Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 30
De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.
Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.
Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:
„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”
„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden....!”
„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”
„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”
„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem van Karta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu....”
„En uw rijk dan?”
„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”
„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”
„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”
„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”
„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”
„Als zijn moeder?”
„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”
„Maar uw zoon, waar is hij nu?”
„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”
„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”
„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan...! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters, die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”
VI.
VOOR BANGIL.
Het leger der Hollanders lag in de rijstvelden van Derma gekampeerd; deze vruchtbare vlakte strekt zich tusschen een dicht woud en het stadje Bangil uit, dat geducht versterkt was en elken verderen doortocht belette.
Een zwaren moeilijken tijd had de vereenigde legermacht der Hollanders, Madureezen en Soerabayers doorstaan.
De weg voerde over den vochtigen, moerassigen bodem van de Delta der Kalimas of Brantasrivier, welke daarenboven door talrijke riviertakken besproeid was, die het leger moest doorwaden of overbruggen; de zware hitte, de schadelijke uitwasemingen van den grond, het gebrek aan water en welhaast aan levensmiddelen brachten het leger spoedig in betreurenswaardigen toestand.
Bij het dorp Penangoengan lag de vijand achter een verschansing, het gelukte den kommandant Knol hem van hieruit te verdrijven, nadat hij over de rivieren, welke er voor lagen met de grootst mogelijke inspanning eenige bruggen had laten slaan.
In plaats echter dat deze overwinning den moed onder de manschappen opwekte, werd de stemming hoe langer, hoe treuriger; met moeite rukte men in den vroegen morgen voort, het aantal zieken nam steeds toe, de lastdragers, Javaansche koelies van het minste soort, wierpen telkens hun bagage op den grond en zetten het dan op een loopen, met geweld moest men hen telkens tot voortgaan dwingen. De krijgshaftige troepen uit alle volkeren van den Archipel bestaande, welke voor weinige dagen Soerabaya, met vliegende vaandels en slaande trommen, hadden verlaten, waren in een weinig oogelijke, havelooze menschenmassa veranderd, die zich met moeite voortsleepte onder de brandende zonnestralen.
Maar wat echter hun moed geheel knakte en allen lust tot strijden en voortgaan benam, was het vermoeden dat zij opzettelijk langs dwaalwegen gevoerd werden naar een hinderlaag; met wantrouwen zagen zoowel de Hollanders als de Madureezen den trotschen regent van Soerabaya aan, die met zijn drie broeders een leger van lafaards aanvoerde; zoodra het oogenblik des gevechts gekomen was, wierpen deze helden zich ter aarde en weigerden voort te gaan; daarenboven hield men zich overtuigd dat de vorst dagelijks boden naar Soerapati zond om hem in kennis te stellen van alles, wat er in het Compagniesleger plaats had.
Met de grootste moeite werd het zware geschut door allerlei greppels, moerassen en kleine rivieren gesleept, over half overstroomde rijstvelden, totdat men een groot bosch al kappende moest doortrekken. Eindelijk kwam men aan de rijstvelden van Derma. Hier werd een gedeelte van het leger dat vooruitgezonden was om zich een weg door het volgende woud te banen door den vijand aangevallen en evenals de compagnieën onder den onstuimigen kapitein de Bevere, die tot hun ontzetting werden uitgestuurd, deerlijk geslagen.
Omstreeks 140 man werden door vijanden wier aantal nauwelijks de helft bedroeg gedood; het waren alweder de ruiters van den Depati Soerabaya, die oorzaak geweest waren van deze nederlaag.
Groote verslagenheid heerschte er na dit ongelukkig voorval in het Hollandsche kamp; de dragers waren niet meer te bewegen voort te gaan, hoe zij ook aangedreven en zelfs geslagen werden, vóórdat aan weerszijden van den weg een pagger ter hunner verdediging werd opgericht; dit kostte natuurlijk veel tijd, een dure tijd nog wel, daar de regentijd aanstaande was en de ellende niet zou te overzien zijn indien het leger te midden van deze moerassen en over hun bedding stroomende rivieren door het slechte seizoen verrast werd.
De tenten van den Hollandschen legerhoofdman lagen in het midden, die van den Madureeschen Panombahan links en die van Depati Soerabaya rechts; de Heer Knol had zoolang hij kon nog een open tafel gehouden, thans echter was de mondvoorraad uitgeput, slechts met wat droge rijst en ellendig water moesten officieren en manschappen hun leven rekken.
Niemand mismoediger dan de heer Valentijn, die zich hoe langer hoe zieker voelde en aan den toestand van zijn lichaam nog vrij wat meer waarde hechtte dan aan het treurige vooruitzicht dat het leger der Compagnie wachtte; hij boekte alle lotgevallen van deze reis even nauwkeurig als alle verschillende tijdperken die zijn lichaam doorliep.
Den tijd, dien de vijanden noodig hadden om langzaam voort te rukken, want om 1½ mijl te vorderen besteedden zij 12 dagen, benuttigde Soerapati om de verdediging van Bangil te voltooien; achter twee kanalen lagen zijn versterkingen over een groote, eenigszins binnenwaarts gebogene linie, de rechter- en linkerwerken sprongen een weinig vooruit, terwijl nog op een zevental plaatsen de linie versterkt was door katten.
Achter deze wallen lag het stadje Bangil: de Hollanders hadden thans vijf bolwerken met veel moeite opgericht, welke dienen moesten om den vijand op vijf plaatsen tegelijk aan te tasten.
