Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 29

Chapter 293,966 wordsPublic domain

„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”

„Ik begrijp u niet!”

„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”

„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.

„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”

„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.

„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”

„En wat wilt ge dat ik doe?”

„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”

„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn....”

„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”

Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:

„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”

„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”

„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”

Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?

„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.

Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.

„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.

„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.

„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”

„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”

„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”

’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:

„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”

Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:

„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”

Robert stond op en antwoordde met vaste stem:

„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”

„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”

Sidderend kromp Robert ineen.

„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”

„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”

Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.

„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”

Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:

„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”

De wacht trad binnen.

„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.

V.

DE WAPENSCHOUWING.

In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.

De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.

Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.

Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek der gamelans en javaansche trommen begeleidde hen.

De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.

Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.

De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.

Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan wel driehonderd man konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs- en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.

Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.

Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.

Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses, die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.

Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.

Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.

De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:

„Vermetele, hoe durft gij?”

De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:

„’t Is gedaan, edele Heer!”

Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.

Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.

Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.

Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.

De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.

„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”

„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de grootste slaaf, „heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”

„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”

„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”

„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”

De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.

„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht, hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”

„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah [31] te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”

„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”

„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”

„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”

„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”

„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”

„Heldenmoed zal hun moeilijker te leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”

„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”

„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”

„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”

„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”

„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”