Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 23

Chapter 234,072 wordsPublic domain

Het was een mooi, slank meisje; haar dikke lokken vielen, nog nat van het water, dat ze bevochtigd had, los over haar schouders neder, zij droeg een mand vol bloemen in de linkerhand; haar groote zwarte oogen bleven met eerbied op den Bromo gevestigd en een droevige uitdrukking gleed over haar gelaat, die geheel in overeenstemming was met den zucht, die haar lippen ontsnapte maar dadelijk weer speelde er een glimlach over, terwijl zij met haar bloemen plaats nam onder het afdak, waar een oude man zich in de jonge zonnestralen zat te koesteren.

Zij zette zich aan zijn zijde neer, nam de melati-knoppen in haar hand, ontdeed ze van de harige kelken en stak ze toen in de slangvormige bladen van kenanga’s, waardoor de eenvoudige bloem niet alleen versierd werd maar ook tevens de beide zoo verschillende geuren zich met elkander vermengden.

„Betreurt mijn dochter het niet, dat zij hier alleen moet achterblijven terwijl haar bruidegom en al haar speelgenooten deelnemen aan het groote offerfeest?” vroeg de grijsaard.

„Hoe kan ik iets betreuren, dat mij reden geeft tot vreugd, of is het geen vreugde, die mij geschonken wordt, nu mijn vader de volheid der jaren genieten mag en het mij vergund is hem terzijde te blijven?”

„Het is een overbodige zorg van mijn lieve Siwangi, dat zij het gezelschap offert van haar vriend en haar vriendinnen om mij dezen dag nabij te blijven. Niets zou mij heden ontbroken hebben; ik ware stil op mijn plekje gebleven, een gedienstige buurvrouw had mij licht eenige versnaperingen gebracht, en zij zou mij bij uw terugkomst hier weergevonden hebben zooals zij mij verlaten had.”

„En als weer een ongeval mijn armen vader treffen moest, als hem de wereld opnieuw onzichtbaar werd, gelijk onlangs toen ik met mijn broeder en schoonzuster onzen tuin omspitte en wij u bewegingloos terugvonden op de bank binnenshuis? Neen vader, voor alle schatten, die de goede Godin verleenen kan, zou ik u dezen dag niet alleen hebben gelaten.”

„Moge Batoro Goeroe de algoede Schepper en Behouder van alles wat bestaat uw kinderlijke liefde zegenen mijn dochter, en naast uw bruidegom Dorowadi een lang en gelukkig leven schenken. Hij verleene mij de gunst uw bruiloft nog in persoon bij te wonen en niet onder de levenlooze beelden plaats te nemen, die de plechtigheid opluisteren.”

„O vader, uw sterfuur zal nog lang verwijderd zijn.”

„Mijn kind, de tong spreekt zoo gaarne uit, wat het hart wenscht, maar het lot der menschen hier beneden staat niet in de macht van den sterveling, het is de onveranderlijke wil der heilige Godheid; wat eenmaal beschikt is moet gebeuren, er is geen ontwijken aan de bestellingen des Hemels. Dood en leven behooren den grooten Albeschikker toe, Hem te wederstreven is groote zonde.”

„Siwangi weet het vader, zij weet het en daarom heeft zij het vuur hoog doen opvlammen en het versierd met kransen van bloemen en vruchten, nog een kroon van deze welriekende kenanga’s en melatis wil zij samenvoegen om ze aan den verheven geest van den Bromo ten offer te brengen. Morgen zal zij met Dorowadi nogmaals den berg beklimmen en de zandzee doorwaden om haar gaven neer te werpen in den eerbiedwaardigen vuurmond. Zij zal het doen om den zegen te vragen voor onze echtverbintenis en tevens om een lang en gezond leven voor haar vader af te bidden.”

