Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 19
„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”
„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”
„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”
„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”
„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”
„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”
De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.
De fiscaal stond intusschen op.
„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wensch UEdele een spoedige beterschap.”
„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”
„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”
Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.
„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”
„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.
„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”
„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”
„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”
Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:
„Zeg me nu alles, was dat hij?”
„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”
„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”
„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”
Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.
„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”
„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”
Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.
„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.
„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”
„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam, te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”
„Diep, diep medelijden.”
„En anders niets, zweert ge mij dat?”
„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”
„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”
„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”
„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”
„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”
„En zoo ik het niet doe?”
„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”
„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”
„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”
„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”
„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”
„Een losbol, een soldaat!”
„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”
„Verwacht gij dat van mij?”
„Ja, dat en niets anders.”
„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”
„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”
„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”
Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.
„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.
„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”
„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”
„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”
„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!... Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:
„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen. Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”
Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.
„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”
Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.
„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”
„Maar de ware dief is toch gegrepen.”
„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”
En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.
„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”
„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”
De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4den Juli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.
Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.
Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.
De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.
De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.
Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?
De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.
Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:
„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”
„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”
„Hoopt ge dat hij terugkomt?”
„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”
„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”
Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.
VIJFDE GEDEELTE.
I.
DE VLUCHTENDE KEIZER.
Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.
Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.
Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.
Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.
De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.
„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.
„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”
„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”
Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:
„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”
„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”
„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”
Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.
Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.
De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.
Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.
Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.
Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.
Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.
Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.
Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.
Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.
Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.
Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.
De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.
„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”
„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een der mantri’s te zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”
„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”
„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.
„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht...”
De mantri’s zagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.
„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.
„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”
Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.
Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.
Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.
Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.
„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”