Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 26

Chapter 263,975 wordsPublic domain

„En heeft de Pangeran Adipati naar hun voorslagen geluisterd?”

„Hij veinsde te luisteren, Heer, en vroeg uitstel om ernstig na te denken; in dien tusschentijd zond hij ons naar u ten einde uw meening te vragen aangaande het verleidelijk aanbod.”

„Hoe luidde dit aanbod?”

„De Compagnie beloofde hem genade en vergiffenis, alle eerbetuigingen, die een Javaansch prins toekwamen, het gezag over eenige landstreken, vrijheid voor hem, zijn vrouwen en kinderen.”

„En meent uw prins wellicht dat het hem beter zal gaan onder de bescherming der Hollanders dan onder de mijne? Zoo hij hiervan overtuigd is, hij trekke naar Batavia of Soerabaya en onderwerpe zich aan de Compagnie. Hij zal mij dan verlossen van de verplichting zijn rechten staande te houden tegenover Pakoe Boewana; ik zal met hem vrede kunnen sluiten naar mijn believen. Zeg uw meester, dat hij den kraton van Kediri onmiddellijk ontruime om zich aan de voeten der Hollanders te werpen.”

„Heer, uw geest loopt te snel onze woorden vooruit! Onze Gebieder heeft slechts toegeluisterd en meer niet. Hij wacht met te antwoorden tot hij uw gevoelens heeft vernomen.”

„Ik heb ze uitgesproken. Mij is er niets aan gelegen den Pangeran Adipati in mijn rijk te bezitten. Hij blijve of vertrekke naar zijn goedvinden. Wanneer hij meent mij tot zijn wil te kunnen dwingen door het aanbod dat mijne vijanden hem gedaan hebben, zoo vergist hij zich deerlijk; om zijnentwil schroomde ik niet mij de vijandschap op den hals te halen der Hollanders; alleen om hem te gerieven, bood ik hem een schuilplaats aan, waar het hem aan niets ontbreekt en nog is hij niet tevreden. Hij wenscht dat ik hem keizerlijke eer bewijs, hem, den vluchteling, dien ik uit genade heb opgenomen in mijn land. Hij acht het een onrechtvaardigheid dat ik hem geldelijken steun gevraagd heb wanneer ik voor zijn zaak de wapens opneem; liever wil hij overloopen naar zijn vijanden, die door zijn schuld ook de mijne zijn geworden. Wat belet mij aan Goesti Katawangan bevel te geven hem over te leveren aan Pakoe Boewana, zijn dierbaren oom? Deze zal hem nog hartelijker ontvangen dan de Hollanders, ik ben er zeker van.”

De gezanten bogen het hoofd ter aarde en smeekten:

„Genade Heer, genade! Dat was de bedoeling niet van onzen Heer. Hij vroeg slechts uw meening.”

„Die kent hij zonder er ook naar te vragen. Het is tijdverlies het boek dat men reeds verscheidene malen gelezen heeft, nogmaals te openen. Acht hij zich zelf Keizer of niet?”

„Ongetwijfeld, Heer, hij is de wettige opvolger der Soesoehoenans van Mataram!”

„Welnu, dan kan hij in eeuwigheid ook niet het recht van zijn oom erkennen; twee keizers kunnen niet tegelijk bestaan. Wil hij zich verzoenen met de Compagnie, het staat hem vrij, maar hij verzoene zich dan ook als Keizer, hij onderhandele met geen Chineesche boden, maar met den Grooten Heer van Batavia zelf; zoo deze hem als Keizer erkent, dan vervalt vanzelf zijn onderwerping aan Pakoe Boewana. Dit is mijn antwoord. Vertrekt in allerijl en brengt mijn woorden letterlijk aan uw meester over.”

En hij wenkte dat de boden uitgeleid zouden worden.

Thans was het de beurt van de gezanten, die Depati Soerabaya naar hem afvaardigde; deze verschenen eveneens al kruipend aan het eind van den pendoppo.

„Hoe maakt het mijn goede broeder, de Depati?” vroeg Radhen Wiro Negoro nu veel vriendelijker als daar straks, „welke boodschap brengt ge mij van hem?”

„De gezondheid van onzen meester laat niets te wenschen over, Edele vorst! Hij beval ons met eigen oogen ons te vergewissen van den toestand van zijn broeder, den machtigen Radhen Wiro Negoro.”

