte huidskleur en het kille hart die nimmer begrijpen kan.”

„Roep haar herinnering niet op;” zeide Soerapati met doffe stem, „ik heb haar begraven en in den geest de kambodjabloem op haar graf geplant. ’t Is niet goed van de dooden te spreken, dat stoort hunne rust.”

„Waarom wilt ge dan nog weten of mijn hand u geluk belooft?”

„Omdat, hoor mij aan, mijn Koesoema, omdat ik overtuigd ben, dat een verbinding met u een regen van rampen zal doen neerdalen op den keizer en het rijk van Mataram!”

„Ik begrijp u niet!” zeide Radhen Goesik schijnbaar onschuldig.

„Ge weet toch, dat ik een vogelvrije ben in het oog der Hollanders, een gevluchte slaaf, een deserteur, een aanvaller hunner soldaten. Zij hebben alles in het werk gesteld om mij in handen te krijgen maar vergeefs! ’t Is mij gelukt hen te ontkomen en dank uwe liefde, Koesoema, schonk uw aangenomen vader en door hem de Soesoehoenan mij een schuilplaats aan zijn hof. Ik word hier geroepen tot hooge eer, maar die eer zal Mataram duur te staan komen.”

„En wat verlangt men in ruil daarvoor?”

„Mijn hulp en die mijner Balineezen tegen de vreemdelingen.”

„En aarzelt gij die te beloven? Zijn die Christenhonden u nog dierbaar aan het hart om den wille van één trouwelooze? Ben ik zulk een weifeling waardig? O, ik voel het, gij hebt mij niet lief!”

„Koesoema, lieveling van mijn hart, verscheur mijn ziel niet door uw woorden, die scherper zijn dan de scherpste doornen. Wantrouw mijn liefde niet, want zij is zoo groot en diep als de zee; juist omdat ik u liefheb vrees ik zulk een groot geschenk te ontvangen als uw hand en de gunst des keizers. De Hollanders zijn zoo machtig, hoe zal ik tegen hen de schuld jegens mijn weldoeners afdoen? Wat zullen mijn Balineezen vermogen tegen hun overmacht als zij mij komen opeischen en het op den keizer wreken dat hij mij toevlucht heeft verleend?”

„Wat zij zullen vermogen? Alles wanneer gij hen aanvoert mijn geliefde! Vrees niet! Is mijn bezit niet de grootste gevaren waard? Als ik u liefheb en uw echtgenoote ben, is dat u niet genoeg? Waarom wilt gij uw geesten raadplegen? Wat zult ge doen als zij het u afraden?”

„Met mijn mannen Karta-Soera verlaten, terugkeeren in de wildernis, leven als vóórheen, vóór ik u ontmoette.”

„Ondervraag dan de geesten niet, in mijn oogen leest ge een antwoord duidelijker dan zij u geven kunnen!”

Zij had zich aan zijn borst gevleid met een aanhankelijkheid, vrouwen van haar land anders niet eigen, maar zij wist hoe de Hollandsche vrouw deze liefkoozingen jegens den man harer keuze niet beneden zich acht en zij wilde hem zooveel mogelijk doen vergeten dat zij geen blanke was.

Soerapati, bedwelmd door de zoete geuren die haar als in één wolk omhulden, wilde reeds toegeven; toen een onderdrukt eigenaardig gemompel, dat achter een der bloempotten scheen op te stijgen, Radhen Goesik’s oor trof.

Het klonk als een waarschuwing; Soerapati door hartstocht overmeesterd bemerkte het niet, zij echter begreep dat de dwerg het liet hooren en maakte zich zachtkens uit zijn omarming los.

„Ga, mijn geliefde!” zeide zij met een stralenden glimlach, „ga naar uw tempels! En ondervraag de Dewahs, wier macht gij zoo hoog stelt, hooger dan mijn liefkoozingen. Ik weet hun antwoord, zij zullen u zeggen dat de schroom, die u belet de wapens te blijven voeren tegen de Hollanders, zondig is en uwer onwaardig. Nu wil ik dat gij gaat, en hun oordeel verneemt; ik wil niet dat eenige twijfel uw voorhoofd verduistert. Gij moet schoon zijn, mijn bruidegom, op den dag van ons feest. Uw gelaat moet stralen als de opkomende zon en uwe ziel blinken als de maan, die de volheid van haar glans over de bergen doet schijnen. Vertrek dus, uw Koesoema smeekt er u thans om! Ik zal uw afwezigheid verdragen door de onophoudelijke gedachte aan u.”

