Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 24
„Kom nader, arm meisje! Zie me aan, ik ben degene niet die u zoo wreed behandelde;” begon zij meer moed te vatten.
„Ik vergis me;” stamelde zij eindelijk, „uw trekken zijn schier dezelfde als die van Mas Pengantin, maar uwe gelaatskleur is lichter en uw stem klinkt niet scherp en barsch als de zijne, zelfs wanneer hij liefkozen wil. Vergeef mij, de smart maakte mij schier waanzinnig! Gij zoudt broeders kunnen zijn maar twee broeders geheel verschillend van inborst en neigingen.”
Zij liet zich nu gedwee als een kind naar binnen leiden; vervolgens droegen de vrouwen onder luid snikken en klagen ook het lijk van den grijsaard in de hut, waar zij hem de laatste zorgen wijdden.
Intusschen was de vreemdeling, in wien wij Robert herkenden, op de baleh-baleh rustig in slaap gevallen; toen hij ontwaakte was de zon reeds hoog aan den hemel, een verward gedruisch van aankomende mannen en vrouwen deed zich hooren, vroolijke scherts en druk gepraat hield hen bezig, toen zij in de feestelijkste stemming het dorp naderden.
Groot was hun ontzetting toen plotseling Siwangi met verwarde haren en dik bekreten oogen, hen te gemoet vloog.
„O broeders, o bruidegom! weent met mij, klaagt zoo luide dat de onsterfelijke goden het hooren! Onze vader is niet meer!”
„Hij is gestorven en op dezen vreugdedag? Wee ons, dat voorspelt niets goeds!”
„En hoe is hij gestorven! Ach! bijna had nog grooter ramp ons getroffen, uw zuster, uw bruid ware weggevoerd geworden door een gewetenloozen prins. Schande en oneer ware haar deel geworden; en onze arme vader zou geschandvlekt nederdalen in de koele aarde!”
„Meisje, ge spreekt koene taal! Zeg ons, wie heeft zich op zulk een wijze aan u vergrepen? Wie verkortte het leven van onzen eerbiedwaardigen vader?”
„De zoon van onzen vorst, de onwaardige Mas Pengantin. Slechts huichelarij deed zijn broeder u vergezellen op den heiligen tocht; een voorwendsel zocht hij om mij te belagen. Hij wist dat ik alleen zou achterblijven. Hebt ge hem gezien in de Dasar met zijn gewonden arm?”
„Inderdaad, we zagen hem, hij trof zijn broeder aan bij het feest, waar is hij heen gegaan? Welk loon moet den verrader treffen?”
„Zullen we onze bruiden, onze zusters niet weerloos kunnen achterlaten in onze huizen?” riep de vurige Dorowadi uit, „nooit hebben wij den strijd gezocht, nu echter is ’t onze plicht ons te wreken op den ellendeling, die misbruik maakt van zijn vorstenbloed.”
„Maar wie heeft u gered, Siwangi?”
„Deze dappere held,” antwoordde het meisje en wees op Robert, die met kalmen blik de verontwaardiging der Tengereezen beschouwde. „Hij is mijn redder, Dorowadi laat ons hem danken!”
En beiden knielden voor hem neer en kusten zijn voeten.
„Wonderlijk,” fluisterde een der landlieden tot den andere, „als ik het niet beter wist zou ik zeggen prins Pengantin in eigen persoon.”
„Ja, de gelijkenis is treffend, maar ook het verschil valt dadelijk op.”
Dien nacht werd er weinig geslapen in Tosari; de jongste broeder van Siwangi en Dorowadi gevolgd door verscheidene jongelingen, bleven waken. Hun voorzorg was niet nutteloos; midden in den nacht hoorden zij de tjemaraboomen, die den bergrug bedekten ruischen, de takken der hooge varens kraakten als werden zij vertrapt; alles deed een overval vermoeden, de jonge mannen ijlden naar de paggers en stelden zich in staat van tegenweer, hoewel zij zich nog schuil hielden. Uit de diepte stegen de mannen op van Mas Lembono vereenigd met Pengantins helden; behoedzaam naderden zij het dorp, dat zij in diepe rust gedompeld waanden.
De door zijn hartstocht verblinde prins ging aan hun hoofd, hij toch wist den weg naar het huis; hij vreesde de geweerschoten niet meer, hij had alles vergeten, alles, behalve het voorwerp van zijn brandend verlangen. Niets zou gemakkelijker zijn, meende hij dan te dringen in de woning waar Siwangi sliep, het meisje in de verwarring te rooven, terwijl de dessabewoners met zijn gevolg slaags raakten.
Als het inlanders gold, die zichtbaar waren bovendien, dan kon hij gerust op hun moed vertrouwen; hij zou met Mas Lembono in allerijl wegvluchten, de mannen bleven vechten, wellicht zouden de Tengereezen al zijn dienaren vermoorden, wat nood? Hij en zijn broeder met het geroofde meisje waren veilig, al moesten deze allen geofferd worden, hij had zijn doel toch bereikt en kon tevreden wezen.
Met dit plan naderde Mas Pengantin de pagger, toen plotseling het luide geroep van: „Amok, amok!” weerklonk, toortsen flikkerden van alle kanten, een roodachtig licht gloeide boven de dessah, alles verliet de huizen en snelde voorwaarts naar de pagger.
Ook Robert was opgestaan, hij laadde zijn pistolen en ijlde met de dorpelingen de aanvallers te gemoet. Reeds bij de eerste schoten, die hij loste, ontstond er verwarring in het kamp, niemand durfde nog een stap voorwaarts doen, want zij misten allen vuurwapenen.