„Laat uw hart geen wantrouwen koesteren Siwangi, over de raadsbesluiten der Godheid; wanneer zij bepaald heeft dat de dagen van haar dienaar zullen eindigen vóór dat uw vereeniging met Dorowadi gesloten is in een der gunstige maanden, dan zullen uw vrome offers, mijn arm kind, dit lot niet afwenden van mijn hoofd. Oorlog en dood, leven en lijden, dit alles hangt af van den wil der verhevene hemelmachten, het is niet mogelijk daaraan te ontkomen! En wat zoude ik ook nog meer wenschen op deze aarde? Zijn mijne zonen niet gelukkig met de vrouwen hunner keuze, heeft mijn dochter niet haar woord gegeven aan den man, wien ik haar gaarne vertrouwde? En bovenal mag ik niet tevreden zijn daar thans uit mijn land de goddelooze volgelingen van den Islam verdreven zijn en onze vorst evenals wij eenvoudige bergbewoners, den almachtigen Batoro Goeroe als zijn Opperheer erkent en vereert?

„Radhen Wiro Negoro heeft Hem een heerlijken tempel toegewijd.”

„En zijn zoon heeft zich bij ons volk gevoegd om de geesten, der Dewahs in hun verblijfplaats te vereeren.

„Men zegt immers dat Mas Lembono zich ook naar de Dasar heeft begeven. De groote Bromo vergelde het den machtigen der aarde, die hem ootmoedig vereeren.”

„Moge het waarlijk ootmoed en godsvrucht zijn, die den prins deden besluiten deel te nemen aan ons feest.”

„En wat zou het anders kunnen zijn, Siwangi?”

Maar het meisje antwoordde niet, zij hoorde stappen de woning naderen.

„Het zal onze buurvrouw zijn,” sprak zij en stond op—maar het was geen vrouw, die plotseling voor vader en dochter verscheen maar een man nog in den eersten bloei des levens; zijn kleeding was van fijne stof, een lang afhangend jak verborg echter als een mantel alle onderdeden daarvan.

„Wees gegroet, jonge dochter,” sprak hij en met de handen op de borst gekruist, boog hij zich eerbiedig voor de schoone Siwangi, „veroorloof een armen verdwaalde, dat hij het nederig verzoek tot u richt, hem den weg te wijzen naar de grijze zandzee.”

„Niets zal haar aangenamer wezen Heer, dan u op het goede pad te voeren,” antwoordde Siwangi vrijmoedig en zich tot haar vader wendend, vroeg zij: „veroorlooft gij uw dochter vader, dat zij dezen vreemdeling een eind begeleide?”

„Wie zijt gij?” vroeg de grijsaard, en richtte zijn doordringende oogen op den nieuw aangekomene.

„Ik ben niet alleen, oude vader!” hernam deze, „daar komen mijn gezellen. Wij behooren tot het gevolg van prins Lembono die opwaarts gestegen is om aan den heiligen berg zijn hulde te brengen, doch in de duisternis van den nacht verloren wij hen uit het oog, dwaalden door de bosschen en zegenen het toeval, dat ons op dit bekoorlijk plekje brengt.”

„Wanneer gij een vriend zijt van den zoon van onzen edelmoedigen en dapperen vorst, dan roepen wij u van harte welkom toe. Had de ouderdom mijn beenen niet stram en stijf gemaakt, ik zou opstaan van mijn zitplaats om u nederig te begroeten en u tevens te verzoeken aan uw oppermeester te zeggen, hoe dankbaar de harten van ons, Tengereezen, voor hem kloppen. Toen onze groote stamvader Kiai Dadap Poetih door het zwaard van den Islam uit zijn paleis van Modjopahit verdreven werd, vluchtte hij naar dit schier ontoegankelijk gebergte, en deed zijn kinderen en volgelingen zweren trouw te blijven aan de leeringen en voorschriften van onzen godsdienst, nimmer zich te voegen naar de al te verleidelijke lessen van den Arabischen profeet en zoo zijn wij hier gebleven en vormden een hoogst gelukkig volk, en ik mag het gerust zeggen met rechtmatigen trots, de reinheid onzer zeden vormt een heerlijke tegenstelling met de diepe verdorvenheid, die aan gindsche zijden der bergen heerscht.”

