Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 3
„Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt me redden, gij alléén! Het hoe daarnaar vraag ik niet. O,” ging zij half fluisterend voort, „als ge mij wildet toestaan u te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die gij inslaan moet, want gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe Kidoer, de dwerg, die kennis bezit van de toekomende dingen, heeft u in zijn droom gezien, met een kroon op het hoofd, schitterend als de zon. Indien uw hart niet verknocht was aan de blanken, ik zou u tot roem en aanzien brengen. Mijn vader is almachtig in ’s keizers rijk, ik ben zijn liefste dochter; hij weet moed en verstand te waardeeren, hij zou u overladen met eerbewijzingen, hij zou u doen klimmen tot hooger eerepost dan ge ooit bereiken kondet in dienst der blanken. Als ge hen verlaat en mij brengt naar Karta-Soera, dan zal geen loon te groot voor u wezen.”
Soerapati glimlachte medelijdend.
„Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en daarom vergeef ik de zwakheid uwer rede; ik dien nu de Hollanders en geen macht ter wereld zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins verlof, terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat uw wensch vervuld wordt, dat zweer ik u!”
„Is dat het eenige,” vroeg zij en tranen sprongen haar in de oogen, „het eenige, wat ge voor mij doen kunt?”
„Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken mag: de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw gemaal, spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken heb; en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u mijn steun als gij uw gemaal het verlof wilt vragen terug te keeren naar uw vaderland.”
„Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven wilt!” antwoordde Koesoema en groette hem uit de hoogte. Zij keerde zich om en verdween in het bosch.
„Zij is schoon,” dacht Soerapati, „maar de blonde dochters der Hollanders zijn veel schooner.”
De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin en Boeloe Kidoer, de dwerg haar wachtten.
„Wat heeft hij u geantwoord?” vroeg de dwerg haar tegemoet waggelend.
„Hij is hard als het hout van den djatiboom; ik heb slechts weinig gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijn ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou Allah besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer streken in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof u mijn mooiste gouden pending [10], als ge maakt, dat hij koning wordt en ik zijn koningin.”
„Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg luisteren?”
„Ach, ’t zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart, hoe zal ik daar plaats vinden?”
„De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint dan de plaats eener andere in te nemen, die afwezig is!”
„Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar zij is een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en geel haar hebben meer macht dan wij.”
„We zullen zien, wie sterker is!” grinnikte de dwerg.
IV.
VAANDRIG KUFFELER.
Pangeran Poerbaya met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan in de vlakte tegenover Soerapati’s kamp. Hij had den Balineeschen luitenant bij zich ontboden en besprak met hem nogmaals breedvoerig en nauwkeurig de voorwaarden zijner overgave.
„En neemt ge uw vrouwen en slavinnen mede naar Jacatra?” vroeg Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik te peilen.
„Waarom zoude ik niet?” vroeg de prins met zijn zwaarmoedigen glimlach. „Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar wezen, als ik het gezelschap moest derven van haar, die mij ter zijde stonden in voor- en tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere dagen van geluk kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met mijn trouwe gemalinnen?”
„En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?”
„Moeten zij dat niet?” hernam hij volgens zijn gewoonte, een vraag altijd met een vraag beantwoordend. „Is de wil van haar gemaal en meester dan niet haar hoogste wet?”
„Uwe vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?”
„Is de mijne dan ook niet hoog? ’t Is waar, mijn Radhen Ayoe is de zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter van Mataram’s rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van overtuigd, dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal.”
Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre van ’s prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op gewichtiger zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en zijn volgelingen, die samengebonden in een hoek der hut lagen.
„Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik u de wapens overgeven, dan zijn wij uw gevangenen, en hangen van uw edelmoedigheid af.”
„Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele prins! Ik heb naar kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van uw onderwerping, en hoop dus weldra den brief te ontvangen.”
Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent en wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg wat hij te zeggen had.
„Heer!” sprak de man half luid, „er is een troepje Hollandsche soldaten in aantocht!”
„Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!” zeide Soerapati verbaasd. „Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat die mannen hier voert.”
Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast Soerapati en schudde het hoofd.
„Dat beduidt niets goeds,” zeide hij. „Van morgen heb ik driemaal het geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in vollen glans opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die haar bedekken.”
De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende:
„Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd Soerapati!”
„Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!” sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen fonkelden van verontwaardiging en zijn handen sloten zich krampachtig inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere in rang te gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen.
„Ja, ik moest je spreken,” sprak de vaandrig met een hinderlijke zelfgenoegzaamheid, „waar kan dat onder vier oogen gebeuren?”
„Hier is mijn tent, daar kan ik u te woord staan, indien gij eerst zeggen wilt wie ge zijt, en uit wiens naam gij komt.”
„Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terugkeert om u te verantwoorden over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd.”
Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn leelijken grijns veelbeteekenend aanstaarde.
Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon hij vinden om aan zijn verbazing en ontroering lucht te geven.
„Ge vergist u,” sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, „dit kan uw opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast den Pangeran tot onderwerping te brengen en daarna een vrijgeleide naar het fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij dan met dezelfde boodschap hier verschijnt?”
„Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken in, die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of ik leugens zeg. Waarlijk, die twijfel staat u fraai, man!”
„Hier is mijn tent,” zeide Soerapati, „de lucht wordt donker, het zal boos weer worden, daar zijt ge ten minste veilig.”
Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak, eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf hem zijn instructie-brieven over.
Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk tegen de druipende waterstralen beveiligend.
„Hoort ge vader!” sprak de dwerg, „hoe uw lievelingszoon behandeld wordt door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart niet wakker worden, en hij hun zijde niet verlaten?”
Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op.
„Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds in Soenda Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen, liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop leeft haar terug te krijgen.”
„En heeft die hoop recht tot leven?”
Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan.
„De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander ziet, waar hij vrijwillig blind wil zijn?”
„Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde is om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke vrouw. Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, welke hem bestemd is.”
„Het zijn goede zaken, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar hoe zullen wij ze doen dringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij moeten de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten, misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen.”
„Maar de blanke vrouw?”
Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de woudreuzen bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren het dunne rieten stammen, de grond was een borrelende massa water geworden door de telkens heviger neervallende reusachtig groote droppels, die zich bij de anderen voegden, welke reeds een moeras geworden schenen; een sterke lucht steeg uit de vochtige struiken en het natte gras van het woud op en de helderheid van den dag had voor schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed heenkomen, maar de grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de woede van het opgezweepte woud en van de dreigende wolken.
„Wij zullen haar macht breken,” sprak de Kiai op beteekenisvollen toon. „Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden om haar mee te deelen, dat hij vrede gesloten heeft met de Compagnie en weldra haar als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen.”
De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd.
„Ge zijt listig Kiai, uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het witte meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en heeft hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen zijn hart te winnen.”
Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste stralen over het nog dampende woud.
Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent.
„Ik kan u niets bepaalds antwoorden,” sprak de eerste; „mijn instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs mijn chef gaf ze mij, ik ben gebonden ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij aan de mijne te houden. Ik ben in elk geval uw meerdere!”
De vaandrig lachte honend.
„Maar ik ben een Hollander!” sprak hij vol aanmatiging.
„Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt,” gaf de Balinees altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van verontwaardiging kookte. „Alles berust op een misverstand. De Hooge Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van kapitein Ruys te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne den prins overhandigen.”
„Maar gij hebt niets te overhandigen, ’t is aan mij dat de Prins zich moet overgeven.”
„In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester, den Heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen aan zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan dit mogelijk wezen, het zou immers een groote onbillijkheid zijn indien ik, die de onderhandelingen leidde, nu aan een ander de eer der overwinning moest afstaan?”
„Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is.”
„Dat ben ik niet meer,” verklaarde Soerapati fier, „wat er voorheen gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie zoo goed als gij.”
„Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia om u te verantwoorden?”
„Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen; wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich ophelderen. De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk waarom zoude zij mij wantrouwen; waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!”
„Spreek zoo luid niet, vriend!” hernam de vaandrig schamper, „de Regeering zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet.”
Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe geschikt iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den Bantamschen prins stonden.
„Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven,” zei de vaandrig kortaf en verliet hem zonder eenigen groet.
Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug en begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven.
„Zou het waar zijn,” vroeg hij zich telkens af, „wat de Kiai mij zoo dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen de Hollanders ons nooit met zich zelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd met wantrouwen en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder menschenras behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan had zij mij geen trouw gezworen.”
V.
OP BEDEVAART.
Radhen Goesik zocht vergeefs den slaap op het matje dat de weinig prinselijke legerstede der vorstin uitmaakte, haar gedachten echter, meer dan de schamele rustplaats, hielden haar wakker.
Een enkele blik op den Balineeschen slaaf, zooals hij dien avond in de grot verschenen was met zijn krachtige, slanke gestalte geheel verschillend van de inééngedrongen zwakke figuur des Pangerans, was voldoende geweest om haar hart in liefde te ontvlammen voor hem in wien zij reeds een onoverwinnelijken held vereerde.
Niet onduidelijk had zij hem haar gevoelens geopenbaard, doch hij was er ongevoelig voor gebleven; de herinnering aan de blanke vrouw was een schild, waarop alle pijlen Amor’s stomp schoten.
Bittere jaloezie vervulde Koesoema’s hart jegens die onbekende, nooit geziene bruid, om wier wille hij zijn zaak afscheidde van die zijner stamgenooten, aan wie hij zonder aarzelen zelfs de keizerskroon zou willen opofferen, als hem die aangeboden werd; zij voelde zich machteloos, zij de prinses tegenover den slaaf, zoolang zij haar mededingster niet overwonnen had.