De eenige man, die met zijn los kruit in het wilde schoot was hun aller meester, de beide prinsen zagen dat hier niets te doen viel en volgden weldra de vluchtelingen, die in allerijl tusschen de bosschen verdwenen.
In Tosari echter bleef men den nacht doorwaken, en bewees schier godsdienstige eer aan den ridderlijken beschermer hunner woningen.
Den volgenden morgen werd het lijk van Siwangi’s vader in linnen gewikkeld en de geheele familie gevolgd door alle dorpelingen vergezelde het onder luid gejammer naar de begraafplaats. Daar was een graf van drie voeten diep gegraven; men legde er het lijk in, zorgdragende dat het hoofd naar den Bromo gekeerd werd; zijn zonen bedekten het toen met bamboes, waarvan een holle bamboe ter hoogte van den mond overeind werd gestoken; daarin zou Siwangi gedurende zeven dagen een verkwikkenden drank gieten om haar vader den dorst te lesschen; andere spijzen werden dicht bij het graf geplaatst.
Nu keerden de familieleden zich tot elkander en vroegen op schreienden toon:
„Ontbreekt er ook een uwer?”
En allen antwoordden jammerend en klagend:
„Ja, een ontbreekt. De oudste, de beste onder ons; onze veelgeliefde vader!”
Eindelijk namen zij met gebogen hoofden en vol teekenen van rouw den terugweg aan.
Zeven dagen lang moest den doode spijs en drank gebracht worden, daarop maakte men de bamboe dicht en staakte het brengen van eten; uit den stam van een pisangboom vormde men toen een soort van pop, waarvan hoofd en armen rijk met bloemen werden behangen. Deze plaatste men bij de heilige haardstede, waar haar eten aangeboden werd onder het opzeggen van gebedformulieren, het besprenkelen met water en het branden van wierook.
De oudste zoon nam eindelijk met grooten eerbied de pop in de armen en ging naar buiten door de anderen gevolgd.
„Ach,” weeklaagden allen, „waarom verlaat gij ons? Waren wij niet goed voor u? Hebben wij u niet opgepast met alle zorg en liefde? En nu gaat gij heen!”
Met veel plechtigheid werd dat zoogenaamde beeld van den afgestorvene eindelijk verbrand.
Deze zeven dagen bracht Robert bij de goede, eenvoudige menschen door en deed nieuwe krachten op voor de moeilijke en gevaarlijke taak, die hem opgedragen was.
Tot nu toe had hij nog zeer weinig daarvoor kunnen verrichten want toen hij in Pasoeroean aankwam, werd hem gezegd dat Radhen Wiro Negoro in zijn buitenverblijf te Kotta Malang verblijf hield.
Robert droeg allerlei Hollandsche snuisterijen bij zich, die hij van plan was aan het hof te verkoopen, om zich aldus ongezocht den toegang tot het paleis te verwerven; voorloopig had hij onder het volk verkeerd en uit hun gesprekken zooveel mogelijk bijzonderheden opgevangen van de regeering van Soerapati. Zijn koopwaren, kleine spiegeltjes, miniatuur huishoudelijke voorwerpen van gedreven zilver, platen en vrouwensierselen werden bewonderd en gekocht.
„Waarlijk als ik hier geen ander doel had dan te verkoopen, zou ik kans hebben gauw rijk te worden,” dacht Robert maar het verkoopen was bijzaak en hij moest zorgen dat zijn voorraad niet uitgeput raakte.
Hij had een paar prachtige oorknoppen meegekregen, die voor de vorstin Radhen Goesik Koesoema bestemd waren en die hij dan ook haar alleen wilde laten zien; hij vroeg om den weg naar Malang en het toeval beschikte dat hij met eenige Tengereezen, die hem spoedig als de eerlijkste en meest vertrouwbare Javanen voorkwamen, een gedeelte van den weg kon maken; de bergbewoners, hadden echter haast om het groote feest bij te wonen.
Na hem den weg zoo goed mogelijk te hebben uitgelegd, verlieten zij hem aan den voet van den berg en nu raakte hij aan het dwalen; ondanks zijn kompas, viel ’t hem moeilijk zoo niet onmogelijk zich door deze wildernis een weg te banen. Hij besloot toen op te stijgen in de hoop een dorp aan te treffen of ten minste een gedeelte van de feestelingen op hun terugtocht van de Dasar; in plaats daarvan was ’t hem gegeven den roof van Mas Pengantin te beletten en de dankbaarheid te verwerven der eenvoudige landlieden, die hem niet wilden laten gaan, vóór dat hij geheel hersteld was van zijne vermoeienissen.
VII.
BANJOE BIROE.
Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.
Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.
Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen Goesik Koesoema.
De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.
Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.
„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”
In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.
„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”
„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”
„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”
„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”
„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”
„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”
Radhen Goesik zuchtte:
„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ik Poerbaya’s gade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven....”
„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”
„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij vreest het.... doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”
„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijn liefkoozingen boodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”
„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn... laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”
„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”
„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blanken Christenhonden na te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”
„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”
„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”
„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”
„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”
„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”
„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu....”
„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”
„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa [30] gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”
Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.
„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”
„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”
„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”
Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.
„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”
„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”
„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”
„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”
„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”
„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”
Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken in Koesoema’s gemoed, werd haar echter bespaard.
Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.
„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.
„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.
„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.
„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”
„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”
„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”
Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma, Boeddha of Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.
„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”
„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”
En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.
De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.
„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”
„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.
Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.
Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.
Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:
„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”
„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”
„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”