„Ja, de deugden der Tengereezen zijn overal bekend en beroemd,” sprak de andere min of meer spottend en ongeduldig.

„Aan het hof van Radhen Wiro Negoro worden onze voorschriften opnieuw in eere gebracht. Veelwijverij is in zijn naaste omgeving ongeoorloofd, heeft men mij gezegd en door deze wet heeft hij tusschen de Mahomedanen en zichzelf een afgrond gegraven. Is dat waar?”

„Gij zijt wel onderricht.”

„Batoro Goeroe zij geprezen! Sinds jaren ben ik hier in dit dorp de oudste, ziekte en ouderdom beletten mij deel te nemen aan den feestelijken tocht, welken ik zoo dikwijls aanvaardde. Vele dingen heb ik gezien in mijn lang leven en over vele zaken dacht ik rijpelijk na en zoo kwam ik tot de overtuiging dat er twee oorzaken zijn, die een volk opheffen of te gronde richten; de godsdienst en de vrouw!”

„Vergeef mij, goede vader! Een volgenden keer zal uw zoon gaarne naar uw wijze taal luisteren, maar wij moeten ons haasten onzen tocht te vervolgen. Zie slechts, hoe hoog de zon reeds boven gindsche bergtoppen staat, wij moeten ons haasten, willen wij onzen meester nog in de zandzee ontmoeten. Wellicht wil de schoone jonkvrouw ons wel den weg wijzen.”

„Mijn dochter is een eenvoudig landmeisje, Heer en niet gewend aan de hoofsche spreektaal der grooten en edelen. Verschoon haar bescheidenheid en prijs geene gaven die zij aan de goedheid der goden dankt en waarop zij dus geen roem mag dragen. Vergezel de heeren een eind weegs Siwangi, totdat zij zonder verdwalen den bergtop kunnen bereiken en kom dan ijlings terug!”

Siwangi wenkte den jongen man en zijn makkers, die op kleine zwarte paarden gezeten waren, haar te volgen en zij hadden weldra het dorp achter zich; de vreemdeling liet zijn paard onder de hoede der andere ruiters en ging naast het jonge meisje voort, dat met het grootste gemak den steilen weg volgde over de groene rib, die naar den krater voerde.

„Uw leven moet hier toch zeer doodsch en eentonig wezen,” sprak de reiziger, „elke dag is gelijk aan den andere.”

„Wat deert mij dat?” antwoordde Siwangi, „indien elke dag door den Hemel met kalmte en vrede gezegend is.”

„Hoe brengt gij uw dagen dan door!”

„Tot nu toe hielp ik mijn broeders hun tuinen beplanten en te verzorgen, weldra zal ik in dien van mijn echtgenoot mogen werken!”

„Hoe, ge zijt verloofd en uw bruidegom zal u hard laten arbeiden in den ondankbaren grond?”

„De grond is niet ondankbaar, Heer! Integendeel hij beloont onze pogingen met rijke vruchten, en is dat niet de grootste zegen voor zichzelf en zijn gezin te mogen arbeiden?”

„Maar uwe handen, schoon kind! zijn niet geschapen om den patjol te hanteeren; evenmin als uw voeten om zich te verwonden op de hoekige punten der rotsen. Een beter lot heeft Batoro Goeroe, de rechtvaardige u beschoren.”

„Ik verlang geen beter lot,” hernam het meisje eenvoudig, „ik ben tevreden met mijn leven, vooral wanneer ik Dorowadi mijn echtgenoot zal mogen noemen.”

„Gij stelt niet veel eischen! Weet gij dat prinsessen u dat heerlijke haar zouden benijden?”

Verlegen bond Siwangi haar lokken op in een lossen wrong.

„Waarom martelt gij ze? De sterren schamen zich als zij den glans van uw hoofd aanschouwen? De vogels zijn in onrust als zij uw stem hooren, want gij overtreft hen allen. Waar zou ik uw gelijke vinden? Gij zijt zoo schoon, vooral omdat gij niet weet wat schoonheid is, o kon ik ’t u zeggen! Ware ik de kristalheldere beek om de regelmaat uwer trekken, het vuur uwer oogen te weerkaatsen, want andere spiegels kent gij niet, o schoonste der vrouwen!”

