Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 6
Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van kleuren en glanzen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen gloed en nieuw leven verkregen; het scharlakenrood voert den boventoon, daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender als het zich huwt aan het kalme paars of zich vereenigt met het levendige groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige blauw vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier, de gouden gebitten der paarden en hun bonte schabrakken flikkeren in den van haar geleenden luister met oogverblindenden glans; de takken der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het zilverwitte kiezelzand vallen; de bergen die het paleis omsluiten, baden zich in den warmen gloed, en zenden koeltjes rijk aan geuren uit de bosschen, die hun hellingen bedekken naar beneden in den lusthof. De blauwe lucht spant zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen de bergen besloten is, wolkeloos en diep zooals zij zich alleen tusschen de keerkringen vertoont.
De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie paarden, trotsch op hun versiering, trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en edelgesteenten; de gamelans in de verschillende huizen worden zacht en teer aangeroerd (rechts en links van den Sitingil bevinden zich de gebouwen, waarin de gamelans van den keizer, de gamelan monggang en sekatèn bewaard worden.) Op eens wordt het spel luider en levendiger, de ruiters scharen zich twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar treedt hij naar buiten omgeven door zijn stoet van amazonen en lijfwachten, alléén te paard terwijl zij allen te voet gaan.
Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om zijn vooruitstekende jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige uitdrukking in de diepe kassen, zijn geheel uiterlijk mist alle kracht en waardigheid ondanks de schitterende kleederen die zijn gestalte omsluiten; alles verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man door uitspattingen verzwakt en daarenboven door het gebruik van opium uitgeput.
Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of koeloek, rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikepan of bovenkleed is van stijf goudlaken en beurt het voorover hangende hoofd door een breeden hoogen boord nog eenigszins op; een kostbare kaïn van het beroemde Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met goud doorwerkten djarik (pantalon) zijn voeten steken in purperen muilen; in een rijk met edelgesteenten versierden gouden band die ’s keizers middel omsluit, prijken de vonkelende gevesten van drie krissen, terwijl een ring door een stralenden robijn versierd, daaraan bevestigd is en straks de gouden haak van de toomen afwacht, als de vorst zich tot het rennen begeeft.
De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker tusschen al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de gele wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd, fraaie pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen zij op zijde, het schuift tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in nauwsluitende kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rust hun geweer. Kapitein Grevink gaat aan hun hoofd.
De Javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen.
Eenige vrouwen in zoogenaamd hofgewaad dragen den keizer zijn gouden zonnescherm, sirihdoos, kwispeldoor en troon na, deze troon tampar genaamd is een laag vierkant tabouret van rood fluweel met gouden franjes versierd; anderen dragen zijn wapens voor het rennen vereischt, namelijk stompe lansen; het gevolg bestaat uit meer dan twee of driehonderd mannen, die het in goud gezette keizersbeeld omringen.
Zoodra hij in het renperk aangekomen is, stelt hij zich aan het hoofd der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige keeren steeds in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de vlugge paarden brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden hals omhoog en lichten de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans en andere luidklinkende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper, totdat het witte zand van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven, en menschen en paarden in het door de zon in goudpoeder veranderde stof zijn gehuld.
De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds vermoeid, hij zal vandaag niet meer rennen; bij den Sitingil gekomen, stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats, de wachten scharen zich rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter hem op een knie neder en strekken den gespannen boog voor zich uit als om de vijanden van hun vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen; op eerbiedigen afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de voorwerpen dragen, kruiselings op matten.
Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam neer, de duizenden en duizenden menschen en dieren, welke den aloen-aloen vullen, verroeren zich niet. Aller oogen vestigen zich op den oppermachtigen meester, wiens onbewogen gelaat koel en onverschillig het bonte schouwspel aan zijn voeten overziet.