„Is het u ernst? Ge staat mij toe te vertrekken,” vroeg Soerapati.

„Ik vraag het u; maar laat mij nu gaan! Zie, de zon schijnt reeds achter gindsche missigits; mijn vader zal mij zoeken. Vaarwel dan mijn bruidegom, tot wederziens!”

Weinige oogenblikken later was het stil rond den vijver, en niets verbrak die stilte dan het zachte ruischen der bamboes.

III.

OP DEN BERG LAWOE.

Een groepje ruiters begaf zich in gestrekten draf naar den voet van den berg Lawoe, welks hellingen ten oosten van Soerakarta langzaam in de vruchtbare vlakte uitloopen.

De machtige vulkaan verheft zijn in wolken en rook gehulden top, boven een donkergroen voetstuk; de sawahs klimmen nog onmerkbaar voort langs zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen die zijn hellingen bedekken, toen echter was alles nog woester en eenzamer.

De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de ruiters. Zij stapten dan ook bij een vriendelijke onder kokos- en andere palmen half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de hoede van een gedeelte der mannen, en zetten te voet den tocht voort.

De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een uitgestrekt woud van tjemara’s of casuarinen, een soort van lorken, wier fijne, naaldvormige bladen, van de knoestige met witte paddestoelen bedekte takken afhangen; de grond is droog, kaal, slechts met kort gras begroeid en overdekt met de dorre naalden van het afgevallen loof; door het ijle, doorzichtige groen schemert de blauwe hemel met zijn geheimzinnige diepte, de zonnestralen dalen in getemperden glans door den smaragdkleurigen sluier op den bodem neer, en geven een warmen gloed aan de sneeuwwitte baardmossen, die de takken tooien als waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, een verkwikkende frissche koelte, welke de hoogte van den berg verraadt en alle herinnering aan tropische hitte verdrijft, doet het gebladerte zacht en teeder ruischen, als waren het de klagende stemmen der berggeesten, die eenmaal hier vereerd werden, maar sinds eeuwen hun tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd zagen.

Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie gingen aan hun hoofd, de anderen volgden op eenigen afstand.

Van deze drie was er één vrij hoog in jaren, de twee anderen echter jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de hand een Javaansche lans of speer.

„Vermoeit u de tocht, vader?” vroeg hij, die de hoofdman van de groep scheen en in wien het gemakkelijk was Soerapati te herkennen, aan den ouden Kiai Hemboong.

„Neen, mijn zoon al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle, krachtige stappen, uw jeugd eigen, bij te houden.”

„’t Is uw eigen wil geweest, Kiai dezen tocht mee te maken. Ik heb u daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht.”

„Ik weet het mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom zult gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderd geslacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij de onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken, gaat raadplegen.”

„Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil mij dan verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten.”

„Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen niet heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen, die opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!”

„Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust, toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen en onderzoeken welke overwint.”

„Maar,” bracht Wirajoeda er tusschen, „zóó gij terugschrikt voor het aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?”

„Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol gevaren en avonturen opnieuw te beginnen.”

„Dus in geen geval de slavernij der blanken?”

„Nimmer,” antwoordde Soerapati vastberaden.

„Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt,” verklaarde Wirajoeda.

„Daar reken ik op!”

Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe maar sprak niet.

Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld die hun langen en moeilijken tocht slechts door korte halten afgebroken voortzetten.

De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de tjemaratakken op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne gras met een kantwerk van purperen tinten;—hier en daar zag men roode blokken trachiet omwoekerd door het grijze mos en de veelkleurige paddestoelen, verstrooid liggen in het bosch; uit de spleten wringen zich wonderschoone orchideetakken omhoog die met hun rozenroode en paarse bloemen den verweerden, ouden steen nog een schijn van jeugd en schoonheid verleenden.

Allengs komt er orde in de verspreide steenen, die zich voegen tot trappen en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen bloeit voort. Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische natuur hier nog kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een wereld van parasieten te omwoekeren.

Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, welke de mannen zwijgend opgingen, sierlijke lianen vallen langs de balustrades en bloemfestoenen omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of ander feest.