„Heer! Gij schertst met mij! Van hieruit zal ’t u gemakkelijk vallen den weg naar de Dasar te vinden, vergun dat ik terugkeere naar mijn huis en naar mijn vader.”

„Waarom wilt gij mij verlaten? Ge kastijdt mij met uwe lippen, ge straft mij door het afwenden der zwarte diamanten, die gij uwe oogen noemt. Waaraan heb ik zooveel wreedheid verdiend? Schoot ik te kort in eerbied jegens u? zeide ik iets dat u met angst vervullen moet? Zeg mij, wat ge verlangt, maar ontneem mij het onuitsprekelijke geluk niet van uw bijzijn!”

„Heer laat me gaan! Ik versta niet, wat ge mij zegt, en ik wil het ook niet verstaan want ik geloof dat het niet voegzaam is naar u te luisteren. Laat uw dienares terugkeeren, Heer! haar taak is geëindigd, zij deed wat zij beloofde.”

„En nog ben ik niet tevreden! Nog verlang ik meer van u. Word mijn vrouw, Siwangi, mijn geliefde!”

„Hoe gij kent mijn naam!”

„Ik kende dien reeds sinds lang. De wensch om u te zien en te spreken voerde mij hierheen.”

„Op den dag, dat ik weerloos zou wezen, dat slechts een grijsaard mijn gezelschap was, gij hebt mij verraden, bedrogen! Laat me terugkeeren, Heer! ik smeek het u!”

Hij was nader en nader tot haar gekomen, op slechts korten afstand volgden zijn gezellen en sloten haar den weg tot terugkeer af; zij zag om en schrikte terug. Geheel en al bevond zij zich in de macht der vreemdelingen; haar vervolger strekte den arm uit om haar te grijpen, zij sidderde en ontvluchtte hem, doch met groote behendigheid wist hij haar te bereiken en dwong haar stil te staan.

„Luister naar mij, geliefde! Ik heb vele schoone vrouwen gezien; op mijn wenk vallen prinsessen in mijn armen want ik ben een vorstenzoon, en zie, sinds ik u zag—weet ge nog wel toen gij in den kraton mijns vaders verscheent, om hem uw hulde van vruchten en bloemen te brengen—kende ik slechts een wensch, u de mijne te mogen noemen. Uw schoonheid heeft het vuur der begeerte in mijn hart ontstoken, ik slaap niet meer, want uw beeld vervolgt mij zelfs in den droom. Ik neem het met mij mede op mijn tochten, in de hoffeesten overal zie ik u, zoetste der vrouwen, ster, die alle sterren doet verbleeken; al daalde een widadaran [28] op aarde neder, zij zou zich moeten verschuilen om niet overwonnen te worden door uw bekoorlijkheden want zelfs Bromo’s gemalin, moet voor u onderdoen. Ge zijt een koningin gelijk in schoonheid en in zachtheid, in innemende bevalligheid, in fiere houding, gij zult het ook wezen in macht want ik zal u kronen met bloemen en met juweelen als mijn wettige gemalin, als mijn vorstin, ik zal de volkeren dwingen u hulde te betuigen als gij toestemt de mijne te worden.”

„Hoe kan dat, daar gij een prinses tot vrouw hebt, Mas Pengantin!”

„Als honig zoo zoet klinkt mijn naam van uw lippen, al trilt uw stem ook van toorn! Ge zijt in mijn macht Siwangi, die geuriger zijt dan uw welriekende naam, ik kan geweld gebruiken maar ik versmaad allen dwang, zoolang ik nog overreding gebruiken mag. Zeg een woord, kan ik hopen op uw liefde?”

„Schande Heer! zulke woorden tot mij te richten, als ge weet dat ik ze niet mag aanhooren evenmin als gij ze moogt uitspreken. Ik ben verloofd en gij zijt getrouwd.”