Zelfs de gamelans zwijgen totdat de keizer met een schier onmerkbaar gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek weer de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer met hun lansen begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan hun gordels, om de handen vrij te hebben en besturen dan met lichaam en knieën hunne paarden. Het steekspel neemt een aanvang; een der voornaamste prinsen rijdt vóór tot halverwege de baan vlak vóór ’s keizers zitplaats gekomen; een andere ridder rijdt hem te gemoet.
Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is.
Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in vergelijking met die der andere edelen.
Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het vurige Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem zijn meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen op zijn hals, uit de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een vuurrood wambuis doet zijn breede, krachtige schouders en borst fraai uitkomen; slechts spaarzaam is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn hangt in sierlijke plooien over den sneeuwwitten djarit. Met zijn lans hoog opgeheven rijdt hij op den prins aan, vervolgt hem tot aan het uiteinde van het plein, waar deze zich plotseling omkeert en hem steken tracht toe te brengen, hij pareert ze echter met het grootste gemak en zij zetten het spel voort. Allen zien ademloos toe, totdat plotseling een onderdrukt gejuich uit de menigte opstijgt, een gejuich, dat dadelijk verstomt, want het is ten strengste verboden zich te verheugen als een prins van den bloede uit het paard wordt gelicht, en nu is het ’s keizers broeder, die door den vreemdeling uit het zadel is getild.
Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooien voort; altijd is het echter de onbekende ridder die den palm der overwinning wegdraagt; de meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegenover hem. Allen zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van het kamp. Fier rijdt hij rond de baan met zijn lans in de hand. Voor den keizer gekomen laat hij zijn paard den soembah [12] maken en iets als een vaag teeken van genoegen schemert op het effene gelaat des vorsten.
„Een kranige kerel,” fluistert de Hollandsche luitenant zijn kapitein toe, „ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?”
„Och, al die bruine vellen lijken op mekaar,” antwoordde kapitein Grevink minachtend, „maar hij stond bij het huisje van den Rijksbestierder en dat bevalt me minder.”
„Waar Amirang Koesoemo hem opgedoken heeft? Hij behoort tot geen der grooten van het hof.”
De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Koesoemo, den Rijksbestierder, die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen schuiven; hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog zich voorover om hem iets op fluisterenden toon te vragen.
„Heer der Wereld!” antwoordde Koesoemo, „vergun uw dienaar dat hij straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhaftig man, een vijand der Compagnie,” voegde hij er schier onhoorbaar achter.
De Soesoehoenan hief ’t hoofd weer op en een flauwe beweging zijner oogen bewees den Rijksbestierder, dat hij genoeg wist. Koesoemo kroop ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn onbewogen, kil gelaat weer aan.
De schaduwen van den avond vielen echter op het gebergte en het dal neer, de laatste bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de kruinen der bergen, toen werd alles donker en grauw, maar de maan steeg hooger en hooger en hulde schier onmerkbaar den aloen-aloen in haar blauw-zilveren glans.
Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en schaarden zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den keizer; zij zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend, maar de keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun dienaars over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder hen was ook de Rijksbestierder.
„Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?” vroeg hij.
Amirang Koesoemo ging terug, op eenigen afstand van de andere edelen stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forsche gestalten sterk afstaken bij de weekelijke, tengere figuren der Javaansche edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder.
Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel; zoo zag hij dan ook den vreemdeling door Amirang Koesoemo begeleid ’s keizers troon naderen en hem de voeten kussen.
Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat trouwens in hoog Javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen.
Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij hem het avondmaal te gebruiken.
Langzaam keerde de stoet terug naar de eerste binnenplaats, nu echter ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger—de heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot, terug.—Hij was niet gerust, waarom, dit wist hij zelf niet.
Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie en den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Cheribonsche prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de Compagnie daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, welke Hamangkoe-Rat jegens haar had aangegaan, toen zij hem op den troon zijns vaders herstelde.
