Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 4

Chapter 44,049 wordsPublic domain

„Belooft ge mij dat, of liever weet gij, wat ge mij belooft? Zoo de keizer den ontrouwen dienaar der Compagnie bescherming verleent, verklaart zij hem den oorlog; zal men daartoe bereid zijn in Mataram?”

„De liefde van een vrouw vermag alles. Wanneer ik zijn gemalin ben, dan vrees ik niets meer; veroorzaak een breuk tusschen hem en de Compagnie, verbreek zijn vereeniging met de blanke vrouw en voor ’t overige sta ik u borg.”

„De liefde eener vrouw overtreft den olifant in kracht, den eekhoorn in behendigheid, de slang in list. Welnu prinses, ik zal vertrouwen op uw woord en een afgrond graven tusschen hem en zijn vrienden. Maar bedenk, ik doe het om uwentwille slechts; het geluk van mijn pleegzoon is mijn eenig doel, hetzij hij ’t verwerft door zijn aansluiting bij de Hollanders, hetzij door een vereeniging met u.”

„En ik zal hem schenken wat de geelharige hem nimmer bieden kan. Gij kent haar,” riep zij plotseling uit met een van die snelle overgangen, hartstochtelijken vrouwen eigen. „Gij hebt Nonna Moor meermalen gezien, zeg mij dan, is zij waarlijk schoon, is de lansepkleur mijner wangen niet bekoorlijker dan de bleeke, koude melatitint van haar huid?”

„Zij was schoon in de oogen van haar geliefde, en is dat niet voldoende, prinses? Zij had hem lief en de liefde geeft een glans aan het meest doffe voorwerp, schitterender dan de gouden verf, die ’s keizers hoofd bedekt. Samen werden zij opgevoed; hij redde haar eenmaal bij een speeltochtje, dat men op de reede van Batavia maakte, de storm overviel het ranke bootje. Nonna Suzanna werd eruit geslingerd; Sie Oentoeng, de slaaf, die haar zijde niet verliet, sprong haar na; met het meisje in de armen zwom hij een half uur lang door de wilde golven; dikwijls meende hij van uitputting weg te zinken in de diepte, soms ontviel alle kracht zijn armen, maar hij versaagde niet. Eindelijk bereikte hij de kust; het was een onherbergzame kale kust, daar bracht hij haar bij visschers in veiligheid en keerde toen haastig naar Batavia terug om den vader, die zijn dochter reeds voor dood beweende, de tijding te brengen van haar redding.”

„En hij redde haar niet eens voor zich zelf!”

„De dankbaarheid van den Edelen Heer Moor kende geen grenzen; Sie Oentoeng werd met geschenken overladen, het grootste geschenk echter was Suzanna’s liefde; van dat oogenblik af schenen beiden slechts voor elkander te leven. De Edele Heer was veel afwezig, hij had gewichtige ambtsbezigheden en zijn dochter gunde hij alle vrijheid. Hoe kon hij vermoeden dat zij, zijn oogappel, zijn juweel, zich zou vergeten om een slaaf te beminnen, een zoon van het vervloekte bruine ras?”

„Is het dan waar wat men zegt, Kiai, verachten de Hollanders ons zoo zeer?”

„Hebt ge nooit het verhaal gehoord dat hun Heilig Boek hun leert, Vrouwe! De groote aartsvader, die alleen overbleef met zijn drie zonen, nadat het water des hemels om de boosheid der menschen de aarde en alles wat er leefde verzwolgen had, vervloekte een dier zonen, deze werd daarop zwart van huid en de stamvader van ons, donkere kinderen.”

„Ik wil mijn warme kleur niet ruilen voor de koude wangen der Hollandsche vrouw,” zeide Koesoema verachtelijk, „maar spreek voort, Kiai! Uw verhaal smaakt als de scherpe, droge lombok, zij prikkelt en toch geeft het genot die te proeven. Hoe ging het verder met hun liefde?”

