Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 28
Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.
Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:
„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”
Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder het half weggeschoven gordijn Radhen Goesik.
„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.
„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”
„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”
„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij....”
„Gunt ge mij die niet eens!”
„Welnu, spreek spoedig!”
„Als wij alleen zijn!”
„Verlaat ons dan, Robert!”
De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.
„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.
„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.
„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”
„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”
„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over u Koesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestige jaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”
„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”
Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:
„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”
Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.
„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”
„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”
Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.
„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”
Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.
„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”
Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.
„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”
IV.
DE VERZOEKING.
Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.
„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”
Robert haalde de schouders op.
„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”
„Ja.”
„Hoe kunt ge dat weten?”
„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”
„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”
„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”
De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.
Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.
Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.
Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.
„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”
„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”
„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”
„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”
„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”
„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”
Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.
Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?
Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder Amirang Koesoemo was nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.
Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.
„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.
„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”
„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”
„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”
Radhen Wiro Negoro glimlachte.
„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”
„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”
„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.
„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”
„’t Is waar, ik vertrap geen wormen... Spreek voort, monster!”
„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priester Sheik Abdoelah stookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”
„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”
„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”
En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.
„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.... wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”
Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.
Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.
„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”
Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.
Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.
„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”
„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.
„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”
„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravond was een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”
„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”
„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.
„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”
„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”
„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”
Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:
„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas en Sheik Abdoelah het regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”
„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”
„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”
„En wat wenscht ge dan?”