Zij werd hoe langer hoe onrustiger, de hartstocht tooverde haar onophoudelijk den afwezige voor den geest, haar hoofd brandde, haar polsen klopten hevig; of zij de oogen sloot, dan wel opende, altijd zag zij hem terug, altijd hoorde zij zijn stem bevelend en streng tegen zijn mannen, hoffelijk, vriendelijk, beschaafd als hij zich tot den overwonnen prins of tot haar richtte.
O kon zij zijn liefde winnen, hoe gaarne bracht zij hem niet alles ten offer, wanneer zij nog iets bezeten had; nu echter zou het haar hoogste eerzucht zijn, het zwervend leven met hem te deelen, in afwachting dat zij hem den weg opende naar roem en geluk, maar zij voelde, dat zij niet te veel wagen mocht, uit vrees van het weinige, waarop zij zich nog beroemde, te verliezen.
Tot geen prijs zou Soerapati een trouwelooze daad willen verrichten tegen den ongelukkigen prins, die zich aan zijn edelmoedigheid overgaf; al had zij ook de herinnering aan zijn blanke vrouw verdreven, al ware het haar gelukt, zijn liefde te winnen, toch zou hij nooit er in toestemmen haar aan haar gemaal te ontrooven, daarvoor kende zij hem reeds genoeg, en ook daarom achtte en beminde zij hem des te meer.
Als zij zich aan hem opdrong, wie weet of hij haar niet aan den prins zou verraden, en zij wist maar al te goed hoe streng de Javaansche grooten de trouweloosheid hunner gemalinnen straften; neen, nergens was er een uitweg, en haar liefde voelde zij bij het uur aangroeien, den bergstroom gelijk, die met kracht zijn diepe bedding vult en dan over zijn oevers heenstroomt.
Zij hield het niet langer vol en stond op; een gordijn van sarongs aan elkander gevoegd, scheidde het gedeelte waar de vrouwen sliepen af, van dat, hetwelk de mannen herbergde. Zachtkens schoof zij het weg en fluisterde:
„Boeloe, slaap je?”
De dwerg rees ergens uit een hoekje op en kroop op handen en voeten naar de plek, waar het hoofd der Radhen tusschen het gordijn verscheen.
„Wat verlangt mijn gebiedster?” vroeg hij schier onhoorbaar.
„Boeloe, ik wil den ouden man spreken, gij weet, wien ik bedoel; morgen ochtend zal ik een offer brengen aan den heiligen Waringinboom, die daar ginds aan het begin van den kampong Tjidoeran staat, zorg dat gij er ook zijt met hem.”
„’t Zal geschieden zooals mijn meesteres verlangt,” antwoordde de dwerg. Het zwakke licht der kleine plita (olielampje) belette dat de prinses zijn gewonen grijns zag.
Toen de eerste stralen van den morgen in het bosch vielen en men uit de verte het geluid hoorde van het rijststampen, dat zich met het gekraai der hanen en het getjilp der vogels vermengde, ging de Pangeran naar buiten om zijn eerste morgengebeden bij den rijzenden dag te brengen.
Radhen Goesik volgde hem en vroeg vleiend:
„Vergunt gij mij Heer! dezen morgen naar den heiligen boom op bedevaart te gaan, om er aan de nagedachtenis van Sheik Oesin, die er eens leefde en stierf, een offer van bloemen en vruchten te brengen? Wellicht verkrijg ik dan van den Hemel dat een goede uitslag uwe onderhandelingen bekroont.”
Met welgevallen zag de prins zijn jonge, schoone vrouw aan.
„Ga, lust mijner oogen!” sprak hij, „uw vroomheid is Allah welgevallig! Maar neem twee mijner mannen mede; de boschwegen zijn onveilig, de Balineezen van Soerapati en de soldaten van den Hollandschen luitenant zwerven in het bosch rond. Licht doet uw schoonheid hen den eerbied vergeten, dien zij mijn gemalin verschuldigd zijn.”
„Ik zal doen naar uw wensch,” antwoordde de prinses en weinige oogenblikken later sloeg zij, vergezeld van een slavin die het offer droeg en gevolgd door twee Bantammers, den weg in naar de heilige plek, waar de dwerg en zijn oude vriend reeds aangekomen waren. In schijnbaar vroom gebed verdiept, toefden zij onder den eerbiedwaardigen boom, die op zich zelf een klein bosch vormde. Zijn dikke stam was door een menigte andere stammen omringd, die eens luchtwortels waren geweest en zich in den grond hadden vastgezet om op hunne beurt krachtige boomen te worden, die als zuilen het ontzaggelijk breede loofdak hielpen steunen, dat zich over een ruim grasperk uitspreidde.
