Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 27

Chapter 274,028 wordsPublic domain

Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.

„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”

Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.

„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”

Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.

Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.

„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”

Robert gehoorzaamde.

„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”

Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:

„Wie is deze vrouw?”

„Mijne moeder.”

„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.

Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.

„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”

„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”

„En haar... haar man?”

Robert bloosde en wendde zijn blik af.

„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”

„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.

„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.

„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.

„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”

„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”

„Inderdaad!”

„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”

„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”

Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:

„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen... schandelijk, laag!”

Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.

Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:

„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”

„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”

Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.

„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man... hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”

„Robert.”

„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”

Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.

„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”

„Hoe gij zijt...?”

„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”

„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!

„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”

En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.

„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden...”

„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”

„Hij is de mijne?”

„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”

Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.

„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”

„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”

„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal, al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”

„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.... Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”

Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.

„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”

En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.

„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”

„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”

En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.

„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”

„En zal ik dan vrij zijn?”

„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”

„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”

„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen...”

„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”

„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”

Robert dacht even na en sprak toen:

„Ik beloof het u.”

„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”

Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.

„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”

Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.

III.

DE GUNSTELING DES VORSTEN.

Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.

Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.

Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek der gamelans en die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.

Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.

Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.

Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.

De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.

„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.

„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.

„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”

„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”

„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”

„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.

Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:

„Neen, nog weet niemand er van!”

De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.

Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.

Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.

„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”

„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.

„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.

„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”

„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.

„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.

„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”

Radhen Goesik sidderde.

„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”

„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”

„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”

„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”

„Ik weet niet welk staatsbelang....”

„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”

„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:

„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”

En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.

Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.

„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”

Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.

De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.

„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”

„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”

„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”

De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.

„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.

„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”

Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.

„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”

Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.