Amirang Koesoemo, de machtige rijksbestierder was den Hollanders ongenegen; hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de keizer tegenover hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om dezen daarvan te verlossen; de zwakke slechts aan zijn genot denkende Soesoehoenan liet alles aan zijn listigen sluwen dienaar over. Hij was tevreden, zoo hij naar hartelust zich aan zijn uitspattingen, zijn opium en zijn vrouwen kon overgeven en vond alles goed wat hem het gedurige bezit dezer onmisbare voorwaarden van zijn geluk kon verzekeren.
Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene tentjes of prieelen waren daar opgericht; van voren geheel open en van achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat van den keizer. De in een halve maansvorm opgerichte huisjes hadden allen het gezicht op ’s vorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door de gordijnen het maal opbrengen.
Fijn gevlochten matten waren èn tafel èn zitplaats, allen waren schrijlings erop gezeten—pisangbladeren verrichtten den dienst van tafellakens; de rijst in koekoesans [13] opgebracht sierden met hun pyramidenvorm, die tot aan de schouders der aanzittenden reikte, het feestmaal.
Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en gevogelte opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaggelijke hoeveelheid van spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het gebruik eischte dat zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene met mat en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en edellieden mee te geven.
Volgens de etiquette mocht niets meer van het opgedragen eten weer in de keizerlijke keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee; wat zij niet opkregen ging mede naar hun huis. Het diner uit vruchten en een oneindige verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde wijze op nieuwe pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld.
Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens enz. aangeboden, waarvan zij de welriekende snoeren aan het hoofddeksel boven de ooren bevestigden.
De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche europeesche feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt vroolijk gesprek.
Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal voeten van hem verwijderd.
Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn roepen was ieders hoogste eerzucht.
De keizer sprak echter met zijn Rijksbestierder, die aan zijn voeten zat.
„Wat zal de Compagnie zeggen als ik hem een schuilplaats verleen?” vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over hun aller leven en dood besliste.
„De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw Hoogheid gastvrij in haar paleis opneemt.”
„Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs vervolgd en het zou onvoorzichtig wezen zoo wij hem een schuilplaats verleenden ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging.”
„Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn Gebieder? Zal nimmer de schuld jegens hen afgelost worden?”
„Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen.”
„Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden zoo de tijd daarvoor rijp is.”
„Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist,” sprak de keizer loom.
„En die vuist zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het gewicht der dankbaarheid wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste zakt het verpletterend neer op de hoofden der beweldadigden.”
„Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,” hernam de Soesoehoenan.
„Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,” antwoordde de Rijksbestierder, „mijn Gebieder weet welke hooge verplichting ik aan den dapperen Balinees heb.”
De keizer zag hem wezenloos als vragend aan.
„Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn dochter, nadat zij weigerde haar echtgenoot den Bantamschen prins in de verbanning te volgen, naar Karta-Soera geleid heeft, haar met den grootsten eerbied bescherming verleenend.”
De keizer wenkte dat hij voort zou gaan:
„Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen van liefde voor haar beschermer en nu zij wettig gescheiden is van den Pangeran Poerbaya kent zij slechts een wensch met Soerapati vereenigd te worden als het Uw Almacht behaagt.”
„Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft en hij belooft ons zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het juk te zwaar wordt voor onze schouders dan zij hij welkom in den kraton.”
De Rijksbestierder kuste ’s keizers voeten.
„Heb dank, machtige monarch,” zoo sprak hij met moeite de vreugde verbergend die in zijn stem school, „mijn dochter en Soerapati zullen u dank weten en als de tijd gekomen is dan zal hij u verlossen van het zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben geladen want zijn geest is helder en zijn arm is sterk.”
De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen.
II.
IN DE KAPATYAN.
In de Kapatyan, het paleis van Amirang-Koesoemo, dat evenals de woningen van andere Rijksgrooten binnen den kraton lag, zat Radhen Goesik omringd van haar vrouwen.
Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé [14] schitterde van diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan de weeke, zachte plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien.
Haar zitplaats bevond zich in een rijk met snijwerk en verguldsel versierde pendoppoh, die omgeven was door een aangenamen tuin; hooge kemoeningboomen, wit van de geurige bloesems wierpen hun schaduwen op het gouden schelpzand, in Japansche potten stonden zeldzame fraaie sierplanten en bloemen. De slanke areng-palm hief zacht wuivend zijn kroon omhoog, vierkante perkjes van melati balsemden de lucht met haar zachte geuren, die zich met de bedwelmende tochtjes vermengden, welke de sokka dèdes naar omlaag zond.
’t Is morgen, de dauw parelt nog tusschen de bloemen, de brandende zon vermag de verkwikkende koelte nog niet te verjagen, alles schijnt even jeugdig, even frisch, als de prinses die met volle teugen de morgenlucht inademt. Aan haar voeten als ’t ware inééngerold ligt Boeloe Kidoer, de dwerg, die haar niet verlaten wilde.
„Boeloe,” zeide de prinses glimlachend, „het is hier beter dan aan den voet van den Gedeh! Nu vooral, nu de machtige keizer aan mijn vader verlof heeft gegeven tot ons huwelijk. O Boeloe, hoeveel dagen scheiden mij nog van dat gelukkig uur!”
„Het is dikwijls een lange weg, prinses, die de pitten van den dlima van de lippen scheidt.”
„Spreek zoo niet, dwerg! Niets kan ons meer scheiden. Zeg mij eens hebt ge hem gezien in het tournooi? Hoe schoon en zal hij daar geweest zijn. Bij de eerstvolgende senènan moet ik hem zien, al zou ik ook mijn vermomming weer aantrekken.”
„Gij zult hem nog zoo lang zien, zusje, als hij uw man wordt.”
„O Boeloe, een voorrecht betreur ik, dat wij genoten in het vrije gebergte; daar konden wij ons vrijer bewegen, daar omknelden die lastige, pijnlijke hofregelen ons niet. Slechts ter sluiks kan ik ’s avonds mijn bruidegom ontmoeten, ginds onder de waringinboomen. Weinige oogenblikken alleen mag ik hem spreken, en vroeger daar ginds op den weg, toen hij mij beschermde en bewaakte, week hij geen oogenblik van mijne zijde. Wanneer zal ik hem geheel toebehooren? Gelooft ge niet Boeloe dat hij zijn blanke geliefde geheel vergeten heeft om mij?...”
„Het is aan den dwerg niet het te beoordeelen,” grijnsde Boeloe, „hoe kan ik in zijn hart lezen? Gemakkelijker is het te dringen in den stam van den djatiboom dan het hart van de menschen te ontsluieren.”
„Maar hij kan niet meer terug naar de Hollanders, niet waar, elke band is immers verbroken tusschen hem en haar, nu de Soesoehoenan hem een schuilplaats verleent, en hij de schoonzoon wordt van Mataram’s Rijksbestierder?”
„Bij den grooten profeet is alles mogelijk!” verzekerde de dwerg met kluchtigen ernst.
„Wat zegt ge Boeloe, zoudt ge meenen dat Soerapati...”
„Zoo vermetel ben ik niet iets te durven meenen, maar als uw echtgenoot verneemt, dat Kiai Hemboong hem bedrogen heeft, dat nonna Suzanna nooit getrouwd is geweest met den vaandrig Kuffeler, en dat zekere dwerg te zamen met zekere prinses zijn ouden pleegvader hebben overgehaald tot die leugen dan kon het zijn dat zijn stemming veranderde zooals een storm het aanschijn der bergen verkeert.”
Radhen Goesik wrong de kleine met ringen bezette vingers.