„Zeg uw meester dat de toestand van mijn lichaam uitstekend is, maar mijn geest wordt gedrukt door vele zorgen.”

„Helaas! Heer, dezelfde klacht ontsnapt ook de lippen van mijn meester, de tijden zijn donker en bang. Het is moeilijk den weg te vinden in de duisternis.”

„De weg kan lang en moeilijk zijn, dit ontken ik niet, maar wanneer men het doel vast en zeker in ’t oog houdt dan is er weinig kans tot verdwalen. Dit zal ook mijn broeder van Soerabaya ervaren.”

„Maar juist het doel Heer, is vaak moeilijk te onderscheiden.”

„Daarom verdwalen er zoovelen; maar de meesten gaan blindelings voort, zij tasten en zoeken, totdat zij in den afgrond storten.”

„Wanneer zij ten minste het geluk niet hebben een veiligen leidsman te vinden, en juist deze ontbreekt mijn meester, daarom zond hij mij naar Uw Hoogheid.”

„Zoo hij verlangt dat ik zijn leidsman zij, dan zal ik hem klaar en duidelijk den weg doen kennen, dien hij gaan moet.”

„Maar hij mag den rechten open weg niet volgen Heer, zijpaden moet hij inslaan wil hij niet geheel verderven.”

„Ik haat zijpaden en kronkelwegen, de rechte weg is mij altijd de kortste gebleken naar het doel. Uw meester heeft de vriendschap der Hollanders aangenomen, dat weet ik. Zal hij nu ook met hen tegen mij oprukken?”

„Niets zou hem meer leed doen Heer, maar hij kan niet anders doen... schijnbaar. Zijn schoonvader, de oude Panombahan van Madura is uw felste vijand en zoo mijn meester openlijk uwe zijde kiest dan is zijn lot beslist, de Hollander en de Madurees zullen hem verdrijven, hij is geheel aan hen overgeleverd. In het geheim hoopt hij uw zaak beter te dienen, dan hij het openlijk zou kunnen.”

„En op welke wijze dan?”

„Hij zal den veldtocht met zijn troepen medemaken, maar zijn soldaten zullen niet medevechten, integendeel op beslissende oogenblikken zal hun hulp den Hollanders falen, nog meer, hij zal hun vertrouwen winnen en hen voeren op dwaalwegen; gij zult alles weten, wat in hun kamp omgaat.”

„Uw meester is listig en sluw, zijn diensten zullen mij veel waard zijn, welke belooning verlangt hij daarvoor?”

„Bescherming voor zijn grenslanden in de eerste plaats en verder wat Uw Hoogheid in zijn hart rechtvaardig en billijk acht tot loon van zulke goede hulp.”

„’t Is goed, het vertrouwen van den Depati zal niet beschaamd worden; ik zal u geschenken medegeven ten bewijze van het verbond dat door ons gesloten is. Maar begrijp me goed en laat ook uw meester het begrijpen! Bij de eerste teekenen dat hij zijn belofte schendt, geef ik mijn krijgsvolk bevel het grondgebied van Soerabaya binnen te dringen, de akkers te vernielen, de dessa’s te plunderen, de kampongs te verbranden, de bewoners als slaven weg te voeren. Onthoud dit wel, ik ben een trouwe vriend maar ook een gevaarlijke vijand. Wanneer ik mijn woord geef dan, bij mijn kris, zal ik het houden.”

De gezanten bogen zich ter aarde bij ’t hooren zijner krachtige, dreigende stem en beloofden alles wat hij wenschte.

„Het zij dan zoo, ik noodig u uit op een feest, dat ik morgen in mijn kraton geef, een gevecht tusschen tijger en buffel; heden avond verwacht ik u echter aan mijn disch.”

En met een beweging vol trotsche genadigheid, gaf hij hen bevel zich te verwijderen.

„Breng nu de gevangenen uit het Tengergebergte vóór,” gebood de vorst.

De cipiers voerden de ongelukkigen in ’s vorsten tegenwoordigheid; zij waren aan elkander gebonden en zwaar geboeid; bij den ingang wilde de gevangenbewaarder hen dwingen naar den troon te kruipen. De Tengereezen gehoorzaamden bevend en kusten den grond.

