Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 17

Chapter 174,000 wordsPublic domain

En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.

Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.

„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”

„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.

Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.

„Hoe komt die man in het water?”

„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”

„En gij reddet hem!”

„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”

„Hoe is uw naam?”

„Men noemt mij Walter.”

„En verder?”

„Niets meer!”

„En hoe heet uw kameraad?”

„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”

„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”

„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.

„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.

De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.

„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.

„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”

Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.

De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.

De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.

Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.

„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.

„Er is geen reden voor, Markus!” antwoordde zij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”

„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.

„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.

Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.

Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.

„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”

„Moeder, mag ik binnenkomen?”

Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:

„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”

Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.

Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.

’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.

V.

JOHAN VAN HOORN.

Wanneer men de zes treden opgaat, van het bordes, dat zich vóór het zoogenaamde paleis van den Opperlandvoogd bevindt, komt men voor de met groote spijkerkoppen voorziene poort te staan, waarnaast in twee nissen de beelden van een musketier en piekenier de wacht schijnen te houden.

Boven deze poort is het gewone merk der Vereenigde Oost-Indische Compagnie aangebracht, een ineengeslingerde V.O.C. omringd door den naam van den bouwmeester Cornelis van der Lijn en het jaartal MDCXLVII. Treedt men deze poort binnen dan komt men in een groote zaal waarvan de wanden met pieken en musketten behangen zijn, en die trotsch de vaandels op den vijand veroverd, ten toon stellen. De meubels zijn anders niet overvloedig, een tafel, een stoel en eenige banken, en een slaande klok, het eenige openbare uurwerk der stad, dat er op ingericht is de uren ook naar buiten aan te wijzen; op de banken neemt ’s avonds de bezetting van het kasteel plaats als de predikant het gebed doet.

Recht tegenover den ingang bij een groote deur houden twee levende hellebaardiers de wacht; deze deur geeft toegang tot een reeks van galerijen en open plaatsen en tot de vergaderzaal der Raden van Indië, waarin de portretten hangen van alle Opperhoofden, die over Ned.-Indië geheerscht hebben.

Rechts van de groote voorzaal bevindt zich het kabinet van den Gouverneur-Generaal, waarin hij, hoewel het nog vrij vroeg in den morgen is, zich reeds ingespannen met schrijven bezighoudt.

Johan van Hoorn, was thans in zijn 53ste jaar en voor iemand, die zijn geheele leven bijna in Indië had doorgebracht en wiens lokken geheel vergrijsd waren, nog zeer goed van uitzicht; zijn magere gestalte scheen langer dan zij inderdaad was, hoewel hij in de laatste jaren door het voorover zitten een weinig gebogen liep; een vriendelijke uitdrukking lag over zijn gelaat verspreid. Meestal begroette hij ieder die hem bezocht met een vroolijken lach, en inderdaad hij had wel reden te lachen, het zware ambt van Gouverneur-Generaal viel hem licht; hij had geen tegenstand van den Raad van Indië te vreezen zooals zijn voorganger, de heer Camphuys; hij had een jonge, mooie vrouw, een lieve dochter en hij was bezig zich een ontzaggelijk vermogen bijeen te verzamelen, op welke wijze, hierover laten de geschiedschrijvers van dien tijd zich niet uit; alleen stippen zij aan dat Zijn Edelheid de Heer Opperlandvoogd altijd veel zaken deed met de Chineezen en hen zelfs een voorkeur toonde, die de Hollanders vaak afgunstig stemde.

Op dezen Juni-morgen van het jaar 1705 had de gewone vroolijke uitdrukking van Zijn Edelheid’s gelaat plaats gemaakt voor een meer ernstige; hij doorlas verscheidene stukken, maakte eenige aanteekeningen, raadpleegde een groote kaart van Java, stond toen op, en ging de kamer eenige malen op en neer.

„Ik weet niet hoe de Raad van Zeventienen er over oordeelen zal, maar een oorlog is onvermijdelijk,” mompelde hij binnensmonds, „wij kunnen nooit schooner gelegenheid hebben om binnen Java vasten voet te verkrijgen. Als wij Soenan Mas ondersteunen dan zal Poeger er zich niet bij neerleggen en zij zullen met hem toch den strijd beginnen. De vraag is nu alleen: hoe dient onze houding te zijn tegenover Soerapati? Moeten wij de vriendschap, of de vijandschap zoeken van dien gedrosten slaaf?”

