Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 31

Chapter 313,910 wordsPublic domain

„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijn Radhen Ajoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is....”

Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.

Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:

„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”

„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.

„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”

„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”

„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”

„En toch weigert ge?”

„Ik mag niet anders.”

„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”

Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.

Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.

Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:

„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”

„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”

„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”

De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.

„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”

„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht....”

„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.

Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.

Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent van Kediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.

„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”

„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.

„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”

„Zij verschillen zooveel van u!”

„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”

Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:

„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”

„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.

„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”

„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”

En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.

„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.

„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.

„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”

„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.

„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.... keer terug naar het volk uwer moeder.... dit rijk zakt in elkander.... liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.... ge moogt alles zeggen, wat ge weet... ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.... nu gij hen niet aanvoert.... laat er een eind aan komen.... en word gelukkig bij uw volk!”

Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.

„Vlucht dadelijk.... vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”

„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.

„Het moet, maar wacht nog even!.... Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.... Ik had hem lief.... liever dan Batoro Shiwa, Boeddha of Allah.... maar Hij wilde mijn vereering niet.”

„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”

Robert knielde neder, en bad:

„Onze Vader, die in den hemel zijt....”

„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.... ons aller Vader.... kinderen van een vader, blank en bruin.... de kinderen vergeten het.... maar Hij, Hij weet het.... Hij kent ze allen.... Onze Vader....”

Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.... de lippen half geopend.... nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.

Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.

„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”

Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.

„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”

Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.

„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.

Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.

Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.

VIII.

DE WRAAK OP DEN DOODE.

Hoewel de dood van Soerapati der Compagnie een zucht van verlichting deed slaken, zoo was ’t er nog ver af dat de oorlog een einde had genomen. Te Batavia nam men het den veldheer Govert Knol ten hoogste kwalijk dat hij zijn troepen bevel had gegeven naar Soerabaya terug te keeren in plaats van hen te doen voortrukken naar Pasoeroean; maar nog grooter was de verontwaardiging tegen Depati Soerabaya, wiens dubbele rol men nu duidelijk doorzag, maar wiens verraad althans voorloopig niet gestraft kon worden.

De drie broeders begonnen onmiddellijk na des vaders dood hevig te twisten, terwijl de prins van Balembangan die gewillig het bestuur van zijn land had overgelaten aan Radhen Wiro Negoro, wiens meerderheid hij erkende, nu de teugels van het bewind zelf in handen nam; om hem vereenigden zich de Balineezen, terwijl de Javaansche Mahomedanen zich rond de zonen van Soerapati schaarden.

Radhen Goesik gelukte het door middel van Sheik Abdoelah den vrede onder de broeders te herstellen; zij ging met hen naar Kediri en haalde hen over zich aan Soenan Mas schijnbaar te onderwerpen; deze nam hun hulde aan en beleende Pengantin met de opvolging van zijn vader, alsof deze den keizer ooit als leenheer had erkend; ook de andere zonen kregen een gedeelte van het land onder hun gebied.

Door deze plechtigheid werd de zedelijke kracht der jonge mannen niet weinig vermeerderd. Sheik Abdoelah vuurde de godsdienstige hartstochten van het volk nog meer aan en met vol vertrouwen wachtte nu de geheele Oostkust van Java den nieuwen veldtocht af, welke in het volgende jaar (1707) tegen hen ondernomen werd.

Deze stond echter niet onder het bevel van Govert Knol maar onder dat van Herman de Wilde, die door den dood van zijn vijand nog niet bevredigd, van verlangen brandde zijn rijk te vernietigen.

Den 18den Juli begon de veldtocht van uit Karta-Soera, over de Solorivier en de Brantas naar Kediri, dat echter reeds door den heldhaftigen Adipati Anoem ontruimd was en dan verder naar Tjarit, waar de beslissende slag geleverd en de vijand op de vlucht gedreven werd.

Intusschen was ook de legerafdeeling uit Soerabaya onder kapitein Sergeant op marsch gegaan en vereenigde zich met de hoofdmacht; gezamenlijk rukte men nu op naar Pasoeroean dat zonder slag of stoot genomen werd.

Groote diensten had Robert in deze expeditie bewezen; hij kende het land door en door, wist vele bijzonderheden, die Soerapati hem zelf had medegedeeld en maakte daarvan gebruik om de bevelhebbers in te lichten. Ook zijn dapperheid bleef niet onopgemerkt; vóór dat echter de zegevierende troepen Pasoeroean binnentrokken werd hij ernstig ziek ten gevolge van verwaarloosde wonden en moest dus naar Soerabaya terugkeeren; zoo was hij geen getuige van de onedele wraakoefening, die de Wilde op het graf zijns vader nam.