„Eens kwam Sie Oentoeng bij mij; het buitenverblijf van mijn meester paalde aan dat van den edelen Heer Moor. Ik had den ontembaren, wilden jongen lief als mijn eigen zoon, ik had hem zien aankomen met zijn trotsch gelaat en fiere houding, toen zijn meester hem op de slavenmarkt gekocht had. Geen woord kwam over zijn lippen ook niet toen de opzichter hem tot bloedens toe mishandelde, hij kromp ineen maar geen klacht ontsnapte zijn lippen; ’s avonds bezocht ik hem en bestreek zijn wonden met zalf; daar viel hij snikkend op zijn knieën voor mij neer en besproeide mijn voeten met zijne tranen. Van dat oogenblik heb ik den knaap in mijn hart gesloten, ook nadat hij de gunst zijns meesters had weten te winnen en hij zijn lievelingsslaaf, zijn vertrouweling werd.”

„En wat kwam hij u mededeelen?”

„Wat ik sinds lang wist, dat hij en nonna Suzanna elkander liever hadden dan het licht hunner oogen, dat het leven zonder elkander hun leeg en woest toescheen als een land zonder water en zonder wouden, en dat er nu sprake voor haar was van een deftig huwelijk met een jong onderkoopman. Haar droefheid kende geen grenzen meer. „Er is slechts een middel,” riep Sie Oentoeng uit, „wij zullen elkander eeuwige trouw beloven.”

„Hoort gij onzen eed, Vader, ik weet dat gij menig huwelijk onder uw medeslaven hebt besloten, Suzanna zal het heilig boek meebrengen van haar godsdienst en zoo zal het huwelijk tusschen ons even hecht en heilig zijn als ware het in haar tempel gesloten. Ik deed wat ik kon om mijn jongen vriend van dat heillooze voornemen af te brengen, het was vergeefs. Tegen het vallen van den avond kwam hij met zijn geliefde in het zomerhuisje dat op de rivier stond, die de beide erven der woningen van elkander scheidde. Nonna Moor had haar gewijd boek bij zich; beiden zwoeren elkander trouw op dat boek, verwisselden de ringen en namen elkaar tot man en vrouw in tegenwoordigheid van God, van mij en van een vriendin, die Suzanna met zich had genomen. Het was een zonderling huwelijk, geen blanke zou het daarvoor erkend hebben maar Allah heeft mijn bede gehoord: „o God! vereenig dit paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt; want Gij o liefderijke God schenkt uw liefde aan hen, die u beminnen!” En dat was beiden kinderen genoeg!”

„Dus zij zijn waarlijk getrouwd! En verder!”

„Weldra kon het huwelijk niet langer meer verborgen worden. Begrijp den toorn van den hooggeplaatsten vader, die zijn dochter zoolang met vuur had laten spelen en nu plotseling zien moest dat het jonge hout aan het branden was geraakt. Nonna Suzanna hield zich moedig, zij noemde haar echtgenoot, het baatte niet; Sie Oentoeng werd in de gevangenis gesloten, zijn jonge vrouw gezonden naar het landgoed van een vriend haars vaders, dat op een eiland lag in de reede van Batavia.”

„En welke zijn de laatste berichten die Soerapati van haar ontving?”

„Ze zijn meer dan een jaar oud; zij schreef hem, dat zij moeder geworden was van een zoon en dat zij op het landgoed van haar vader een allertreurigst leven leidde, zij werd dag en nacht bewaakt, aan ontvluchten viel niet te denken; haar vader behandelde haar hard en wreed en wilde haar dwingen tot een huwelijk met een man veel minder in rang dan zij, daar zij nu onwaardig was een beter huwelijk te sluiten. Zij weigerde echter standvastig elk aanzoek, zich gebonden achtend door haar belofte aan hem.”

„Hoorde hij niet meer van haar?”