Hij bracht zijn gouden schel in beweging en toen de hellebaardier aan de deur verscheen, beval hij hem:

„Breng den Chinees, die daar buiten wacht, hier binnen!”

„Hier binnen Uw Edelheid?”

„Dat zeide ik immers.”

Weinige oogenblikken later kwam een zeer bejaarde Chinees, in eenvoudige niet opvallende maar toch deftige kleeding binnen en boog zich ter aarde voor den Gebieder.

„’t Is goed, Babah!” sprak de gouverneur, die op zijn hoogen leuningstoel gezeten was, „ik heb gehoord, dat gij in den oosthoek van Java geweest zijt en daar Radhen Wiro Negoro gezien en gesproken hebt.”

„De groote Heer spreekt zeer juist; ik kom van Pasaroean en heb daar den dalem bezocht van dien prins en hem zelfs van aanschijn tot aanschijn gezien.”

„Ik heb ook vernomen, dat gij met dien man gesproken hebt over den toestand van het rijk van Mataram en dat hij toen zeer openhartig voor zijn gevoelen uitkwam.”

„’t Is waar; de groote Heer raadt ieders gedachten, Radhen Wiro Negoro, heeft mij inderdaad vele vragen gedaan over de Edele Heeren op Batavia en over hun plannen ten opzichte van den Mataram.”

„Ik heb over weinig tijd te beschikken, Babah! Maak het dus kort, wat is de bedoeling van Soerapati? Wenscht hij waarlijk zich oprecht met de Hooge Regeering op Batavia te verzoenen, en zoo ja, wil hij den keizer dien wij als den wettigen erfgenaam van Hamangkoe-Rat erkennen, ook ondersteunen?”

„Ik geloof niet dat dit in Soerapati’s bedoeling ligt, groote Heer! Reeds sedert jaren verbindt hem innige vriendschap met Adipati Anoem, den erfgenaam der kroon, en niets zal hem kunnen bewegen de zijde van dezen vorst te verlaten, maar ’t kan zijn dat ik mij vergis.”

„Wanneer wij dus den Pangeran Poeger overleveren aan zijn neef en dezen als keizer op zijn troon bevestigen dan zoekt Soerapati ons bondgenootschap?”

„Dat hebben zijn eigen lippen aan uw dienaar niet verklaard, hij sprak slechts van vriendschap en verzoening met de Hollanders.”

„Ik geloof echter zijn woorden niet; hij is trouweloos en valsch, hij haat de Edele Compagnie, dat weet ik!”

„Zou de groote Heer zich daarin niet vergissen? Radhen Wiro Negoro wenscht niets liever dan vrede te sluiten met de Hollanders en in vriendschap met hen Java te regeeren.”

De Gouverneur-Generaal dacht na.

„Is dat zijn geheime bedoeling? De Matarams uitroeien, zelf keizer wezen en ons daartoe gebruiken. Inderdaad die slaaf durft veel.”

En hardop zeide hij:

„’t Is zonderling dat hij u, een Chinees, tot vertrouwde maakte van zijn geheimste gedachten.”

Een sluwen blik wierp de andere tersluik naar den Oppergebieder.

„Kent de groote Heer zoo weinig de Chineezen, dat hij niet ontdekt, hoe slechts mijn gewaad en hoofdversiering Chineesch is?”

Van Hoorn glimlachte even bij de gedachte hoe vaak men hem juist van zijn voorliefde tot de Chineezen een verwijt maakte.

„Wie zijt ge dan?”

„De afgezant van een vorst is immers heilig! Ik ben Soerapati’s pleegvader eenmaal zijn medeslaaf, ik heb hem vergezeld bij zijn vlucht uit Batavia, ik was naast hem toen hij zich aan kapitein Ruys onderwierp, ik stond aan zijn zijde toen vaandrig Kuffeler hem uittartte en tot verzet prikkelde. Ik heb hem vergezeld naar Karta-Soera en verder naar Pasaroean.”

„Hoe, ge waart in Karta-Soera toen mijn zwager de Edele Heer Tak lafhartig vermoord werd en gij durft u bij mij beroepen op uw hoedanigheid als afgezant?”