Herman de Wilde liet Soerapati’s gebeente opgraven en het op den aloen-aloen verbranden.

Met overelkander geslagen armen en een lach van zelfvoldoening op de bleeke lippen, staarde hij de vlammen aan, die het geraamte verteerden van den man, dien hij zoo fel gehaat en zoo vurig benijd had, en toen van het lichaam, dat eenmaal door zulk een krachtigen adem bezield was geweest, niets meer overbleef dan een hoopje asch, gebood hij ook dit weg te strooien in de wateren der zee.

Nu alles, wat dus aan zijn vijand herinnerde, van het aanschijn der aarde verdwenen was, achtte hij zijn levenstaak geëindigd; niets bleef hem meer te doen over, zijn doel was bereikt, zijn wraak volvoerd.

Snel bracht hij de regeling der onderworpen landen ten uitvoer, deed de regenten aanzeggen dat zij zich onderwerpen moesten aan Pakoe Boewana den keizer en tevens Adipati Anoem ten doode vervolgen. De regent van Kediri was er echter niet meer; hij keerde terug naar Bali, kort vóór dat de veldtocht begon, daar hij zijn schoonzoon niet kon vergeven dat deze zich in de armen der Mahomedanen had geworpen. Zijn dochter, Lembono’s gemalin, nam hij met zich mede; wellicht trok hij zich in het gebergte terug om daar het leven van een kluizenaar te voeren.

Soenan Mas echter voegde zich bij de zonen van Soerapati, die zich in het Malangsche gebergte hadden verscholen en nog maar een geschikt oogenblik afwachtten om de vijandelijkheden opnieuw te beginnen.

Zoodra in Pasoeroean alles geregeld was, vertrok de Wilde van Soerabaya naar Samarang. Hij was doodziek en afgemat; nog vele zaken had hij te voleindigen, en daartoe was het noodzakelijk dat hij den Soesoehoenan sprak, maar hij was te zwak om naar Karta-Soera te gaan, en de keizer kwam dus naar Samarang; nog stervend leidde hij de onderhandelingen, die de macht der Compagnie bevestigden, de rechten en verplichtingen des keizers omschreven en dus aan den gespannen toestand, die reeds sinds zoovele jaren op Java heerschte, een einde maakten.

Hij keerde na de sluiting van het contract naar Batavia terug en overleed daar weldra, omstreeks een jaar na den slaaf, dien hij zoo bitter had gehaat.

IX.

VEREENIGD.

In het huis Voornelust was het nog stiller en doodscher geworden dan voorheen; tot twee keer was de dood er in verschenen, den eersten keer had hij den kleinen Albert weggerukt na een lang en zwaar lijden.

In Digna’s armen was hij gestorven en na zijn dood was haar leven eerst recht treurig en moeilijk geworden.

Markus Voorneman scheen overstelpt door smart, toen hij zijn eenigen zoon verliezen moest, maar deze smart was zoo onnatuurlijk dat Digna weldra gegronde vrees opvatte voor zijn geestvermogens. Nadat Robert wederom in haar leven was verschenen, was hij zeer prikkelbaar en lastig geworden; zijn hartstocht voor Digna nam meer en meer toe, doch zij kon dien slechts met warme genegenheid en diep medelijden beantwoorden; dit maakte hem hoe langer hoe onrechtvaardiger jegens de arme vrouw en zelfs de groote zelfopoffering en toewijding waarvan zij blijken gaf bij de ziekte van Albert, konden bij hem het eenmaal vastgewortelde denkbeeld niet uitroeien dat Digna zich ongelukkig voelde, Robert betreurde en naar zijn dood verlangde.

Eenige weken na Albert’s overlijden was twijfel niet meer mogelijk, Heer Voorneman’s geestvermogens bleken gekrenkt en een zware taak wachtte zijn vrouw; beurtelings overlaadde hij haar met de hartstochtelijkste liefkoozingen om haar een oogenblik later te mishandelen.

Met het grootste geduld en onbeschrijfelijke liefde bleef zij op haar post, niemand de zorg overlatend om haar man te verzorgen; zij bleef haar plicht trouw totdat de dood aan zijn betreurenswaardig leven na een jaar een einde maakte.

En nu was zij alleen in het groote huis!