„Weinig meer, ons leven was te zwervend maar ik zag het hem aan; hevig verlangen verteerde zijn ziel naar vrouw en kind. Dat bracht hem er toe zich te onderwerpen aan den kapitein, die wanhoopte hem te buigen door de kracht der wapenen. Die liefde maakt hem den onverschrokken krijgsman flauw en weekhartig als een kind.”

„Welnu, dan moet zij uit zijn hart gerukt worden. Ik beloof u mijn hulp, Kiai; wat is thans uw voornemen!”

„Ik zal den knaap, die weldra hier zal aankomen laten zeggen dat nonna Suzanna getrouwd is met een ander, onverschillig of dat waarheid blijkt of niet.”

„En zal hij het gelooven?”

„Bezorg mij een ring gelijk aan dien, welken hij aan de hand der Nonna schoof, dien moet hij hem terugbrengen.”

Bewonderend zag Radhen Goesik hem aan.

„Nu zie ik,” sprak zij, „dat het lastige wapen van de leugen u goed toevertrouwd is. Lastig noem ik het daar ’t zoo licht de hand verwondt, die het voert.”

„Voor mijn handen behoeft gij niet te vreezen, prinses.”

„Welnu, ik zal zoeken onder mijn kleinoodiën of liever u laten zoeken of gij dergelijken ring vinden kunt. En verlangt ge niets anders van mij?”

„Ge begrijpt dat Soerapati den knaap ruim zal beloonen voor goede tijdingen.”

„Dan zal ik hem zijn leugens nog beter vergoeden.”

Radhen Goesik wenkte hem achteruit te gaan; zij waren op de open plek gekomen, waar de tenten stonden.

VI.

POERBAYA’S KRIS.

Hevige opgewondenheid heerschte in het kamp toen de prinses met haar gevolg er terugkeerde.

De Vaandrig Kuffeler omringd door zijn mannen had zich tot den prins begeven en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden pardonbrief der Compagnie.

Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert gisteren meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst om hem te bekommeren volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De Balineezen morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der Compagnie geweest kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en vergiffenis te beloven.

Was het alleen daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te bestrijden dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van hen vroegen, maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te doen? Waren zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij onbezorgd leven, beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de bevolking hen voorheen niet vrijwillig alles wat zij verlangden enkel en alleen om hun dorpen van plundering te vrijwaren?

En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opperhoofd opnieuw de slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond; zijn diensten ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer der onderneming gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan?

Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun spotlach, hij kende hun denkbeelden en leed nog eens zooveel nu hij in hun tegenwoordigheid zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie hij hen had opgeofferd. Het vuur der muiterij smeulde achter al die gebruinde voorhoofden, het kostte hem slechts een woord en allen zouden zij den vaandrig met zijn soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het en toch moest hij kalm blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in tegenwoordigheid van den prins, die hem zoo hoogschatte en die om zijnentwille vooral zich oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp. Hij voelde zich beschaamd en diep vernederd maar er viel niets te doen; elke daad van hem jegens Kuffeler dit voelde hij genoeg zou hem als strafbaar aangerekend worden. Hij kon slechts den vaandrig laten begaan om des vredeswille, de eer van Pangeran Poerbaya’s onderwerping aan hem overlaten en alleen hopen op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de hooge Regeering den waren staat van zaken zou blootleggen en hem voldoening geven tegenover den verwaanden vaandrig.

Hij gaf den prins dus een teeken dat hij zich aan den uit Batavia gezonden onderofficier zou overgeven.

„Het zal nu wezen,” sprak hij, „of gij u rechtstreeks in de handen der Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als zaakgelastigde van den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein Ruijs met u onderhandelen.”

„Zal zijn slaafsheid nog verder gaan?” vroeg Wirajoeda een jong en vurig Balinees aan den ouden Kiai Hemboong. „Ik ken onzen meester niet meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons uit de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak zich van haar wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?”