„Ik zal mijn vrouw verstooten, zoo gij mij wilt liefhebben! en ik zal me aan u wijden met een liefde, die door niets wordt overtroffen, tot in de verste eeuwigheid. U wil ik bezitten, u zal ik behouden, hier en ginds. Steeds mijn geliefde, blijven we vereenigd! Waart gij een bloem, ô dierbare, ik zou de bij wezen, die u volgde en zich verzadigde aan den zoeten geur, die uit uw kelk opstijgt, waart gij een boom ik zou de slingerrank wezen, die zich om u kronkelde! Wees niet wreed, luister naar mij, geef me eenige hoop!”

„Nimmer! Laat me los! Ik haat, ik veracht u!”

„Meisje, wees voorzichtig, die haat kan u duur te staan komen. Ik heb gesmeekt en gevleid, maar bedenk dat ik u bevelen, ja zelfs dwingen kan!”

„Mij dwingen! Nog liever stort ik mij in den afgrond.”

Zij rukte zich met geweld los, doch op een wenk van Pengantin omringden zijn makkers het meisje; zij slaakte een doordringenden kreet:

„Vader, Dorowadi, komt mij te hulp!”

Maar snel als de bliksem vielen zij op het arme kind aan; een hield haar handen vast, een ander stak haar een zijden doek in den mond, Pengantin drukte haar tengere leden vast tegen zich aan; er was geen middel voor haar om te ontkomen, toen er plotseling iets tusschen het hooge struikgewas siste en een der gezellen van den prins bloedend inéénstortte. De anderen zagen verbijsterd rond en lieten de handen zakken; Pengantin alleen, liet zijn prooi niet los; de doek viel ter aarde en opnieuw deed het meisje een scherpen gil hooren.

„Batoro Goeroe, help mij!”

Een tweede schot viel; en niemand nog kon zien wie het gelost had; de schrik sloeg echter den makkers van Pengantin om het hart; kermend wierpen zij zich naast hun paarden op den grond, eenigen bestegen snel hun dieren en trachtten weg te rijden, enkelen lieten zelfs deze in den steek en kozen het hazepad.

„Lafaards,” krijschte de prins, „laat ge mij nu alleen!”

„O prins, het was niet goed den verheven berg te ontheiligen door vrouwenroof,” riep een der mannen uit; „we hebben u genoeg gewaarschuwd toen het nog tijd was maar uw hartstocht sleepte u mee; thans treft u de toorn van de machtige beschermgeesten der Tengersche bergen.”

Met een rauwen kreet liet Pengantin den linkerarm vallen, die het meisje nog omvat hield; ook deze arm was door een kogel doorboord. Juichend wilde het meisje, dat zich reeds bevrijd waande voorwaarts snellen maar de rechterhand van haar belager omklemde nog steeds haar dunnen pols.

„U vrij laten, nimmer! Ik tart Batoro Goeroe en alle goden die hem vergezellen. De mijne zult gij zijn!” riep hij met heesche stem; „kom te voorschijn mensch of duivel, wie ge zijt en val mij aan met open vizier! Helpt mij, mannen, houdt het meisje vast!”

Maar niemand verweerde zich; een vierde kogel werd afgeschoten doch raakte hem niet, daar hij snel het hoofd boog. Het vreemde geluid der schoten schrikte echter de stille echo’s der wouden uit hun rust op; en Pengantin voelde dat hij weerloos stond tegenover den vijand daar hij van het gebruik zijner beide armen beroofd was; hij droeg geen vuurwapen bij zich niets dan evenals zijn makkers, statiekrissen, verborgen in den gordel. De mannen, die opgingen naar den Bromo moesten ongewapend zijn en op deze omstandigheid had hij gerekend door zich niet sterker te voorzien.

Instinctmatig greep hij naar zijn kris en zoo was Siwangi eindelijk vrij; in een oogwenk was zij tusschen de neergevallen en vluchtende mannen heengesneld en daalde af naar Tosari, waar haar vader vol angst haar hulpgeschreeuw en het knallen der schoten had gehoord.