Alleen met haar herinneringen. In een testament kort na Albert’s dood opgesteld, vermaakte Markus Voorneman zijn geheele vermogen aan zijn echtgenoot, onder voorwaarde echter dat zij niet zou hertrouwen.

Deze dwang, door den stervende nog na zijn dood op haar leven uitgeoefend, doofde de laatste vonk van liefde jegens haar gemaal in Digna’s hart uit; slechts medelijden bezielde haar meer voor hem en met grooten tegenzin genoot zij zijn rijkdom, waarvan zij thans maar al te goed de herkomst wist.

De Raad van Justitie Voorneman had niet meer of minder dan anderen gebruik gemaakt van zijn betrekking om een sluikhandel op naam zijner overleden vrouw te voeren op Japan en de Molukken; natuurlijk durfde niemand mevrouw Voorneman beschuldigen of haar eenigszins belemmeren in de uitoefening harer liefhebberijen.

Het leven van Digna was treurig en stil; zij ging met niemand om dan met haar oom en tante van Hoorn; bij hen hoorde zij dan ook hoe een jonge militair, Robert genaamd, groote diensten aan het leger der Compagnie had bewezen en nu tot luitenant was bevorderd na den gelukkigen afloop van den laatsten veldtocht. Als een goede dochter verheugde zij zich in den val van Soerapati in wien zij nog steeds den moordenaar haars vaders zag, maar toch huiverde zij bij het vernemen van de wraak door de Wilde op zijn gebeente uitgeoefend.

In het begin van 1708 bevond zij zich op het kasteel, toen er een jonge officier bij haar oom, den Gouverneur-Generaal, werd binnengelaten; het was of haar bloed stilstond, want zij herkende Robert, doch een geheel andere Robert, dan dien zij het laatst had gezien. Een man in de volle beteekenis van het woord was luitenant Robert thans, een man gerijpt door vele ervaringen, die den strijd met zich zelf aangedurfd had en daarin overwinnaar was gebleven, een ferm, krachtig man, die eerbied wist af te dwingen en zelfs tegenover den machtigen Opperlandvoogd zich gemakkelijk en vrij kon bewegen.

Voor haar maakte hij een diepe buiging, maar niemand dan zij bemerkte hoe bleek en ontroerd hij plotseling werd.

Dien avond voelde Digna zich niet alleen meer in haar groot ledig huis; het beeld van den weergevonden vriend harer jeugd volgde haar en verliet haar wakend noch slapend meer.

Den volgenden morgen ontving zij een kort briefje, waarin luitenant Robert verlof vroeg haar dien middag een bezoek te brengen. Zij wachtte hem in de groote zaal, gekleed in haar stemmig weduwkleed, maar uit haar schitterende oogen en frisschen blos was elk spoor weggevaagd van de moeilijke, smartvolle dagen, die zij doorleefd had; nooit was zij schooner geweest dan op dien middag toen luitenant Robert met opgeheven hoofd door de groote deur het huis binnentrad, dat hij ’t laatst tersluiks, opgejaagd als een dief had moeten verlaten.

„Robert!”

„Digna!”

En beider handen rustten ineen, beider oogen staarden in elkander; zij begrepen dat de een den ander op nieuw toebehoorde en nu voorgoed, maar toch veel moest uitgesproken worden vóór het beslissende woord tusschen hen viel.

„Digna,” sprak hij, toen hij eindelijk zijn ontroering meester werd en naast haar plaats nam, met zijn hand nog steeds de hare omklemmend, „er is veel gebeurd sinds we elkander hier het laatst zagen, meer dan gij vermoedt, maar ik heb mijn woord jegens u gehouden.”

„Dat begreep ik gisteren reeds dadelijk, Robert!”

„’t Heeft mij staande gehouden in een zware verzoeking, het deed mij een kroon afwijzen.”

Zij zag hem vragend aan.

„En nu Digna, wat nu?”

Zij wendde blozend haar hoofd af, en zuchtte. Hij vervolgde:

„Ik heb het recht u thans te vragen de mijne te worden, als gij vergeten wilt, dat ik geen naam bezit: uw woorden van vroeger, die ik allen in mijn hart bewaar, geven mij moed, maar er zijn andere bezwaren. Uw fortuin...”

Zegepralend hief zij het gelaat naar hem op, en zich zelf verradend, wierp zij den scheidsmuur tusschen hen plotseling neer:

„Ik heb geen fortuin Robert, anders dan dat mijner ouders, want zoodra ik trouw met wien ook, verlies ik alle aanspraak op dat van mijn overleden echtgenoot.”