Den 16 October des morgens om half zeven begon de storm; de Panombahan en zijn Madureezen tastten de vesting ter linkerzijde aan, de kapiteins van der Hout en Bintang in het front, de Soerabayers ondersteund door kapitein de Bevere aan de rechterhand.
Het gevecht ontbrandde van beide kanten; onder het hevig geweervuur van den vijand rukte het Compagniesleger vooruit; niemand echter waagde zich zooverre als kapitein de Bevere, die zijn nederlaag van voor weinige dagen moest uitwisschen; hij was de eerste, die den vijandelijken wal beklom, zonder van een stormladder gebruik te maken. Toen hij door een vijandelijke piek neergestooten verdween, meende de bevelhebber dat hij gesneuveld was en zond een anderen kapitein om hem te vervangen maar bijna dadelijk zag men hem weer op den wal, waar hij zijn vaandel onverschrokken plantte; de piek had slechts de kwast van zijn sjerp getroffen en hij was in de armen van zijn oppasser neergevallen.
Ook kapitein van der Hout deed wonderen van dapperheid, tachtig zijner mannen waren door de reten der bamboes van den pagger neergeschoten en groote verslagenheid dreef de troepen aan tot vluchten, maar de kapitein rukte de sabel uit de scheede, stelde zich aan het hoofd zijner mannen en dreigde ieder die vluchtte neer te sabelen. Dit hielp, binnen weinige oogenblikken verdreef hij den vijand ook van dezen post.
De Madureezen kweten zich wel op dezen dag; kloppend op een kleinen gong gaf de tachtigjarige Panombahan telkens het sein tot den aanval; drie keer werden zij teruggeslagen en telkens hernieuwden zij den aanval totdat zij den vierden keer ondersteund door den veldheer Knol zelf, meester van deze plaats werden.
Alleen de Soerabayers vochten meer in schijn dan werkelijk, zij sloegen met de pieken tegen die van den vijand als gold het een spiegelgevecht en toonden telkens lust van de veroverde punten weg te vluchten, indien kapitein Sergeant hun niet met geweld in het vuur had teruggedreven.
Op wanhopige wijze had de vijand zich verdedigd; zoo lang hij kon schoot hij op de aanvallers. Soerapati voerde zelf het bevel; het scheen of hij overal tegelijk kon wezen, waar zijn troepen begonnen terug te deinzen, stelde hij zich aan hun hoofd en voerde hen weer terug in den strijd.
Een uur lang duurde de aanval en nog was de kans niet beslist, telkens werden de aanvallers teruggeslagen, toen plotseling een luid gehuil opsteeg uit de gelederen der belegerden. Zij hadden hun aanvoerder zien vallen; een handgranaat, die naast hem ontplofte, had hem aan den schouder gewond. Hij richtte zich dadelijk op, zwaaide zijn piek boven het hoofd en riep luide:
„’t Is niets, ik ben niet gekwetst! Voorwaarts, voorwaarts!...”
Nogmaals wilde hij voortrukken en met het vuur, dat hij alleen aan zijn mannen mededeelen kon, hen opnieuw bezielen, toen hij plotseling ineenzakte; hij had ook in de zijde een wond ontvangen, welke hij niet eens voelde maar die toch doodelijk was.
Lembono, zijn zoon, snelde toe, om hem op te richten.
„Laat mij wegbrengen, stel u aan hun hoofd, dat ze het niet bemerken,” gebood hij.
Maar als een loopend vuur verspreidde zich de treurmare door het leger, een onbeschrijflijke schrik heerschte alom, de moed ontzonk allen en weldra waren de troepen der Compagnie besliste overwinnaars; Bangil, de sleutel van het vijandelijke land, was nu veroverd, en niets scheen thans meer aangewezen dan dat het zegevierende leger zijn tocht zou voortzetten naar Pasoeroean.
Dit schenen de verdedigers en bewoners van Bangil ook te verwachten, want alles begaf zich snel op de vlucht, maar in het vijandelijke kamp werd anders besloten. Zware regenbuien ontlastten zich boven hun hoofden, men kende de wegen niet en vertrouwde den Depati minder dan ooit, de ziekten raapten vele soldaten weg, eten en drinken ontbraken, de toestand der officieren was reeds ellendig, hoeveel te meer moest die der soldaten dan wezen; men wist daarenboven niets van Soerapati’s zware verwonding.
De oude Panombahan ried ten sterkste af den veldtocht voort te zetten en de Depati koos met zijn troepen het hazepad toen het bericht kwam, dat de vijand zich gereed maakte Soerabaya aan te tasten.
Al deze overwegingen en feiten deden den kommandant Knol besluiten den tocht niet verder voort te zetten maar naar Soerabaya terug te keeren; hij beging daarbij de onvergefelijke fout om de met zooveel moeite veroverde punten onbezet te laten.
Men meende voor dit jaar genoeg te hebben gedaan.
VII.
SOERAPATI’S DOOD.
De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen, maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.
Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidene doekoens werden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.
Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:
„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”
Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.
Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.
„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.
Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naar Karta-Soera.
„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.
Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.
Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.
Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.
„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”
„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”
„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”
„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”
„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen, Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”
„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”
„Waar is Lembono?” vroeg hij.
„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”
Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:
„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”
En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.
„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”
Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:
„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”
„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.
„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”
„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.
„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”
Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen, die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.
Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.
Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.
„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?
„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.
Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.
Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.
„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”
Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.
„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”
De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.
„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.
„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”
Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.
„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”
„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”
„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”
„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”
„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”
„Ik kan niet, vader!”