Robert echter weigerde beslist; hij sloeg de geboeide armen over de borst zoodat de ijzeren ketens luid rinkelden en sprak:

„Ik ben geen Heiden of Muzelman maar een Christen en Christenen knielen slechts voor God.”

De gevangenbewaarder hief zijn stok op om hem door slagen tot knielen te dwingen maar het trotsche bloed van Robert bleef tegenstreven, hij wierp het hoofd fier achterover en riep uit:

„Ge kunt mij doodslaan maar kruipend maak ik dien weg niet; ik ben een mensch en geen viervoetig dier. De menschen zijn geschapen om rechtop door de wereld te gaan, de redelooze dieren om het aangezicht naar den grond te keeren.”

Radhen Wiro Negoro zag het verzet van den vreemdeling en glimlachte stil voor zich.

„Dwing dien man niet,” beval hij luid, „hij kome voor mijn rechterstoel, zooals hij verkiest!”

Met lossen gang en hoog opgericht hoofd schreed Robert voort, door twee cipiers gevolgd, terwijl de andere beschuldigden langzaam achter hem voortkropen en hij hen dus een eind voor raakte.

Bij den troon gekomen boog hij zich diep. Soerapati zag hem lang zwijgend en onderzoekend aan, toen wenkte hij de andere gevangenen ter zijde te laten.

„Hoe is uw naam?” vroeg de vorst eindelijk.

Robert noemde den naam, dien hij aangenomen had.

„Sidin.”

„Zooeven hebt ge verklaard Christen te zijn, hoe rijmt dat met uw Javaanschen naam?”

„Ik ben een kleurling, en onder hen zijn er velen, die den godsdienst van een hunner ouders volgen.”

„Wat komt gij in mijn landen doen?”

„Mijn fortuin maken.”

„Men heeft mij de kleinoodiën gebracht die met de wapenen bij u gevonden zijn. Was het uw eenig doel ze hier te verkoopen?”

„Welk ander doel zou ik hebben.”

„Misschien zijt gij een spion!”

Robert schrikte hevig, want deze woorden werden in zuiver Hollandsch gezegd; vreemd, wonderbaar schier klonk hem zijn moedertaal in deze geheel Javaansche omgeving uit den mond van den Balineeschen vorst.

„Ik ben verloren,” dacht hij, „en niet alleen ik, aan wien weinig gelegen is, maar mijn zending is mislukt.”

„Het is aan u dat te bewijzen,” gaf hij ten antwoord, eveneens in het Hollandsch, „ik heb u gezegd wat mijn doel was, en er is voor u geen reden mij van onwaarheid te verdenken. Zoo ik niet door een toeval in het Tengergebergte verdwaald en opgehouden was, zou ik zonder ongeval in Banjoe Biroe zijn gekomen om mijn waren aan uw prinsessen te koop te bieden.”

De vorst luisterde aandachtig en bleef een oogenblik nadat Robert reeds zweeg in diep nadenken verzonken. Eindelijk begon hij:

„Uw Hollandsch is niet dat van een kleurling. Waar zijt gij geboren?”

„Op Batavia.”

„En wie uwer ouders was Hollander?”

„Mijn moeder.”

„Dat is niet alledaagsch. Zijt gij in Europa geweest?”

„Ja,” antwoordde Robert kortaf, hij gevoelde dat die man met zijn adelaarsblik weldra geheel zou doordringen in al zijn geheimen en dat hij dus met verdubbelde waakzaamheid zich zelf moest verdedigen, doch leugens waren wapenen, die hij liefst niet gebruikte dan in uitersten nood.

„En dan zoudt ge als een marskramer hier rondgaan om uw waren te verkoopen? Waarlijk in Europa hadt gij iets beters kunnen leeren.”

„Is het dan niet een benijdenswaardig beroep, de schoonheid van vorstinnen te verhoogen door haar sieraden te bezorgen?”

De vorst glimlachte.

„Voor een koopman hanteert gij bijzonder goed de wapenen. Zijt ge misschien ook in krijgsdienst geweest?”

„Ook daarin heb ik mijn geluk beproefd!”

„Mij dunkt een jonge, krachtige man als gij zou betere diensten als krijgsman kunnen bewijzen aan uw land, dan als marskramer.”