Gemakkelijk was het te begrijpen, dat een kluizenaar jaren lang een schuilplaats in dit woud van stammen en wortels had gevonden. Kleine lampjes en nederige offeranden op den grond geplaatst verrieden de heilige plek, waarheen ook Radhen Goesik hare schreden richtte.
Zij wierp zich op den grond, dien zij eerbiedig kuste en deed haar door herhaalde hoofdbuigingen vergezeld gebed, maar zoo ooit dan was dit wel een gebed waaraan de geest ontbrak, een zielloos woord, dat ontdaan van zijn vleugels niet ten hemel vermocht op te stijgen; haar gedachten verwijlden slechts bij het gesprek, dat haar zoo dadelijk wachtte.
Toen zij gedaan had, stonden allen op. Kiai Hemboong begroette de vorstin, die genadig zijn groet aannam.
„Wij hebben denzelfden wensch gehad als gij, moedertje,” sprak de dwerg, „vergunt gij ons in uw gevolg terug te keeren naar het kamp? ’t Is waar, aan onze leelijke hoofden is zooveel niet verloren, maar toch een mensch heeft lief wat hij bezit, zei de tjelleng [11] toen hij weigerde zijn snijtanden te ruilen tegen het gewei van het hert.”
„Hoe grooter mijn gevolg is, hoe langer ik mij verbeelden kan nog prinses te zijn,” antwoordde Radhen Goesik, „ik heb behoefte aan de woorden van een oud en wijs man, Kiai, en het zal mij aangenaam wezen uit uw mond goeden en heilzamen raad te ontvangen.”
Zij wenkte hem in haar nabijheid te blijven en ging zoo snel voort dat er weldra eenige afstand tusschen hen en de overigen ontstond.
„Kiai,” zoo begon zij, „de dwerg heeft u ongetwijfeld verhaald dat het ’t geheime verlangen van mijn hart is terug te keeren naar mijn land, naar het heerlijke Karta-Soera. Men zegt, dat gij alle macht bezit over de ziel van uw zoon Soerapati, welnu, verkrijg van hem dat hij den dienst der Hollanders ontvlucht om mij weg te voeren uit het land der ballingschap.”
„Mijn macht over hem is slechts luttel, hooge Vrouwe, er is een ander die zijn hart aan zich bindt, met koorden hechter dan de stevigste, die uit de vezels van den kokospalm gevlochten worden. Zoolang die banden niet verbroken zijn, behoort hij met hart en ziel aan de verraderlijke, valsche vreemdelingen.”
„En kan de afstand, de tijd, die vezels niet ontrafelen?”
„Helaas! ik vrees van neen, prinses! Misschien zou er een middel wezen...”
„En dat is?”
„Wat noch tijd, noch afwezigheid vermag, dat zal misschien mogelijk zijn aan de leugen.”
„De leugen is een scherp wapen, snijdend als een goede kris, zoo zij gehanteerd wordt door ervaren hand.”
„Ik hoop u te bewijzen, vorstin, dat de hand van uw dienaar beproefd en zijn oog zeker is.”
„Hoe, ge wilt door een leugen trachten het hart van uw pleegzoon los te maken van dat der blanke vrouw?”
„Ik zal het doen als mijn schoone meesteresse het mij gebiedt.”
Aan de listige stembuiging van den grijsaard begreep Radhen Goesik, dat hij niets zou volbrengen als hem geen belooning werd aangeboden.
„Ik mis het recht u te bevelen, oude man!” sprak zij na een korte poos, „ik kan u slechts verzoeken en mijn verzoek versterken door de hoop op een schoone belooning. Zeg mij, wat ge wilt! Hebt ge geen dochter? Zij zal mijn hofdame worden als ik teruggekeerd zal zijn in het rijk van Mataram, of wilt ge liever dat ik aan uw zoon een vrouw beloof van aanzien en rang?”
„Uw dienaar heeft geen kinderen, Prinses, niets dan de zoon van zijn hart, die het niet is door zijn bloed. Zoo ik eenige belooning verlang, dan moet het hem een vergoeding zijn voor hetgeen ik hem ga ontnemen.”
Radhen Goesik klemde de lippen op elkaar; in hevige gemoedsbeweging golfde haar boezem op en neer, zij hield de oogen op den grond gevestigd tot zij ze plotseling opsloeg en een blik, waaruit al het vuur dat haar verteerde, gloeide, op den ouden man vestigde.
„Welke vergoeding ik hem schenken zal voor zijn blanke vrouw? Vraagt ge dat? Mij zelf! is dat niet genoeg voor hem, den gevluchten slaaf? Maar meer nog zal ik hem schenken, de bescherming mijns pleegvaders, den machtigen rijksbestuurder van Mataram en dus ook de gunst des keizers.”