De steenen zelf zijn versierd met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en zinnebeeldige figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden geworpen: alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper en vernieler tegelijk, den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die echter door Boeddha den zachtzinnigen leermeester en boeteling, vervangen was in zoovele zijner heiligdommen. Hier echter was Shiwa uitsluitend vereerd geworden, vóórdat de aanhangers van den Profeet zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels in het stof hadden doen storten.

De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara’s die hen van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke bedehuizen dan één grootsch bouwwerk door één enkele gedachte in het leven geroepen.

Op het hoogste gekomen wierpen zich allen vermoeid op de trappen neer, overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati alleen bleef staan.

„Het is hier goed rusten, vrienden!” zoo sprak hij, „doch mijn tocht is niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de lucht mij nog te zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk zijn te toeven.”

Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed om niet te weten dat het vergeefs zou zijn te beproeven hem van zijn voornemen af te brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking.

„Mijn zoon!” sprak hij, „de nacht valt, wat gij boven u ziet is de top van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen zich daarachter. En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet bereikt hebt, zult gij nog steeds willen stijgen; volbreng morgen dien tocht en strek uw moede leden uit op deze steenen, in welker nabijheid nog steeds de geesten der machtige Dewahs wonen. Hier zullen zij u ook in droomgezicht verschijnen, twijfel er niet aan!”

Maar Soerapati schudde het hoofd, wenkte hen met de hand tot afscheidsgroet en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden, blijde te kunnen rusten en een sober avondmaal te nemen uit den voorraad mondbehoeften die zij mede hadden gebracht.

Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een vierkante opening in de rots bevond, omgeven door een vervallen kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal en doodsch werd alles rondom hem, slechts weinige spichtige tjemaraboompjes stonden hier en daar verspreid; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde.

De bodem was met niets dan gras begroeid maar ging weldra over in een schier ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die zich haastig naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te vermengen met die van de beheerscheres der wateren in deze streken, de breede Solorivier.

In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen echter glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati in de diepte af, wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes, dat hij in plaats van zijn speer thans hanteerde.

Weldra bevond hij zich op den tweeden top, maar Kiai Hemboong had waarheid gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij zich naar boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde rotswanden, totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de middelste der drie bergkruinen bleek te zijn.

Hier was de grond bedekt met lage struiken, in welker schaduw de thelemytra orchidee den grond bedekte; de gloeiende zonnestralen deden de rozenroode bloemen schitteren als waren zij een uit robijnen samengevoegd mozaïek.

Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden der aarde hadden hem verlaten, hij was alleen omgeven door de bergen en door den blauwen hemel die in het westen de kleuren van alle edelgesteenten aannam; aan zijn voeten lagen nog sporen van menschelijken arbeid in den vorm van verschillende vierkante ruimten omringd door opstaande randen en riviersteenen.

Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den derden en hoogsten top, die zich vlak tegenover hem bevond, een oogenblik weifelde hij en vroeg zich wellicht af of het niet beter zoude zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn krachten weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op een rotsvlakte uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile spleet; de zwerver vond weldra een weg die zelfs kunstmatig aangelegd scheen en uit ruw opeengestapelde steenblokken bestond, welke eenige terrassen aan elkander vereenigde.

Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner wenschen; inderdaad de uitkomst loonde zijn onvermoeide pogingen. Het heerlijkste schouwspel omringde hem van alle zijden, aan zijn voet de berg of liever de verzameling hoogten, welke het rotsgevaarte Lawoe geheeten, uitmaakte. De noordelijke helling is bedekt met den liefelijksten plantengroei, afgebroken door malsche grasvelden, die tusschen de tjemarabosschen frissche oasen vormen. Ten Zuiden de kale, geelachtig bruine vlakte met een troebel, stilstaand water bedekt, zich verliezend in wouden en ravijnen, aan de eene zijde begrensd door een alleenstaande zuil die zich scherp en hoekig tegen de reeds donkere lucht afteekent.

En verder dan de berg ontrolt zich een grootsch, heerlijk panorama in het Westen, de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare sawahs en bloeiende dorpen, haar tallooze rivieren, die allen hun schatting brengen aan den reusachtigen stroom, die zich als een ontzaggelijk staalblauwe slang kronkelt langs paleizen en kampongs, langs bosschen en tuinen om zich eindelijk in het wazige verschiet te verliezen, en dit gezicht wordt begrensd door de Merapi en Merbaboe, die geduchte vuurbergen, welke achter zich nog de flauwe omtrekken vertoonen van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en zelfs den verwijderden Slamat.