VI.

IN TOSARI.

Pengantin knarsetandde van woede en spijt toen hij zijn prooi zag ontsnappen; nog was zijn toestand niet benijdbaar. De schutter moest zich terzijde van den weg aan de helling van den diepen ravijn verschuilen; maar wie was echter de man, die in het hartje van de Tengersche bergen zich van Europeesche vuurwapens bediende? De prins kon op deze vraag geen voldoend antwoord vinden; hij hield er zich ook nauwelijks mee bezig; al zijn gedachten waren gevestigd op het beste middel om zich uit zijn moeilijken toestand te redden.

„Ge hebt genoeg den lafaard gespeeld!” sprak hij tot zijn kruipende bevende gezellen, „we moeten bedacht zijn op tegenweer, ik ben alleen en gewond, zoo kan ik niets uitrichten. Samen zullen wij sterk zijn tegen de aanvallers. Staat op, gij, die ongedeerd bleeft en helpt mij den ellendeling te zoeken en naar verdienste te straffen.”

„Heer, wie zegt u dat gij met menschen te doen hebt en niet met geesten?”

„Geesten zouden zich van kogels en pistolen bedienen. Ha, ha! Bijgeloovig gebroed! Bedenk hoe gevaarlijk onze toestand is, wanneer gij daar onbewegelijk blijft; we moeten vóór- of achteruit! Zullen wij den tocht voortzetten naar de Dasar?”

„Neen, neen! De goden zijn te vertoornd, zij willen onze offers niet.”

„Ik dacht dat gij slechts Allah aanbadt en zijn profeet gehoorzaamdet, hoe kunt ge dan de goden der heidenen vreezen? In elk geval, wij mogen geen tijd verliezen met lange reden maar moeten eerst met den vijand afrekenen.”

„Wat zullen onze krissen vermogen tegen zijn verreikende wapenen?”

„Laat ons naar de Dasar opstijgen, dan is tenminste onze terugtocht verzekerd, zoo Mas Lembono ons vergezelt.”

In den somberen gloed die uit Pengantins oogen lichtte, lazen zijn mannen maar al te wel, dat hij zijn heilloos voornemen om Siwangi te ontvoeren nog niet had laten varen.

„Wellicht is de geheimzinnige beschermer der deern langs die struiken teruggekeerd naar Tosari en wacht ons daar af met nieuw geweervuur. In het opstijgen is het minste gevaar te vreezen; daar boven weet men nog niets van ’t geen ons hier wedervoer.”

„Maar de geesten zullen het reeds weten,” waagde er een te zeggen.

„En Amin, die gewond is?”

„Leg hem neer, straks vinden wij hem terug, ik ook ben gewond. En Hassan verroert zich niet, hij is dood! Welnu, werp hem in den afgrond!”

Na deze wreede bevelen te hebben uitgedeeld bond Pengantin zijn arm in den zijden doek, die zoo pas Siwangi het roepen had moeten beletten, besteeg zijn paard en steeg opwaarts, schoorvoetend gevolgd door zijn aanmerkelijk verminderd gevolg.

Siwangi zat intusschen snikkend en sidderend onder het afdak bij haar vader; de weinigen, die achtergebleven waren in de dessa omringden het meisje en toonden haar de levendigste belangstelling.

Met wijd geopende oogen zag haar vader haar aan; zijn oude, gerimpelde handen beefden sterk maar geen woord ontsnapte zijn mond; telkens viel zijn hoofd op zijn borst neer.

„Siwangi,” riep een der vrouwen, „let op uw vader!”

Onmiddellijk staakte het meisje haar door tranen en snikken afgebroken verhaal en wierp zich op haar vader; de oude man liet het grijze hoofd tegen haar schouder vallen, zuchtte diep, rekte zich uit en alles was voorbij.

Te midden der verwarring door dit plotselinge sterfgeval veroorzaakt, kwam een vreemdeling nader.