„Heer, zoo ’t u behaagt mijn leven te nemen, er is weinig aan verloren. Ik ga gebukt onder den last der jaren; alleen door twee jonge mannen vergezeld, die Soerapati’s zorg mij terzijde stelde, heb ik de groote reis van Java’s Oosthoek ondernomen. Als het de wil is van den grooten Heer, dan zal ik sterven, blijde een laatsten dienst aan mijn zoon te hebben bewezen en overtuigd dat hij mijn dood niet ongewroken zal laten.”

De kalme toon van den grijsaard bleef op van Hoorn niet zonder uitwerking. Men moest weten hoeveel belangstelling het geheimzinnige rijk van den voormaligen slaaf opwekte in alle Bataviasche kringen, om de nieuwsgierigheid te begrijpen, waarmede van Hoorn den afgezant aanhoorde; hij ook brandde van verlangen om iets naders van den geduchten vijand der Compagnie te weten.

„Zeg mij eens,” zoo ging hij voort, „hoe is Soerapati zoo hoog gestegen? Door welke middelen is hij in ’t bezit gekomen van zoovele landen, die den keizer van Mataram behooren en welke deze er niet aan denkt hem te betwisten?”

„Het stond geschreven in het boek van Allah dat hij eens groot en machtig zou worden en tegen den wil des Hemels baten geen menschelijke middelen.”

„Maar is het waar, dat de overleden keizer van Mataram hem genegen was en steeds in briefwisseling met hem bleef?”

„Daar zijn geheimen, die men zelfs zijn vader niet openbaart.”

„Doch zijn betrekkingen met Soenan Mas zijn toch geen geheim. Is het alleen om dezen prins bij te staan, dat Soerapati ons hulp belooft?”

Een verachtelijke lach vertrok even de trekken van den ouden man, toen hij ten antwoord gaf:

„Wat is Radhen Wiro Negoro Soenan Mas, wat is hem Pakoe Boewana? Aan het bondgenootschap met de Hollanders alleen is hem veel gelegen. Aan de vriendschap der Javaansche prinsen niets! Waarom zou de Edele Compagnie zijn hulp versmaden? Omdat hij eenmaal slaaf is geweest? Was de stamvader der Mataramsche vorsten dan geen straatroover? En al werd Soerapati ook eenmaal in slavernij weggevoerd uit zijn vaderland, hij is toch van edelen bloede.”

„Ge kunt gaan; zoo ik nadere inlichtingen van u vernemen wil zal ik u laten roepen!”

De grijsaard wierp zich ter aarde en de handen boven zijn hoofd uitstrekkend bood hij den Opperlandvoogd een diamanten ring van groote waarde aan.

„Dit kleinood zendt u mijn meester als een blijk van zijn oprechte en vriendschappelijke gezindheid,” sprak hij.

De Gouverneur-Generaal had zich intusschen omgewend en veinsde niets te zien of te hooren.

De andere legde het juweel op de schrijftafel neer en verwijderde zich al kruipend naar de deur.

Juist trad de hellebaardier aan de poort en kondigde aan:

„Den Edelen Heer Ordinaris Raad van Indië, de Wilde.”

„Dat zijn Edelheid binnenkome en laat dezen man uit! Men volge zijn wegen en verlieze hem niet uit het oog!” zeide hij in het Hollandsch, vast overtuigd, dat de inlander hem niet verstaan zou.

Hij had nog juist den tijd eenige papieren over den kostbaren steen te werpen, dien Kiai Hemboong hem gebracht had, toen de stoere gestalte van Herman de Wilde voor hem verscheen.

Deze Raad van Indië was nog in de kracht van zijn leven; hij had scherpe, koude trekken, om zijn mond lag een uitdrukking van ingehouden, men zou zeggen van versteend leed. Het is met de smarten van de jeugd als met sommige vloeistoffen, eenige verdampen en vervloeien in de lucht zonder eenig spoor na te laten, andere bevriezen of versteenen en de mensch is veroordeeld hen levenslang met zich te dragen, als een last die zijn leven bezwaart en ternederdrukt.