„Laat hem begaan mijn zoon! De tijger slaapt, wee den Christenhonden als hij ontwaakt!”

„Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders. Wij hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!”

„Hij is de moedigste die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar kleinood vreest te verbeuren wordt zwak...”

„En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping te ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen.”

„Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed deed winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati’s ziel.”

Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven. De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den onderofficier gelegd.

„Daar het de wensch is van de Ed. Compagnie dat ik mij aan u onderwerp, leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,” sprak hij kalm en ootmoedig. „Ik hoop dat gij mijn vrijwillige onderwerping op prijs zult stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen geschieden zal.”

„Er ontbreekt nog een wapen aan!” beet de vaandrig hem ruw en scherp toe.

„De Heer vaandrig vergist zich,” antwoordde Pangeran Poerbaya rustig, „al mijn mannen zijn ontwapend.”

„Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw kris hebben, anders erken ik uw onderwerping niet.”

De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof gemompel steeg uit zijn manschappen op.

Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij de tent stond, bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad haar echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend gerucht hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij het tooneel aan.

„Verschoon mij Heer,” sprak de prins, „maar ik geef mijn kris niet aan een ondergeschikt officier over.”

„Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou met je aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes voor je en geef mij je kris.”

Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van neen zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die mannen, in het woud verzameld.

„Geef je mij het ding goedschiks over,” drong Kuffeler aan steeds dichter en dichter op den vorst toetredend.

„Vergun mij dat ik de kris op zijde houde, Heer!” sprak de Pangeran altijd even onderworpen. „We zijn hier nog niet op uw gebied. Het woud is onveilig en het zou gevaarlijk wezen daar ongewapend in rond te dolen.”

„Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen tegen wie ook of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen verdere praatjes en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen wilt hebben dan dien je ook hun gewoonten te kennen.”

„Ik ken de gewoonten der Hollanders,” hernam de prins, „maar men moet mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De Compagnie heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een vaandrig mij zoo hard?”

Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog opgestapeld, een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om tegelijk met de Balineezen Kuffeler en de zijnen neer te houwen.

Soerapati voelde dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd, dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen in het volgende oogenblik over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed vóórschreef en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie. Hij trad tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden toon:

„De prins heeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven hun wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan hoofd-officieren; hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg voor.”

„Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!” riep de vaandrig verbitterd, „’t deert u volstrekt niet, ’t is een zaak tusschen mij en den Pangeran.”

„Ik wilde erger dingen voorkomen daarom trad ik tusschenbeide; sta den prins toe zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten. Hij heeft gelijk, het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen hoog noodig,” en zacht fluisterde hij hem in, „sta het toe, ik blijf u geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen te verbitteren.”

„Ellendeling, gij durft me dreigen?”

„Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.”

„De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik zal u, hoe ongaarne ook mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze plek verlaten hebben,” sprak de prins.

„Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man gek gemaakt met uw dwaze tusschenkomst,” voer Kuffeler zich vertoornd omkeerend uit, „pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed; gij vertrekt onmiddellijk naar Batavia daar kunt ge u verantwoorden ook nog over dit allerlaatste heldenstuk.”

„Vaandrig, ’t is goed dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge Regeering,” zeide Soerapati nog altijd even kalm, „ik zou anders niet vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt.”

„Een gedroste slaaf mijn meester!” schimpte Kuffeler.

„Vaandrig,” fluisterde hem een zijner kameraden in het oor, „drijf de zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles in staat als ze getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal.”

„Meent ge dat ik ze vrees en wat u betreft, bruine huichelaar,” zoo wendde hij zich tot den Pangeran, „uitstel is geen afstel, uw kris moet ik hebben, op den morgen onzer afreize.”

Verbaasd en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en Kuffeler pochte tegen zijn kameraden:

„Zoo moet men de Javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld krijgt men alles van hen gedaan, met toegevendheid niet.”

Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte:

„Wat moet hij haar liefhebben daar hij zooveel van haar landgenooten om harentwille verdraagt!”

VII.

HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD.

Wirajoeda, Kiai Hemboong en nog eenige der voornaamsten van Soerapati’s mannen waren tegen het vallen van den avond in zijn tent bijeengekomen en bespraken den toestand, dien zij allen onhoudbaar vonden.

„Gij moogt die beleedigingen niet langer dulden, meester,” riep Wirajoeda uit, „beter is het weer terug te keeren tot ons zwervend leven in de wouden. ’t Is waar wij heetten toen roovers, maar is het dan niet beter een vrije roover te zijn dan een slaaf, want tot slaven willen zij ons weer maken, u zoo goed als ons. Gij hebt u aan hen verbonden, wij volgden u gewillig, de eer en het vertrouwen u geschonken was onze eenige belooning, nu echter, nu zij u hoonen, nu zij den prins van ons bloed doodelijk beleedigen, nu weigeren wij langer met hen samen te gaan. Verlaat hen meester, wij volgen u!”

Soerapati zag hem schijnbaar kalm en rustig aan.

„Is ’t u ernst geweest, toen ge eenmaal in de Bataviasche gevangenis gezworen hebt mij te gehoorzamen, wat ik ook bevelen zou?”

„Ja!” riepen allen uit een mond.

„Wij hebben zware dagen doorleefd, moeilijke tijden verduurd, velen van hen, die eens met ons waren zijn gevallen, het woud werd hun graf. Te zamen hebben wij veel leed gedragen; de nood was hoog gestegen toen wij ons aan de dienaren der Compagnie onderwierpen. Er viel te kiezen tusschen hun bescherming of den dood door hun wapens. Van alle kanten omsingelden zij ons; ik liet u vrij in de keuze en toen hebben wij ons vrijwillig aan hen onderworpen.”

„En tot loon daarvoor willen zij ons thans weer in slavernij voeren. Dat is een laag verraad!”

„Gelooft dat niet, vrienden! Niemand onzer heeft zich over kapitein Ruijs te beklagen; hij is een rechtschapen, eerlijk man. Hij heeft mij steeds zijn volle vertrouwen geschonken, de meest eervolle taak droeg hij mij en dus ook u allen op; hij voorzag ons van wapens en zond ons naar den Pangeran! Wat belette ons toen met de Bantammers gemeene zaak te maken? Wij deden het niet, want wij zijn niet gelijk aan de stengels van het bamboeriet, die door den wind van links naar rechts bewogen worden. We hebben den Hollanders onzen eed van trouw gegeven, tot nu toe braken wij dien niet. Waarom zullen wij nu allen, omdat een verwaande vaandrig ons dreigt, de Edele Compagnie verraden en terugkeeren naar een leven van roof en doodslag? Zal men dan niet zeggen, het was dien mannen nimmer ernst met hun onderwerping? Zij hadden ’t op onze wapenen gemunt en op niets anders, het zijn lage dieven en bedriegers. De Heer Ruijs zal zijn hoofd schudden en zeggen: „Geen bruin man verdient meer geloof!” Blijft dus bedaard! Gaat nu kalm uitrusten, wie weet of de morgen geen verandering ten goede brengt.”

De Balineezen verwijderden zich en Kiai Hemboong stond alleen tegenover zijn pleegzoon.

„Wat is er vader?” vroeg Soerapati, „uw gelaat voorspelt geen goede tijding. Waarlijk, de dag bracht reeds zorg en toorn genoeg; o ’t kost zooveel anderen tot kalmte en onderwerping aan te sporen, als het eigen hart tot berstens toe vol is van gramschap.”

„Mijn zoon, uw hart is reeds zoo gepijnigd door verdriet en ergernis, hoe zal ik die nog kunnen vermeerderen?”

„Ge brengt mij een bericht van rouw, ik zie ’t u aan. Is er iets met den Pangeran of met kapitein Ruijs? Geeft hij den vaandrig gelijk?”