Juichend sloot hij haar in de armen en zij liet haar hoofd aan zijn borst rusten, blijde dat het nu voortaan haar vrijstond zich over te geven aan het gevoel dat zij zoo langen tijd ernstig en moedig had bestreden.

Maar hij liet haar eensklaps los en riep uit:

„Ik vergat... er is meer... Digna, gij hebt mij uitgezonden om Soerapati te bestrijden en den dood uws vaders te wreken op hem in wien gij zijn moordenaar zaagt....”

„En mijn opdracht heeft u eer en roem bezorgd, mijn geliefde!”

„Ge vergist u Digna, ik heb Soerapati niet bestreden, integendeel, ik heb hem alles te danken, ik vereer zijn nagedachtenis en ik betreur zijn dood, want hij was mijn vader.”

„Uw vader!” riep Digna verschrikt uit.

Robert verhaalde haar alles, wat hij doorleefd had, de zonderlinge opheldering van het geheim zijner geboorte, zijn kortstondige glorie, zijn beproeving en wat daarna geschiedde.

„En nu Digna,” sprak hij, „nu weet ge alles! Beslis, maar voor een zaak, blijf ik u borg. Slechts wettige tegenweer dwong mijn vader tegen den uwe op te rukken en zijn hand heeft hem niet gedood!”

Digna sloeg haar schoone oogen naar hem op en fluisterde:

„Niets kan ons meer scheiden Robert, dus ook geen herinnering!”

Eenige weken later had in alle stilte het huwelijk van luitenant Robert en de weduwe Voorneman plaats; natuurlijk vond de Bataviasche wereld veel op hun besluit aan te merken; maar zij bekommerden zich niet om het oordeel der wereld, ook niet om het verlies van Digna’s groot fortuin, zij waren te gelukkig elkander eindelijk te mogen toebehooren.

Kort na hun huwelijk vertrokken zij naar Amboina, waar Robert het kommando over een klein fort had gekregen. De plaats was stil en afgelegen, maar overal waar Digna vertoefde bracht zij den zegen van echte vrouwelijkheid en fijne, innerlijke beschaving met zich mede en zoo bezat zij de gave om zelfs een wildernis in een paradijs te herscheppen.

Lange, gelukkige jaren wachtten beiden; Robert was een trouw eerlijk dienaar der Compagnie, en deze wist zijn verdiensten ook naar waarde te beloonen. Toch wanneer hij de kleingeestige, inhalige wijze zag, waarop de grootere en kleinere Hollandsche beambten de Inlanders behandelden, met geen ander doel klaarblijkelijk dan hen uit te zuigen en zich zelf te verrijken, bekroop hem soms een twijfel of hij in zijn jeugd niet al te edelmoedig en te fijn van geweten was geweest toen hij het rijk, dat aan zijn voeten was neergelegd, had versmaad; maar als hij Digna deelgenoot van zijn twijfel maakte, dan drukte zij vriendelijk zijn hand en sprak:

„Mijn goede Robert, gij hebt gedaan, wat gij toen voor uw plicht hieldt. Wees gerust, dat was het beste!”

Toen Digna en Robert stierven, lieten zij hun kinderen geen groot vermogen na; dat was de beste lof, de welsprekendste lijkrede, welke men een dienaar der Compagnie uit die dagen kon nageven.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Betelplant en toebehooren.

[2] Genade!

[3] Batavia.

[4] Hert.

[5] Tooverspreuk.

[6] Reebokje.

[7] Hollanders.

[8] Vleermuizen.

[9] Javaansche duiven.

[10] Band om het middel.

[11] Wild zwijn.

[12] Kniebuiging.

[13] Manden uit bladeren gevlochten.

[14] Haarwrong.

[15] Etiquette.

[16] Vertooner van de wajang,—Javaansch marionettenspel.

[17] Chinees.

[18] Onbeschaamde.

[19] Juist.

[20] Indische toespijs van onrijpe vruchten en Spaansche peper.

[21] Fabelachtige koningin der Zuidzee, die bijna over de geheele Zuidkust van Java vereerd wordt.

[22] Hemel der Hindoes.

[23] Danseressen.

[24] Zijden shawl.

[25] Eerste keizerin.

[26] Bijvrouwen.

[27] Harems.

[28] Engel.

[29] Verfrisschende drank.

[30] Wierook.

[31] Voetkus.