Herman de Wilde had eens liefgehad met alle krachten zijner sterke ziel, hij had te hoog opgezien tegen het meisje zijner droomen, dan dat hij ’t wagen dorst haar zijn liefde te bekennen, en een slaaf, een zoon van het vervloekte bruine ras, had zich meester gemaakt van zijn ideaal, het besmeurd door zijn liefkoozingen en voor hem in ’t slijk vertreden. Zoo tenminste oordeelde de Wilde; gloeiende haat vervulde hem tegenover dien man. Weinigen was het bekend dat Sie Oentoeng en Soerapati dezelfde waren; hij bewaarde zijn geheim in het diepste van zijn hart. Slechts bloedige wraak, meende hij, kon hem verlossen van het grievende leed, dat zijn dagen verbitterde; eerst als hij den vermetelen slaaf gestraft had, zou hij in kalmte aan Suzanna kunnen denken, vrede sluiten met haar nagedachtenis.

Joan van Hoorn reikte hem vriendschappelijk de hand en bood hem een zetel aan.

„Is er iets nieuws dat u noopt mij zoo vroeg reeds te bezoeken?” vroeg de Gouverneur-Generaal.

„Nieuws kan ik het niet bepaald noemen; men zegt hier met alle stelligheid dat Adipati Anoem zich geducht wapent om ons te ontvangen en dat hij zich de hulp verzekerd heeft van den schurk, die sinds jaren ongestraft den Oosthoek verdrukt.”

„Dan weet ik nog meer! Dien schurk, zooals gij hem noemt, kunnen wij onschadelijk maken, meer nog, wij kunnen hem tot onzen vriend en bondgenoot verkrijgen.”

De Wilde’s oogen schoten vonken.

„Dat is u geen ernst, Uw Edelheid! Bondgenootschap sluiten met een slaaf, met den verachter van ons gezag, met den moordenaar onzer broeders? Wat voor goeds kan er voortkomen uit zulk een verbond? En dat zegt gij, Tak’s zwager!”

„Gij ziet dat de belangen der zaak die wij dienen alle gevoelens van familieliefde bij mij kunnen doen zwijgen. De vraag is echter nog steeds, wie moeten wij als hoofdschuldige beschouwen, de Mataramsche Vorsten of Soerapati?”

„Hem, den ellendeling, dat is duidelijk!”

„Ge zijt vooringenomen tegen den slaaf, De Wilde! Ik voor mij geloof dat hij een man is, met wien te handelen valt, geen oud wijf als die prinsjes van Bantam, Cheribon en Mataram, willooze werktuigen in de handen hunner rijksbestuurders. Hij weet wat hij wil en zoo hij zich aan ons verbindt, dan zullen wij staat op zijn woord kunnen maken.”

„Juist omdat hij een man is met een wil en een vast plan is hij dubbel voor ons te vreezen. Waarom was Troeno-Djojo zulk een geduchte vijand, omdat hij geen stroopop bleek te zijn als die verwijfde vorsten. Verbind u met hem, weldra zal hij onze meester zijn, die de Compagnie wetten voorschrijft en ons wellicht uit Java verjaagt.”

De Gouverneur-Generaal dacht ernstig na.

„Ge wilt zeggen, zulke menschen is het voordeeliger tot vijand te hebben dan tot vriend?”

„Ja, Uw Edelheid, als vijand kan men zich van hen ontslaan. De vriendschap echter legt verplichtingen op. Zij verblindt de oogen door geschenken en beloften, en als deze oogen opengaan dan is het te laat!”

„Maar als we den oorlog beginnen zonder den Raad van Zeventienen te raadplegen, De Wilde, zoo laden we groote verantwoordelijkheid op ons.”

„Indien gij nog eerst naar Europa schrijven moet, geeft ge Soenan Mas tijd zich te versterken en zich met den hoofdman van het rooverkoninkrijk te verstaan.”

„Wij zullen uitvoeren wat de Raad van Indië besluit,” sprak de Gouverneur-Generaal, opstaande, ten bewijze, dat het onderhoud geëindigd was.

„Houd me ten goede, De Wilde,” sprak hij, „dat ik ga ontbijten; de staatszaken hebben mij reeds zoo vroeg in beslag genomen, dat het geen wonder is, zoo mijn maag er zich luide over begint te beklagen.”

Hij schoof de papieren weg en stak toen als toevallig de linkerhand, waarin hij iets verborgen hield, in zijn borstzak. De Wilde bemerkte die beweging niet eens toen de Opperlandvoogd hem de rechterhand tot afscheid reikte.