„Ik weet niets mijn zoon, noch van den vaandrig, noch van den heer Kapitein. Ook het aangezicht van den edelen prins heb ik sinds van morgen niet gezien.”

„Wat kan het dan zijn, uw woorden schijnen als overladen van gift en dood? Is Ardjo....”

„Ja, gij hebt recht, Ardjo is weergekeerd.”

„En welke tijding brengt hij mij? Spoedig, spoedig, ziet ge niet hoe ik verga van ongeduld. Leeft Suzanna...? Of neen, ik wil ’t uit uw mond niet hooren, laat Ardjo zelf komen, laat hij zelf mij zeggen, wat hij gezien en gehoord heeft.”

De grijsaard deed een stap naar buiten en wenkte een als Javaansche landbouwer verkleed jonkman nader te komen. Ardjo trad binnen en wierp zich aan zijn meesters voeten om die vol eerbied te kussen.

„Wat hebt ge mij te zeggen,” riep Soerapati onstuimig uit, „spoedig, spoedig! Breng me goede tijding, hier is goud om u te beloonen, als gij mij goede tijding brengt. Leeft nonna Moor?”

„Zij leeft, Heer!”

„En zij laat mij groeten, zij heeft mijn brief gelezen, zij verwacht mij steeds?”

„Luister naar mij, Heer!”

„Ik zal luisteren, maar waarom ziet ge mij zoo medelijdend aan, gij Kiai en gij knaap? Zij leeft en zij is gezond en toch durft ge niet voortspreken.”

„Wilt ge kalm naar mij luisteren, Heer?”

„Ja, zeker, ik hoor u aan; ge zult mijn vertrouweling, mijn rechterhand worden, als ge mij verzekert, dat zij gezond is, dat zij aan mij denkt als aan haar echtgenoot.”

„Zij leeft en zij is gezond.”

„En zij denkt aan mij?”

„Zou zij niet aan u denken?”

„O geluk, dan vrees ik niets meer, Allah zij geprezen, zij is gezond en zij heeft mij niet vergeten. Wat deren me nu de kleingeestige plagerijen van een Kuffeler? Hoe kan ik meenen dat de Hollanders mij verachten als zij mij trouw blijft? Gij hebt haar of haar slavinnen gesproken?”

„Ja ik heb haar slavinnen gesproken.”

„En die hebben u verzekerd dat zij mij niet vergeten heeft?”

„Hoe zou zij u kunnen vergeten Heer, hoewel...”

„Dat hoewel is vol bedreiging, zeg mij waar gaat het zwanger van? Houdt haar vader haar nog gevangen?”

„Neen Heer, zij is vrij, tenminste haar voeten zijn vrij.”

„Maar wat is dan niet vrij aan haar?”

„Zij zelf, Heer! want haar ziel is gebonden.”

„Ge bedoelt toch niet dat zij getrouwd is.”

„Helaas! Heer, niets anders!”

„Ellendeling! Voor dat bericht zal ik u dooden.”

En als een wild dier stortte hij zich op den knaap neer. Zijn oogen rolden als vurige ballen, het schuim bruiste op zijn lippen en als gekromde klauwen strekte hij de vingers uit om den ongelukkige te wurgen. „Ampon, genade, Heer! genade!” kreet de knaap, achteruit wijkend, maar in een sprong was Soerapati bij zijn slachtoffer, hij klemde hem in zijn armen en brulde:

„Herhaal die leugen nog eens, als ge durft.”

„Ampon, ampon! goede, genadige, meester! Ik zal u alles zeggen,” kermde hij.

Nu trad Kiai Hemboong tusschenbeide.

„Laat hem los! mijn zoon! Laat hem los! Sinds wanneer stelde men hem, die een booze tijding bracht, verantwoordelijk voor de slechte mare door hem bericht? Blijf uzelf meester!”