„Maar hij mag het niet weten Boeloe, nooit, nooit. O, sprak hij toch tot mij over zijn liefde tot de Hollandsche vrouw, over zijn haat tot de Hollanders, ik zou geruster zijn, maar helaas! Op al mijn toespelingen bewaart hij een hardnekkig zwijgen. Ik vrees de gedachten niet die zich uitspreken, maar wel die zich verbergen en langzaam ontkiemen als de rijstkorrel in het water der sawahvelden.”
„Ik hoor dat zijn schreden als onwillekeurig altijd terugkeeren naar den Pagger der Hollanders; hij zwerft steeds in hun nabijheid; soms, zoo vertelt Kiai Hemboong, rusten zijn oogen met smachtend verlangen op de Hollandsche driekleurige vlag, die boven het wachthuis wappert.”
„O schande! Hij zou hun slavernij verkiezen boven vrijheid en roem bij zijn stamgenooten.”
„De wortels van den waringin zoeken de aarde en zoo verlangt het hart van den man naar den grond, waar hij zijn eerste jeugd doorbracht. Soerapati’s hart kan zich niet meer te huis voelen bij den bruinen man.”
Radhen Goesik verborg het gelaat in haar slendang en weende.
„Nooit, nooit zal ik het beeld dier gehate vrouw met het gele haar uit zijn geest verdrijven, zelfs niet als ik met hem verbonden ben door ’s keizers woord! Boeloe, kunt gij mij niet helpen, ik beloof u de mooiste dwergin des keizers tot vrouw, ik zal u deze sterren geven, die mijn ooren versieren maar help mij aan een toovermiddel, een drank, een amulet, een ngempoel, waardoor ik almachtig over Soerapati’s ziel kan heerschen, of liever bezorg mij de talang perindoe, een stukje van de dwergbamboe, die op den top der bergen groeit en onder welks schaduw de vogels den dood vinden, de heilige plant waarvan het bezit ons de vervulling schenkt van al onze wenschen.”
De dwerg schudde het hoofd.
„Het zal niet baten, prinses! In zijn hart verfoeit Soerapati de leer van onzen grooten Profeet; hij is gehecht aan den eeredienst zijner voorvaderen, hij aanbidt Batoro Goeroe, den oppermachtigen God der Hindoes, en nog liever zou hij de knie buigen voor den gekruisten God van de Hollanders en van Suzanna! En zoolang wij zijn hart niet veranderen, zoolang zal geen tooverspreuk of tooverplant de liefde van zijn hart doen verkeeren.”
„Maar wat raadt ge mij Boeloe, mijn trouwe dwerg, die het eerst mij gewezen hebt op Soerapati’s toekomstige glorie, die mij zoo trouw hebt bijgestaan in moeilijke dagen?... Wat moet ik doen om Soerapati voor goed te hechten aan onze zaak?”
„De vezels van den klappernoot drijven en de steen zinkt, ieder ondervindt wat zijn lot meebrengt en zoo zal ook gebeuren wat Allah van alle eeuwigheid besloten heeft.”
„Maar hoe zal ik ’t weten, wat besloten is in Allah’s raadsbesluit? Moet ik niets doen om dat besluit te helpen uitvoeren?”
Een dienstmaagd trad nader en bood de prinses een trosje bloemen aan.
„Die mij dit takje voor u gaf, edele prinses!” sprak de dienstmaagd, „verzoekt mij u te melden dat hij u wacht bij den kleinen vijver.”
Haastig stond Radhen Goesik op, de armbanden rondom haar fijne polsen kletterden, haar oogen schitterden; bevallig drapeerde zij zich in haar slendang en stak haar voetjes in de vergulde muilen, die een harer dienaressen vóór haar plaatste.
„Volg mij Mila,” zeide zij, „wat ik nu ga doen is tegen den adat [15]; ik weet het, maar het verlangen van mijn hart om mijn bruidegom te spreken is te groot, dan dat ik het weerstaan kan.”
Zij versierde met het bloementakje haar kondé en wenkte ook Boeloe haar van verre te volgen.