Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 20
„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze Amirang Koesoemo of Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”
„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”
„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”
„Dank de hulp der Hollanders!”
„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”
De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.
Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.
Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.
Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.
„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.
„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”
Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:
„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”
„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”
„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”
Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.
„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een der mantri’s.
Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.
„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”
De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.
De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.
De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.
Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.
Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.
Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.
De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.
Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.
„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”
Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.
Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.
„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.
„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”
Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.
„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”
Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.
„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”
Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten. De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
II.
IN DEN KRATON VAN KEDIRI.
In een sierlijke veranda van den Kedirischen kraton, vriendelijk met klimop rond de bevallige bogen omkronkeld, zat de verbannen keizer op een rustbed in diep gepeins verzonken.
Voor hem stond een blad met ververschingen ruim voorzien; hij gebruikte niets dan van tijd tot tijd een teug Hollandschen brandewijn uit een gouden beker, dien hij gretig aan de lippen bracht.
Op eenigen afstand hurkten zijn dienaren op den grond, een eerbiedig stilzwijgen bewarend; een sombere stemming scheen onder hen te heerschen, allen zagen op naar het mismoedige, treurende gelaat huns meesters; niemand waagde echter een opmerking.
Daar trad tusschen de groene bosschages, die rondom het hooge huis een bevalligen krans vormden, een man nader, die onder de veranda komend zich op den grond wierp en al kruipend den gebieder naderde.
„Mijn Heer en Meester!” sprak hij, Anoem’s misvormden voet kussend. „Herkent mijn meester den ouden dienaar zijns vaders niet?”
De keizer, door het hier nog niet ondervonden ceremonieel aangenaam getroffen, wierp zijn matte loensche oogen op den nieuw aangekomene, een zwakken grijsaard in Javaansch hofkostuum, verzamelde zijn herinneringen en riep plotseling uit:
„Amirang Koesoemo! Hoe leeft ge nog?”
„De dienaar leeft om zijn meester zijn diensten aan te bieden.”
„En ik zal ze noodig hebben, oude vriend! Want, ach, ik ben zoo verlaten, zoo diep gezonken.”
En hetzelfde wezen dat dien morgen nog vol opgeblazenheid en eigenwaan zich op zijn macht had beroemd, barstte nu in een onmannelijk, bitter geschrei los; hij wierp zijn hoofd op de kussens, jammerde en steunde als ware hij een zieke vrouw en geen keizerszoon geweest.
„Heer!” sprak Amirang Koesoemo, die neergehurkt aan den voet der rustbank zat, „er is geen reden tot tranen en zuchten. ’t Is waar Karta-Soera is in de macht van den Pangeran Poeger gevallen, maar een machtige hulp en steun zijn mijn meester verzekerd om troon en hofstad terug te winnen.”
„Hulp van een slaaf! De zoon van Hamangkoe-Rat hangt af van een ellendigen Balinees, die zich vermeet hem keizerlijke eer te weigeren.”
„Stil, ô vorst, stil! Vergeet niet dat gij in zijn rijk zijt, dat alles zich hier voor hem buigt en hij er oppermachtig heerscht.”
„Oppermachtig zegt gij!” klaagde de keizer; „hebt gij vergeten hoe juist wij hem hieven op het voetstuk vanwaar hij zijn hooge vlucht begon? Weet ge nog hoe de struikroover in den kraton mijns vaders verscheen, met geen anderen uitweg dan zich voor ons te vernederen, dood of vrijheid afwachtend van onze genade, of terug te keeren naar de wildernis? Gij hebt hem uw dochter geschonken en...”
„En daardoor wapende ik de hand, die den zoon mijns meesters verdedigen moet tegen de Hollanders.”
„Hun vijandschap haalde ik mij als noodlottig erfdeel mijns vaders op den hals en meer niet. Waarom stiet ik hun hulp niet af, waarom verkoos ik liever die van den slaaf? De Hollanders zouden mij ten minste als keizer erkennen! De Balinees begroet mij als een gevluchte avonturier, niets meer!”
De schijn zijner verloren waardigheid was het eenige, wat Soenan Mas betreurde; van zijn macht bespeurde hij steeds zoo weinig, daar hij die geheel met zijn eigen persoon veréénzelvigde, dat hij het verlies daarvan nauwelijks bespeurde.
„Alles werpt zich voor hem ter aarde, alles bewijst hem keizerlijke eer, en mij eert men, als zijn gast, om niets anders. Ieder vergeet dat ik keizer van Java ben, dat ik Matarams rijkssieraden met mij draag; hij geeft mij niet eens de eer, die de Sultan van Tjeribon en Bantam zich gelukkig achten mij te bewijzen als aan hun leenheer. Hij gedraagt zich als onafhankelijk vorst en, door wiens recht kan hij ’t zijn?”
„Door zijn zwaard, het meest onbetwistbare recht. Maar vergun uw dienaar, Heer, zijn verwondering uit te drukken over uw ergernis en mismoed; sedert jaren wist Uwe Hoogheid toch dat Soerapati hier opperheerschappij voerde.”
„Ja, dat wist ik en verheugde er mij over, maar ik meende dat hij erkende die heerschappij te hebben ontvangen uit mijn hand.”
Almede was het slechts de schijn dien hij miste; door eenige ceremoniën had de gastheer den vluchteling tot den gelukkigste der stervelingen kunnen maken; zonder moeite had Soerapati kunnen veinzen, dat hij zijn wettigen meester binnen diens eigen erf ontving, in plaats dat hij hem een weldaad voelbaar bewees.
„Wat deert u zijn macht, o keizer!” ging de oud-Rijksbestuurder voort, „als hij u de verloren glorie slechts teruggeeft?”
„Ik heb ze toch reeds half verloren, nu hij ze bezit.”
„In naam van den Profeet, laat Radhen Wiro Negoro het niet vermoeden dat gij met leede oogen zijn macht aanschouwt. Bedenk dat gij en de uwen geheel aan zijn genade overgeleverd zijt. Mijn keizer bevindt zich hier in den kraton van een Regent, die een van Soerapati’s trouwste vrienden en wapenmakkers is. Zijn soldaten, de geoefendste van geheel Java, vormen uw eerewacht, een eerewacht, die echter slechts een woord van hem behoeft om u en uw gevolg tot cipiers te strekken.”
In machtelooze woede wierp de schijn-keizer zich achterover, wentelde zich luid jammerend in de kussens en wrong al kermend zijn handen.
„Wat deed ik dan, ongelukkige? Waarom begaf ik mij in het hol des tijgers, ik argeloos hert...”
De vergelijking riep op de dunne lippen van Koesoemo een flauwen glimlach te voorschijn.
„Wat zal mij hier wachten? Vernedering, niets meer! O waarom ontvluchtte ik de Hollanders? Zoo ik mij in tijds aan hen overgegeven had, zij zouden mij keizerlijke eer niet onthouden hebben.”
„Gelijk uw vader die aan Troeno-Djojo schonk,” sprak de oude man met een spotlach.
„Hoe gij zelf mij belacht! ’t Is niet goed Koesoemo, den gevallen waringinstam te bespotten; vergeet niet, ik ben uw keizer, wat er ook gebeurd moge zijn. Gij blijft mijn onderdaan!”
Een snelle blik, dien de oud-Rijksbestuurder op den paardenvoet zijns meesters wierp, ontging dezen niet; als instinctmatig trok hij de sarong over het misvormde lichaamsdeel.
„Of erkent gij Soerapati ook voor uw meester?” ging de vorst met pijnlijken drang voort.
„Uw dienaar leeft in zijn koninkrijk, hij geniet zijn gunsten, waarom zou hij hem niet als zijn gebieder erkennen?”
„Maar hoever strekt zijn rijk of wat hij zijn rijk noemt, zich uit? Zeg het mij, opdat ik de macht kenne van hem in wiens handen ik mij overleverde.”
„Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee die Java scheidt van Bali, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van zijn grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het Soerabayasche landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de Ratoe Kidoel [21] deelt hij met haar den scepter. Niets weerstaat de kracht zijner wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen aan de zijne ten huwelijk en diens zoon erkent hem als zijn leenheer. Geen soldaten van bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn welgeoefende legers. De Hollanders alleen zijn waardig hem te weerstaan. Hij is dapper en streng maar strikt rechtvaardig; zijn krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar in hun harten hebben zij hem innig lief; zij weten dat alles wat hij onderneemt hem gelukt, dat hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat zijn wil een wet is, maar ook dat hij slechts wil wat goed en verstandig blijkt. Zij vertrouwen op hem en het geheele volk bouwt op zijn vorst als op een steenen rots; zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden den indruk van zijn voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds in het Oosten aan den voet van den Bromo vereeren zij hem als den afgezant van Batoro Goeroe, den leermeester des volks, als een nieuwe verschijning in menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdommen hij herstelde, wiens eeredienst hij deed herleven.”
„Hoe, hij veracht Allah en zijn Profeet?”
„Hij aanbidt het Opperwezen en laat ieder vrij Hem een naam te schenken naar de overtuiging zijner ziel; achter zijn dalem heeft hij een tjandi ter eere van den oppergod der Hindoes gebouwd, mij echter en allen die Mahomed als den grooten Profeet Allah’s vereeren, laat hij vrij missigits bouwen. Wien hij zelf vereert in het diepst van zijn hart, welke god hem deze overwinningen liet behalen en die hem bekleedde met zulk een macht als nooit op Java werd gezien, dit is een geheim dat zelfs zijn gemalin mijn dochter niet doorgronden kan.”
„Maar mijn vader was toch machtiger dan hij?”
„Uw vader mijn oude meester ontving de kroon terug uit de handen der Hollanders, die ze aan Troeno-Djojo hadden ontnomen; uw vader was een koning, die heerschte over een volk van slaven, hij echter de slaaf, regeert een rijk van vrije mannen.”
„En hoe komt hij aan die macht? Waarom buigen allen zich vrijwillig voor hem, die kort te voren nog minder was dan niets, een vluchteling, een vogelvrije?”
„Eenigen zeggen omdat hij een tooverspreuk kent, die het aantal zijner manschappen in het oog des vijands vertiendubbelt, anderen omdat hij bijgestaan wordt door de machtige Dewahs, de goden, door de dienaren van den Moslem uit Java verdreven, weer anderen beweren omdat hij het hart der menschen door rechtvaardigheid en goedheid naar zich trekt, omdat hij zelf slavernij en armoede, doodsangst en schrik van nabij kennend die aan zijn volk tracht te sparen. Hij deed hen ondervinden, wat zij nimmer te voren gevoelden, dat de hoeksteen van elke macht niet vrees behoeft te zijn maar liefde. Dat verhalen sommigen; uw dienaar ziet en hoort alles maar durft niet beslissen. Een zaak weet hij alleen, Soerapati is machtiger o Keizer, dan zelfs uw grootvader, de gevreesde Tagalwangi het ooit geweest is, vóórdat een Hollander zijn gebied betrad, want zijn macht zetelt in het hart zijner onderdanen en niet in vrees voor dood en verminking.”
Wezenloos als hoorde hij een vreemde taal aan, luisterde Soenan Mas naar de woorden van den grijsaard; eindelijk vroeg hij op bevenden toon:
„Maar als hij waarlijk zoo machtig is, welk bewijs bezit ik dan dat hij mij niet zal dooden?”
„Hij heeft u gastvrijheid verleend, en nimmer nog werd dit recht door hem geschonden. Vertrouw op hem!”
„Vertrouwen!”
Soenan Mas zag angstig rondom zich naar zijn beweginglooze hovelingen met hun zwakke ledematen en statiekrissen, en weer bekroop hem nieuwe angst.
„Heeft hij mij in geen hinderlaag gelokt? Zal hij mij niet dooden?...”
„Welk belang heeft hij bij uw dood?” vroeg Koesoemo met bittere oprechtheid. „Waart gij Pakoe Boewana de zegepralende vriend der Hollanders, wellicht zou dan het nut zegepralen over het recht zelfs der gastvrijheid. Nu echter zal uw tegenwoordigheid hem niet schaden. Hij zal met u spreken en dan keert hij terug naar zijn dalem in Kotta Maroeng bij Pasoeroean, u toevertrouwend aan Goesti Wirajoeda, regent van Kediri.”
„En gij dan Koesoemo, waar woont gij?”
„Hij schonk mij twintig dessahs en een groote oppervlakte lands rondom Bangil; ik hoop u daar als mijn gast te ontvangen.”
„Leeft uw dochter de schoone Radhen Goesik nog, en is zij gelukkig?”
„Zij is een machtige Ratoe en het geluk hebben wij allen te zoeken in onze eigen borst. Vinden wij ’t daar niet dan is het vergeefs dat wij het van elders verwachten. En wees nu opgeruimd, mijn Vorst! Gebruik de spijzen, die Radhen Wiro Negoro u zoo mild aanbiedt, versterk daarmede uw vermoeide ledematen en zie de toekomst met blijde hoop te gemoet!”
„Helaas! wat zal die toekomst mij geven als ik geen keizer meer mag zijn. Heb ik daarom zoo gevlamd op den dood mijns vaders, die het leven maar geen vaarwel wilde zeggen? En nu ben ik verworpen en verstooten, terwijl de ellendeling Poeger zegepraalt.”
„Er staat geschreven in het heilig boek des Profeets: „Wie zich aan zonde heeft schuldig gemaakt, zal er de zware straf van ondervinden.” En zoo hebt gij, o Keizer! u met schuld bedekt door den dood uws vaders te wenschen. Weiger dan ook de straf niet te dragen van uw zonde.”
Soenan Mas wierp hem een giftigen blik toe, doch sprak niets; wellicht overdacht hij thans reeds met welke verfijnde wreedheid hij eenmaal, zoo onbeperkte macht opnieuw zijn deel werd, elke minder aangename behandeling elk beleedigend woord zou terugbetalen.
Daar naderden op het kiezelzand tal van stappen. Koesoemo stond op en begaf zich naar den ingang der veranda, Soenan Mas richtte zich van zijn rustbank halverwege op en zag de naderbij komenden nieuwsgierig aan.
Aan hun hoofd ging Soerapati met den regent van Kediri, die steeds zijn trouwste vriend en wapenmakker gebleven was; hem volgden zijn drie zonen en schoonzoon. Zwakke afbeeldsels waren deze zonen van hun vader; de gelijkenis der trekken en der houding was opvallend maar hun ontbrak de stalen kracht der spieren, de vrije ontwikkeling en oefening der ledematen door ontbering en bittere noodzakelijkheid verworven. De weelde en het gemak hadden de vorstenkinderen reeds bij hun eerste intrede in de wereld opgewacht, nooit hadden honger en armoe, verbittering en wrok, die zoo vaak lichaam en ziel des vaders pijnigden, hun prikkel aan de jonge prinsen doen voelen; maar nooit ook werden hun zintuigen en geestelijke vermogens gescherpt door de lessen dier strenge leermeesters.
Een groep edelknapen volgde de vorsten; zij droegen allen de wit en roode uniformen, die Soerapati in zijn leger ingevoerd had en die geheel verschilde van de verwijfde hofkleeding aan het Mataramsche hof voorgeschreven; zij allen spraken en schertsten luide en het werd Soenan Mas duidelijk dat Radhen Wiro Negoro uit zijn onmiddellijke omgeving de slaafsche onderworpenheid en domme menschenaanbidding der Javaansche vorsten gebannen had.
Een oogenblik weifelde hij, en wist niet hoe zijn gastheer te ontvangen. Het liefst ware hij in dezelfde houding gebleven om hen af te wachten, een gevoel van ergernis bekroop hem toen zelfs zijne dienaren zich voor hem ter aarde wierpen, nadat Koesoemo hen daartoe het voorbeeld gaf.
Deze gewoonte vermocht de vorst niet af te schaffen, zijn eerste dienaren en vrienden drongen hem deze eerbewijzing zelf op, daar voor een groot deel het bestaan zijner heerschappij van dit ceremonieel afhing.
Amirang Koesoemo stond echter dadelijk op; toen zijn gebieder de galerij betrad, stak deze hem op Europeesche wijze de hand toe, en kwam tusschen hem en den regent op den Keizer af.