Maar niet lang rustten Soerapati’s oogen op de vlakte van Karta-Soera, hij keerde zich om en blikte ten Oosten, waar zich het niet minder vruchtbare dal van Madioen uitstrekte, omsloten aan gene zijde door de Willis en den Kloet, waarachter zich de kruinen van den Smeroe en den Ardjoeno, Java’s hoogste bergreuzen, in de wolken verloren. De schaduwen van den avond waren reeds in de vlakte neergedaald en vaagden alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het echter nog helder dag; met het gelaat van de zon afgekeerd, die in een gouden glorie achter de bergen wegzonk, staarde Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno aan, hij herinnerde zich wellicht hoe hij in zijne kinderjaren ook naar hen had opgezien toen zij aan gene zijde der straat Bali voor zijne jonge oogen opdoemden; wellicht herdacht hij het eiland zijner geboorte, waaraan hij met geweld was ontrukt. Misschien ook staarde hij in bewondering het heerlijke land aan, dat zich voor zijne voeten ontplooide toen een stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en hem toefluisterde:

„Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah’s onnavorschbaar raadsbesluit.”

Soerapati zag verschrikt om zich heen; niets echter scheen te verraden dat een menschelijk wezen zich in zijn nabijheid bevond; de grond waarop zijn voeten rustten was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak, omgeven door een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande kolen en verdorde bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van wierook en bloemen vereerde.

Nergens echter ontdekte hij eenig spoor van een levend schepsel; hij schreef dus het gehoorde toe aan een zinsbegoocheling en bleef onafgewend zijn oogen richten op de verbleekende bergtoppen. De woorden bleven toch in zijn geest weerklinken.

„Koning zult gij zijn, een krachtig koning!” zoo klonk het weer, „indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert aan de blanke overheerschers.”

Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep onwillekeurig naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de opeengestapelde steenen, in de rotskloven, vergeefs!

„Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener Dewâ zijn die tot mij spreekt?” zoo vroeg hij zich andermaal af, „dan past het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid.”

Hij wierp zich plat ter aarde en riep uit:

„O Batoro Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden; al noem ik u met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde, die de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen aanroepen. Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij aan den weg dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te leeren, wat ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de ketenen verguld, het zijn toch ketenen die mij voortaan zullen hechten aan Matarams hof!”

„Gij zult koning zijn!” herhaalde de stem alweer, „de blanke zal beven bij het hooren van uw naam, zijn wrok en zijn haat zullen langer duren dan uw leven!”

Soerapati hief zich op.

„En is dat de eerste stap tot de koningskroon, het huwelijk met Pangeran Adipati’s dochter?”

„Liefde en roem worden uw deel! Al is het ook na harden strijd.”

„Ik vrees geen strijd,” zeide hij trotsch, „ik vrees slechts slavernij!”

„En die wordt ontwijfelbaar uw lot zoo gij u onttrekt aan de bestemming door God u voorbeschikt. Ge zult koning zijn, koning.”

En het was of alle echo’s van de bergen en het woud weerkaatsten: „Koning, koning!”

Soerapati duizelde, met het gelaat in de handen verscholen, was hij op een knie gezakt en zoo zag hij dus niet, hoe een mannelijke gestalte, die zich in een spleet tusschen twee rotsen verscholen had, behoedzaam naar buiten kroop en zich onhoorbaar tusschen de steenblokken verwijderde totdat hij geheel in de woeste bergkloof verdween, die naar den eenzamen pijler afdaalde.

Toen Soerapati weer rondom zich staarde was het geheel nacht geworden; slechts een lichtgele gloed verkondigde in het Westen de laatste rustplaats van den zonnekoning.

Myriaden van lichten werden in het luchtruim ontstoken en als een gloeiende bol van roodachtig licht verscheen de volle maan reusachtig groot achter de bergen; het werd koud en kil op den rotsachtigen bergtop. Soerapati legde zich huiverend neer in het vervallen bedehuisje en trachtte den slaap te vatten.

Vergeefsche moeite! Zijn gedachten wijlden in de toekomst, maar meer nog in het verledene; opnieuw doorleefde hij de felle smart, die hem zoo hevig had aangegrepen in het Gedehgebergte en hem letterlijk ter aarde had geslingerd.