„Daar is de ellendige roover, de moordenaar!” gilde een vrouw hem met den vinger aanwijzend, „o, waren wij slechts mannen! Zijn laatste uur had geslagen.”

„Wees niet zoo overijld, vrouw! Indien er een onder u gered werd uit de handen van schandelijke misdadigers, dan heb ik er het mijne toe gedaan. Vraag het meisje zelf, of ik haar schaker ben.”

Siwangi was te overmand door smart, om het gelaat op te heffen en zich om te keeren.

„Zijt gij mijn redder? Uw stem is niet die van mijn verderver?” snikte zij, „o waarom moest mijn vader juist nu sterven vóór dat hij u zijn dank gebracht heeft, wellicht zijt gij wel een afgezant der machtige goden! Hoe ’t ook zij, ik ben u dankbaar en ook mijn bruidegom zal u op zijn knieën vereeren.”

De vreemdeling schudde zacht het hoofd.

„Meisje, ik kom hier in treurige tijden zie ik, gij omringt daar een doode, maar toch, zoo ge meent mij eenigen dank verschuldigd te zijn, geef mij de aalmoes van eenig voedsel. Sinds dagen dwaal ik tusschen de bergen rond, zonder mijn bestemming te kunnen vinden, ik hoorde een doordringend gillen—ik begreep dat men een meisje met geweld ontvoerde en schoot mijn pistolen in het wild af. Wie ik getroffen heb, weet ik niet!”

„Gij hebt mij meer gered dan het leven,” zuchtte Siwangi, „en nu ontnemen de almachtige goden mij mijn geliefden vader, maar slecht, is ’t van mij nu alleen aan mijzelf te denken en niet aan u, mijn bevrijder! Alles wat wij hebben, alles wat wij kunnen is te uwer beschikking! Buurvrouw, ik weet niet wat ik zeg, ik geloof dat ik krankzinnig word. Geef den dapperen held, rijst, vruchten, klappermelk en legèn [29], laat hem uitrusten binnen ons huis!”

Zij viel weer half onmachtig op het levenlooze lichaam haars vaders neder; met betraande oogen zag haar redder het arme meisje aan; het was hem aan te zien dat hij verdwaald en uitgeput was, zijn kleederen, welke die van een gewonen Javaan schenen, waren gescheurd en bemorst, zijn voeten doorwond, ook zijn gelaat droeg sporen van de verwondingen door scherpe doornen veroorzaakt; de loopen zijner pistolen waren anders door den breeden buikband verborgen nu echter staken zij er duidelijk zichtbaar uit. Zijn kleur was veel lichter dan die der overige Javanen, ook de trekken waren te regelmatig en te kloek besneden om aan een Javaan van onvermengd ras toe te behooren. De vrouwen haastten zich hem verfrisschende dranken en versterkend voedsel toe te dienen; een andere trachtte Siwangi van het lichaam haars vaders te verwijderen.

„Laat mij begaan, vriendin!” smeekte zij, „laat mij zoolang ik kan mijn vader omhelzen! Morgen reeds zal ik hem moeten toevertrouwen aan de kille aarde. Vervloekt de hartelooze indringer, die zijn laatste oogenblikken zoo zwaar deed zijn!”

En langzaam keerde zij zich om en wendde het gelaat naar haar redder, dien zij nog niet had aangezien, maar nauwelijks had zij hem aangestaard of zij deinsde ontzet terug. Gillend verborg zij het gelaat in de handen.

„Hij is het!” riep zij uit, „hij.... de prins!”

„Maar kind! de smart doet u verdwalen! Hoe kan hij dezelfde wezen, die u aanviel? Niets vorstelijks is er in zijn kleeding, in zijn voorkomen. Zie hem goed in ’t gelaat!”

De twee vrouwen dwongen haar met zacht geweld de handen van de oogen weg te nemen en den vreemdeling, die haar vol deelneming beschouwde, van meer nabij te bezien.

Huiverend naderde zij hem, al haar leden trilden, zij durfde de oogen nauwelijks opheffen: maar toen hij vriendelijk sprak: