Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 2

Chapter 23,948 wordsPublic domain

„Zij kwamen van verre, van daar waar de zee de rotsen bespringt, daar zagen zij op het rotsachtige strand een troep wilde vossen zich vergasten aan het malsche vleesch der schildpadden, die zoo juist uit de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein voor den vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander aan en riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger, langzaam met loerende oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn jongen, als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en weldra bleef op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden vermengd met de beenderen der vossen.”

„Dat is ons lot, prins!” riep de jonge Radhen Goesik uit, „Boeloe heeft gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten. Zij strijden met elkander om hun eigen land, roepen den steun aan van den vreemdeling en deze vernietigt hen alle om in hun plaats te heerschen.”

„De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een plaats aanbieden in het hol dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd heeft.”

„Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd hebben!” zuchtte Radhen Sepoe.

„Het dak eener gevangenis,” voegde de jongere er spottend achter. Met vlammende blikken wendde Radhen Sepoe haar blikken op haar mededingster.

„Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht. Zonder uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder den wettigen Sultan van Bantam opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde van zijn vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet gevlamd hadt op het bezit der kroon!”

„Stil, ik bid u, stil!” suste de prins en zich tot den dwerg wendend vroeg hij: „Welke boodschap brengt ge mij?”

„De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje! maar laat eerst die beide perkoetoets [9] van u ophouden met haar gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in de kooi.”

„Ik wil ze ontvangen!”

De dwerg liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk verschenen Soerapati en Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter aarde om den prins hun hormat (eerbied) te bewijzen.

„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „brengt ge mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft ze ontvangen evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheik Yoesoef, ik ook ben niet ongenegen ze aan te nemen!”

„Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig en goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden die vol oprecht berouw tot haar terugkeeren.”

„Berouw kan er eerst zijn na schuld,” mompelde Radhen Goesik duidelijk hoorbaar.

„Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,” vermaande haar echtgenoot zacht maar vastberaden en ging voort tot de afgezanten.

„Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg mij, wie ge zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven aan een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders bekleedt.”

„Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de vergevingsgezindheid der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was bloedverwant van een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit mijn land ontvoerd en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam Hollander kocht mij daar en ik had het goed bij de blanke mannen. Ik leerde ze liefhebben, mijn meester had zijn vrouw sinds eenige jaren begraven; hij had slechts één dochter met wie ik omging als ware zij mijn zuster. Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren elkander trouw, hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze verbintenis ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor den nacht zich te paren aan den dag; de storm stak boven onze hoofden op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw in een verwijderd landgoed haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn gevangenis ontvlucht, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende krijgers van den verslagen Sultan uw vader, aanhangers van Troeno-Djojo, den dapperen Madurees schaarden zich rondom mij. We zwierven rond in deze ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de holen, levend van den schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden, totdat een patrouille Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein Ruijs, hun hoofdman, bood mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij aarzelden maar wij waren het zwervende leven moede; mijn hart verlangde naar mijn vrouw terug en dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik van dat oogenblik trouw diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure! Soerapati is mijn naam en hier hebt ge mijn volmacht.”

De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik in:

„Onthoudt dien naam, gij zult er meer van hooren.”

Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan, die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde loswikkelde en toen het geschrevene inzag.

„De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn vrouwen en kinderen, onder voorwaarde dat ik mijn wapenen overgeef, zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia begeef.”

„Ik hoor dat mijn geestelijke vader Sheik Yoesoef niettegenstaande de ernstige beloften der Compagnie ingescheept werd om naar een verafgelegen land gevoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn geboortegrond niet verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis.”

„Dat lot behoeft gij niet te vreezen, edele prins! Sheik Yoesoef was der Compagnie bekend als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door den nood gedreven, zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere taal dan zijn lippen. Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die het rijk van Mataram in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst Troeno-Djojo aanhitste tot den opstand, die zoovelen het leven moest kosten. U echter, eerbiedwaardige Vorst, wacht een paleis binnen de veste van Batavia, waar een stoet, uw geboorte en staat waardig, u zal omgeven.”

„De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten kwam werpen om vergiffenis!”

„Gij neemt dus haar voorwaarden aan?”

„Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!”

„Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen, zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het steenen graf van den Gedeh verlaat; mijn doel was alleen u oprecht te spreken en te waarschuwen; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp en dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar het naaste fort.”

„Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn Zoon! Het is een goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig toont jegens den overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te stijgen, maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de wind is ruw en boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk zijn. Uw fakkel zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den tijd verkorten door uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze oogleden vluchten. Andere gastvrijheid dan deze grot kan ik u niet bieden.”

„Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde verstrooit als de herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen laten in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen. Waarom zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij te komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zooals het den zoon en broeder van vorsten toekomt.”

En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati de spelonk.

„Zijn woorden zijn als de honing, die den smaak verzoet na het gebruik van den bitteren drank,” sprak Radhen Goesik met een zweem van opgeruimdheid in de stem.

III.

RADHEN GOESIK KOESOEMA.

Een heerlijke morgen was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige nevels hingen als doorzichtige sluiers over het aanschijn der bergen en hulden deze in zacht smeltende tinten van rozerood, citroengeel, amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich afteekenend tegen den klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar alleen de tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten.

De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en de aarde schoven, den bruidegom gelijk, die, hoe begeerig ook het gelaat zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen schroom haar maagdelijke trekken onthult; stroomen goud en purper zond de zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol bekoorlijkheid en liefde, stralend van diamantengloed en paarlenglans.

Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo schitterden de millioenen regendruppels die haar golvende halmen overdekten, hier en daar afgewisseld door de hemelsblauwe bloemen van den gentiaan. Verstrooid tusschen de alang-alang doemen eilanden van groen op, waarin de vuurroode bloemen der plosa gloeien in het nog schuine zonnelicht en de malakaboom den knoestigen stam omhoog heft, waarmede hij zijn fraaien fluweelachtigen bladerendos draagt, maar nog schooner is de woudgordel die de helling bedekt, een woud van reusachtige ramalasara’s, de koningen der bosschen, die hun breede kronen naar links en rechts uitstrekken, onverschillig of zij andere boomen daardoor in den groei verstikken, zelf omstrengeld door een wereld van woekerplanten, die van het geheele bosch een samengepakte massa groen maken. Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele bloemkronen der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de donkerroode vruchten der mordecca geven gloed aan het sombere loof; de bamboe laat vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen als beproefde zij de fraaiste eerepoort voor het bosch te vormen en aan den rand, waar het woud aan de graszee grenst, verheffen zich bevallige groepen van kleine licualapalmen.

Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar verheffen zich de rotsachtige bergwanden, door niets getooid dan door een oneindige verscheidenheid van klimplanten, die hun schaduw neerwerpen op de kale muren en met hun ijle luchtwortels het gesteente omklemmen, waar zij kunnen postvatten en een liefelijke sluier van groen en bloemen doen neerdalen op het kale, dreigende rotswerk; reusachtige vijgeboomen dringen zich door alle spleten en engten, ijverig het voedsel zoekende dat voor hun bestaan noodig is.

Waar nog een plekje onbegroeid is, daar spreidt zich het schitterend witte mos uit als een natuurlijk tapijt om de rotsblokken tegen de aanhoudende werking der elementen te verdedigen.

In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een neerstortenden stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de rotsen, het werpt zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte in den afgrond en spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een vooruitspringenden steen om verderop de Tji-Kendoelrivier te vormen die zich tusschen een loofdak van varens omlaag spoedt; een smal voetpad slingert zich door het woud naar boven tusschen twee vervaarlijke rotspijlers, die volgens de overlevering der inlanders de overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een der machtige vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen op, koude en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend door hun eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden, en waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen.

Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds geweldigen vulkaan; van hier uit vermeit het oog zich in de onvergelijkelijke schoone natuur aan de helling en op de vlakte; aan den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld uit hun waden van wolken en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte, zich aansluitend aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend in zijn groen omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de graszee en eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere heuvels en bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend Oog van den Dag steeds hooger en hooger klimmend als een vorst, die zijn zegetocht begint en alle vijanden bij zijn nadering op de vlucht jaagt.

Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over de borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich daarover uitstortte.

Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette die zon juichend en jubelend als de oorsprong van licht en leven op deze schoone aarde, als het beeld van den God over wien hij zich herinnerde dat zijn christenbruid hem verhaald had, die gebood over alle natuurmachten, die bergen en dalen uit den bajert had te voorschijn geroepen door zijn machtig woord, die ze bekleed had met deze weelde van planten en bloemen, die de wateren deed stroomen en stem gaf aan de vogelen, die sprak in het rommelen van den donder, in het bulderen der vulkanen, maar ook in het ruischen van het koeltje, in het murmelen der beek.

Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van Suzanna’s reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik harer hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand van dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper.

En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna aanbad, grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger dan Shiwa den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich wellicht geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel overstroomde, maar het was een nieuw leven vol kracht en moed dat al zijn aderen doortrilde. Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de verschrikkingen van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken zooals zij hem thans toescheen; het verleden met zijn slavernij en opstand was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins gaf zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht ontving hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie Oentoeng, den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. ’t Was Soerapati, officier der machtige Compagnie, die zegevierend naar Batavia terugkeerde, die zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem toch zeker niet geheel ten onder was gegaan, moedig onder de oogen durfde zien om hem de hand zijner dochter te vragen.

En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen.

Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht hen te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer nabij te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij behoorde, te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar opgeheven; zoolang hij die bezat voelde hij zich krachtig en moedig om haar ter zijde te blijven.

Deze gedachten vervulden zijn ziel met hun rooskleurigen glans; door de opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor ontvangen had, bezat hij een gedachtenwereld geheel verschillend van die, waarin zijn landgenooten plachten te verkeeren; zijn gezichtskring had zich uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij; tusschen hem en zijn makkers gaapte een kloof, die nauwelijks zichtbaar was in de dagen als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen verbonden, maar die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel aan de Hollanders verbonden had, terwijl zij slechts uit noodzakelijkheid die vergiffenis aangenomen hadden en zich morrend bogen onder het juk der vreemde meesters.

Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagnie; hij had de meesten hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in de wildernis en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand tegen het gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg in met welken tegenzin. Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat van hun wapens te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij tusschenbeide treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de Europeesche soldaten te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij hoopte ze trouw te vervullen en dan tot belooning de volledige vergiffenis der Compagnie, de hand zijner blanke bruid te verwerven.

Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan als beide volkeren zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één in de stoffelijke en geestelijke belangen van staatkunde en godsdienst. Er zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de vreeselijke willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de noodelooze wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de morgen breidde zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit, die hij zou helpen stichten door zijn trouwe hulp en medewerking den Hollanders aangeboden.

Dat waren de droomen die Soerapati’s geest vervulden, de vizioenen die hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, toen hij op de hoogte toefde terwijl het landschap zijn geuren en glansen ten hemel opzond als een ontzaggelijk dankoffer.

Een behoedzame stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond bedekten; hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg den sarong om het middel, vastgemaakt door een gouden band; deze sarong was van fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een geelzijden sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten overvloede nog door een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar gelaat had de zachtgele kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang eigen; voor haar landaard waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige bloemen waren koket in haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang had de achtelooze onzekerheid, die bij dat nationale gewaad zoo bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche kleederen belachelijk en onbehagelijk wordt.

„Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend leven!” zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter neder.

Soerapati zag haar aan.

„Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!” sprak hij hoffelijk, „en ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen.”

„Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt.”

„Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave als een lang gezegend leven is, kan schenken.”

Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat.

„Herkent ge mij niet, Heer?” vroeg zij.

„Het voorrecht u te zien was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!” antwoordde Soerapati, „maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt gij uwe teedere voeten aan de scherpe steenen? Dit is geen plaats, geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik het u zegge!”

„Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij ginds aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het woud. Wilt ge mij hooren?”

„Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet als het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik zal het u verkrijgen!”

De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan.

„Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!” zeide Soerapati, „in deze houding wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor een eenvoudigen man als ik.”

„De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien haar eenig heil afhangt, dat is altijd passende gewoonte geweest. Gij herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn ziel gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten in den kouden steen, welken zij eenmaal betreden hebben. Ik ben Radhen Goesik Koesoema, de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu vluchtenden Pangeran Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik hoorde dat gij een taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u hulp en steun vragen.”

„Voor uw echtgenoot?”

„Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel geslacht; de Solosche prins Amirang Koesoemo Rijksbestuurder van het keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg mijn hand, maar hij heeft mij nooit liefgehad, de Tjeribonsche prinses Sepoe is zijn lievelingsvrouw, de moeder van zijn zoons, toch ben ik hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen was te vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem gedeeld; maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte, slechts door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen en toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te houden en zich niet te onderwerpen. ’t Mocht niet baten, hij zal nu gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven en dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!”

„Vrees niet prinses! het juk der meesters is niet zwaar!”

„Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het niet dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug naar mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft opengezet en daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia, breng mij terug naar mijn vaderland!”

„Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft.”

„Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling der Hollanders; hij zal mij dat verlof niet geven, want hij heeft mij lief, zooals men een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden men als kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan naar Batavia, laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de ketenen ook zijn, het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem vergeleken met die der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje zijn, als gij het in een kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal verkwijnen van heimwee naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal ’t ook mij gaan, als ik ’s prinsen gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet wat het is vrijheid te missen; de rijst der slavernij smaakt hard en bitter, het kost moeite haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt ons de adem! Laat mij ’s prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u, bij haar die ge bemint, zooals elke vrouw verlangen moet bemind te worden!”

Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op hem gericht. ’t Kon niet anders of de Balinees moest getroffen worden door de dringende bede der vorstendochter.

„Maar begrijpt ge niet,” vroeg hij, „dat elke poging door mij gewaagd, den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet willekeurig u uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en zijn gezin zal schenken.”