„Men kiest zelf zijn ambacht niet.”

„Waar zijt ge geland?”

„In Pasaroean, met een visschersschuit.”

„Van waar kwaamt ge toen?”

„Van Soerabaya!”

„Hebt ge ook beproefd aan de gemalinnen van den Depati of aan de talrijke prinsessen van den Panombahan van Madura uwe sieraden te verkoopen?”

„Neen!”

„Dat vind ik ten hoogste raadselachtig; de hoven van Madura en Soerabaya zijn tuinen tot overladens toe van bloemen voorzien; mijn hof echter bezit slechts eenige schaarsche sierplanten. Wist ge dat niet?”

„Juist daarom wilde ik aan uw vorstinnen mijn kleinoodiën brengen; bloemen, die eenzaam staan zijn gewoonlijk schooner in kleur en frisscher in geur dan die, welke elkander in bonte verscheidenheid verstikken. Kostbare planten bewaart men in bloempotten, maar gemeene bloemen groeien in het wild.”

„Uw antwoorden vallen snel en vaardig als de pijlen van een geoefenden boogschutter; ik heb behagen in uw taal, o, jonge man, al begrijp ik dat gij mijn vijand zijt, die hier binnengeslopen zijt om de geheimen van mijn rijk aan de Hollanders te verraden. Uw kleur maakte u ten hoogste geschikt voor deze taak.”

„Ik ben de beschuldigde, gij zijt mijn rechter! Het is aan u deze beschuldigingen waar te maken.”

„Welnu, toen men u alles afnam, wat gij bij u droegt, heeft men nog een pakje gevonden, dat gij met de kracht der wanhoop verdedigdet; ge hebt het niet willen afstaan en toen men geweld gebruikte, deedt ge een beroep op mij. Aan mij alleen wildet gij het overgeven!”

„Ja, dat heb ik gedaan! En zoo gij het verlangt zal ik ’t u toevertrouwen, maar dit zweer ik u bij alles, wat mij heilig is, zij bevatten niets wat op verraad of spionneering betrekking heeft. Het zijn stukken die mij persoonlijk toebehooren en niemand anders eenig belang kunnen inboezemen, maar mij zijn ze kostbaarder dan mijn leven. Wilt gij ze bewaren, dan zal ik ze u geven. Onder een voorwaarde echter! Zoo gij mij de vrijheid terugschenkt, dan smeek ik u ze mij weder ter hand te stellen, en zoo ik veroordeeld mocht worden tot den dood, laat ze mij dan behouden tot mijn laatsten snik en met mij in het graf nemen. Waarde bezitten zij niet, ik herhaal ’t u nogmaals.”

Hij nam een koord van zijn hals, waaraan een zakje van zwarte zijde hing en reikte beide aan Radhen Wiro Negoro over. Deze nam ze aan en legde ze op zijn knieën neder er zijn linkerhand op drukkend.

„Ik beloof ’t u! Zoo ge waarheid gesproken hebt, zal ik handelen volgens uw verlangen,” zeide hij ernstig en beslist. „Maar nu gaan wij over tot de behandeling der Tengersche gebeurtenissen. We zullen ons thans weer van het Javaansch bedienen. Cipier, breng de andere gevangenen voor.”

Het onderzoek begon, en spoedig werd het den vorst duidelijk dat men op deze wijze weinig vorderde. De Tengereezen wisten van den eigenlijken roof op Siwangi gewaagd niets dan van hooren zeggen, den nachtelijken aanval hadden zij allen bijgewoond. Robert verhaalde eenvoudig en naar waarheid, dat hij dien morgen dwalend over den bergrug, menschen had hooren aankomen, en om zijn kostbaarheden niet in gevaar te brengen, verschool hij zich in het struikgewas aan de helling.

Druk gepraat, levendige smeekingen, eindelijk vrouwelijk angstgeroep troffen zijn oor; op handen en voeten kroop hij naar den bergrand en zag een jong meisje zich radeloos verdedigen tegen een twintigtal mannen.

Zonder te bedenken welke gevolgen zijn handelwijze na zich kon slepen, schoot hij zijn pistolen af en het gelukte hem de aanvallers op de vlucht te jagen.

„Ik wist niet dat de vrouwenroover een prins was,” sprak Robert, „ik zag in hem niets anders dan een boosdoener. Had ik het geweten, ik zou stellig niet anders hebben gehandeld. Het is de plicht van elken man bedreigde vrouwen ter hulp te komen.”

„Gij kent goed uw plicht naar ’t schijnt!” sprak de vorst nu weer in ’t Hollandsch. „Wie leerde u dat?”

„Eene vrouw, wier lessen ik helaas! maar al te dikwijls heb verwaarloosd.”

„Uwe moeder?”

„Ik heb mijn moeder niet gekend.”

„Uw vrouw?”

„Ik heb geen vrouw.”

„Een zuster?”

„Evenmin.”

„Een bruid?”

„Neen, een vriendin.”

„Die kennen wij hier niet,” zeide de vorst, die er zichtbaar behagen in vond Hollandsch te spreken en te hooren spreken.

Hierop werd de tweede aanval behandeld en nu moest ook Mas Lembono voorkomen om getuigenis af te leggen over de gebeurtenissen van den nacht. Zijn getuigenis was verward; hij gaf het met een verstoord gelaat en hortende stem; het was haast niet mogelijk hem tot spreken te dwingen.

Telkens en telkens vlamden Soerapati’s oogen op; hij bedwong blijkbaar zijn toorn en wierp zijn zoon blikken toe, welke deze niet verdragen kon.

„’t Is goed,” sprak hij eindelijk opstaande. „Het verhoor is voor vandaag geëindigd; weldra zal ik rechtspreken. Brengt de gevangenen naar den kerker terug!”

De vorst verwijderde zich terwijl alle bekkens en gongen in beweging werden gebracht om hem een afscheidsgroet te brengen. Hij keerde naar zijn bijzonder vertrek terug, waarvan de ingang door bonte gordijnen van de overige ruimte afgesloten was. Driftig schreed hij op en neer; verontwaardiging tegen zijn zonen vervulde hem geheel.

„De lafaards,” mompelde hij, „dat kunnen zij, vrouwen rooven, godsdienstige gebruiken tot masker verlagen van hun onheilige doeleinden. Liegen, bedriegen ’t is de vloek van ons ras en die knapen moeten vorsten worden, in staat om den beschaafden Hollanders het hoofd te bieden. Hoe klein, hoe nietig stond mijn prins tegenover dien anderen man, in wiens aderen enkele druppelen Europeesch bloed stroomen. Hij weet wat hij wil; hij kan zwijgen. Hij zal zijn volk niet verraden, zelfs niet ten koste van zijn leven; hij weet wat plicht, wat eer gebieden. Voor mijne zonen zijn dit woorden zonder beteekenis, ijdele klanken; ik hoorde hem graag dien jongen, liever dan den laffen Lembono.”

Daar herinnerde hij zich eensklaps dat hij het zwart zijden zakje van den gevangene nog in de hand hield; hij zette zich aan zijn tafel neder en weifelde een oogenblik.

„Ik zal het toch openen; ik wil weten of hij een leugenaar is,” mompelde hij en zijn kris nemend sneed hij het open.

Er vielen eenige papieren uit, een halve zilveren penning, een portret, enkele verdroogde bloemen, een blauw lint, herinneringen aan zijn moeder en aan Digna.

„Liefdesgedachtenissen, meer niet,” sprak Soerapati glimlachend, „geen stukken die zijn taak omschrijven.”

Plotseling verbleekte hij en sprong op, beurtelings nam hij het portret op en den penning, liet ze vallen en ontsloot snel een schildpadden kistje, dat ter zijde van hem stond; zijn bevende vingers zochten daarin zoolang tot hij een zilveren schijf vond, hij paste deze aan den halven penning. Hij werd één geheel; als verpletterd zonk hij op zijn zetel terug, het portret in zijn eene hand geklemd, den penning op de tafel drukkend.

„Is ’t mogelijk, groote Goden,” stamelde hij... „haar zoon.”

II.

VADER EN ZOON.

Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.

Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van den gamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.

Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.

Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.

Als hij door een harden slag van den gamelan of door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.

„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”

Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!

Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.

Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizer Pakoe Boewana, dien hij naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!

Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.

Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.

„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.

„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.

Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.

De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:

„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”

„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”

„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”