„Dus Uw Edelheid zal aan die gevaarlijke vriendschap niet meer denken?” vroeg hij met gefronst voorhoofd.

„Mijn denken laat zich niet beperken, zelfs niet door den raad van een vriend als gij zijt, De Wilde,” gaf hij met zijn gewone opgeruimdheid ten antwoord, „en daarom zal ik ook uw woorden overwegen en hen alle aandacht schenken, die ze verdienen.”

Hij gaf hem een wenk dat hij heen zou gaan; De Wilde boog en vertrok. De hellebaardier gaf hem zijn degen terug, dien hij binnentredend had moeten afgeven, daar niemand den Oppergebieder gewapend mocht naderen en Van Hoorn verwijderde zich door een zijdeur naar zijn bijzondere vertrekken.

In een open galerij die op een bloementuin uitzicht gaf, zaten drie dames, mevrouw Maria van Hoorn, geboren Van Riebeek, haar stiefdochter Petronella Wilhelmina en de nicht van Zijn Edelheid, de jonge mevrouw Voorneman.

„Hé, wat een verrassing! Mijn drie gratiën vereenigd!” sprak de landvoogd blijde, „waaraan heb ik het genoegen te danken, mijn lieve nicht reeds zoo vroeg in den morgen aan mijn tafel te zien?”

Er lag nog steeds een vermoeide trek op Digna’s gelaat; juist hadden de dames in stilte de opmerking gemaakt dat ook de frischheid harer wangen reeds den invloed van het klimaat begon te ondervinden en zij hun zachten blos ruilden voor de mat-bleeke tint der Indo-Europeanen.

Toch was de glimlach, waarmede zij haar oom begroette even vriendelijk als altijd.

„Mijn man vertrok op den gewonen tijd naar zijn werk en Albert is den geheelen dag op een kinderfeest verzocht ten huize van den heer de Boo; ik zag er tegen op zoo lang alleen te zijn en besloot dus voor dezen morgen het gezelschap te zoeken mijner geëerde tante en mijner lieve nicht!”

„Dus het mijne niet! Gij stelt me bitter te leur, Digna; ik meende, dat ook mijn aanwezigheid eenige waarde voor u had!”

„Hoe zou dat kunnen wezen?” zeide mevrouw Van Hoorn, „onze nicht wist toch reeds vooruit dat zij van te korten duur zou zijn om er op te kunnen rekenen; zelfs bij ons ontbijt moesten wij dat gezelschap missen.”

„Hoe minder men iets geniet, op hoe hooger prijs men het placht te stellen.”

„Foei oom! Is ’t daarom dat gij het ons opzettelijk onthoudt?”

„Opzettelijk? Neen, mijn wellieve! zulk een moed zou mij ontbreken; of meent ge niet, dat ik het bijzijn der drie schoone bloemen, die mij omringen, noode opoffer aan dat van lastige bezoekers en muffe stukken papier, maar de onverbiddelijke plicht dwingt mij langer in hun midden te leven dan mij aangenaam is. Voor mijn dierbare vrouw heb ik echter een verrassing die ongetwijfeld ruim zal opwegen tegen het missen van enkele minuten van mijn gezelschap!”

En haar hand in de zijne nemende, stak hij aan een harer vingers den kostbaren ring, die hem zoo pas door Soerapati’s afgezant was gebracht. De zonnestralen braken in den steen en wierpen hun bonte stralen naar links en rechts, tot groote bewondering der drie vrouwen. Zij verdrongen zich om den diamant, Digna echter meer uit beleefdheid dan omdat zij zelf zooveel vermaak had in deze kostbare liefhebberijen.

Maria van Hoorn kuste haar echtgenoot vol dankbaarheid en Petronella’s lipje hing een weinig bij de gedachte:

„Als vader niet getrouwd was, zou dat geschenk voor mij zijn geweest.”

Niemand vroeg naar de herkomst van het schitterende juweel.

„Wel, mijn schoone Digna, op die voorwaarde mag ook uw gemaal zeker wel eens te laat aan het ontbijt verschijnen,” schertste Zijn Edelheid.

„Ik zou evenals mijn goede tante vergeving schenken nog vóór mij zulk een pand der verzoening werd geboden, en denken dat, waar zelfs mijn machtige oom voor wreede noodzakelijkheid bukt, des te eer mijn echtgenoot zich daarmede kan verontschuldigen.”