Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 16
„Ge vergeet dat ik een geboren Indische ben,” hernam Digna, „’t is echter waar dat ik sinds lang den smaak der Indische keuken vergeten ben, ik had er trouwens den tijd toe; maar alles smaakt mij goed. Zoo de jonge heer Dammers ons eens het genoegen wil doen onze bescheiden tafel te deelen dan hoop ik hem echter het bewijs te leveren dat men ook te Batavia de Hollandsche spijzen niet behoeft op te geven.”
„Koerang adjar!” [18] mompelde mevrouw Dammers haar dochter in ’t oor.
„Betoel,” [19] bevestigde de jonge juffrouw.
„Mevrouw, de eer, het genoegen zullen aan mij zijn,” riep de jonge man verrukt uit.
„Ge spraakt daar over den Eerwaarden Heer Valentyn, neef,” zeide de oude Heer Dammers, „maar gij hebt daar ook juist een voorbeeld opgenoemd dat niet verdient nagevolgd te worden. Die Eerwaarde Heer, verheugt zich in geen sterke gezondheid en maakt zijn ziekelijken toestand nog erger door zich allerlei kwalen in te beelden en die toe te schrijven aan de levenswijze alhier.”
„Met uw verlof, Edele Heer!” sprak Digna, „maar ik voor mij geloof dat de Europeanen hier over het algemeen veel gezonder zouden zijn, indien zij hun levenswijze en kleeding schikten naar de eischen van het klimaat.”
„Bijvoorbeeld, zooals u het doet, jong mevrouwtje! Wel zeker, ik zou ieder raden, die zijn hoofd zag vergrijzen in Oost-Indië, uw raad te volgen, die u zoo welwillend mededeelt,” beet mevrouw Dammers haar spottend toe, „u weet alles veel beter schijnt het dan wij, die reeds over de 20 jaar op Batavia wonen.”
„Vergeef mij mevrouw, het was mijn bedoeling niet u mijn zienswijze op te dringen,” hernam mevrouw Voorneman altijd even beleefd, „mag ik de jonge juffrouw nog een kopje thee schenken?”
„Dank u, lust niet,” was het antwoord.
„Nicht Hendrika brandt uw tong nog?” vroeg de jonge heer die zich nu bij de dames voegde, daar hij voor de lieve gastvrouw een sympathie voelde, welke hem tot nu toe in dit land vreemd was gebleven.
„Wat?” vroeg zijn nicht.
„Ik vraag u of uw tong nog brandt van dien duivelschen kost, welke u mij straks heeft doen proeven. Ik voor mij, mijn lippen gloeien nog telkens.”
De jonge juffer barstte in een ongemanierd gelach uit en haar neef ging voort nu tot Digna gericht:
„Verbeeld u mevrouw, zij bood mij straks iets aan dat zij vruchten in gelei noemde en recht smakelijk met de vingers aan haar mond bracht. Ik hapte toe en ô foei! Het was of mijn verhemelte en tong in lichte laaie stonden.”
Nonna Hendrika bleef het uitgieren. „’t Was roedjak [20]!” klonk het alleen tusschen de lachbuien door.
De beide heeren hadden intusschen hun gesprek over politiek hervat, zij bespraken de kansen op een nieuwen Java-oorlog, die nu hoe langer hoe waarschijnlijker werden.
De oude, versufte Soesoehoenan Hamangkoe-Rat was overleden tot groote vreugde van zijn oudsten zoon en erfgenaam Adipati Anoem, die reeds tijdens het leven van den ouden keizer zich als zijn opvolger had doen erkennen. De Rijksgrooten bogen voor het geweld, maar zagen toch met leede oogen den wreeden, wellustigen prins den troon zijns vaders innemen; met beide handen grepen zij het voorwendsel aan, dat hij volgens de adats (wetten of gewoonten) van de regeering uitgesloten moest zijn, omdat hij kreupel was.
Ook de Compagnie was niet ingenomen met den nieuwen keizer, die van zijn haat tegen de Hollanders geen geheim maakte en van verlangen brandde hen allen te verdelgen of ten minste uit Java te verdrijven; van hem kon de Compagnie het allerminst verwachten dat hij een einde zou maken aan de gespannen verhouding, die sinds den moord op kapitein Tak, dus sinds 1686, tusschen Karta-Soera en Batavia heerschte. Nog altijd was de schuld van 1200000 rijksdaalders niet vereffend; in de brieven, welke hij naar Batavia zond, repte hij geen woord over deze schuld.
Het verzet in Karta-Soera werd echter hoe langer hoe heviger, totdat eindelijk ’s keizers oom Pangeran Poeger, na een vernederende straf hem door zijn neef opgelegd, naar Samarang vluchtte om de bescherming der Compagnie in te roepen; deze zag nu de kans schoon om invloed te verkrijgen aan het Mataramsche hof.
Daar er van den nieuwen keizer, Soenan Mas genaamd, niets voor haar te hopen viel, verklaarde zij hem niet te erkennen maar in zijn plaats zijn oom te huldigen rondom wien zich dadelijk de voornaamste rijksgrooten vereenigden en die nu onder den naam van Pakoe Boewana als keizer optrad; hij beloofde geheele onderwerping en onbegrensde dankbaarheid aan de Hollanders, die nu, zoodra hij op den troon geplaatst zou zijn, begrepen een gewillig werktuig ter bereiking hunner plannen in de hand te hebben.
Maar nog heerschte Soenan Mas in werkelijkheid hoewel hij zijn toestand gevaarlijk scheen te achten want zijn houding tegenover de Compagnie veranderde geheel; even trotsch en aanmatigend als zij vroeger geweest was, zoo kruipend en onderdanig werd zij thans. Hij deed de buitensporigste beloften wanneer men hem slechts erkennen wilde en zijn oom aan hem uitleverde. Al zijn pogingen waren vergeefsch; zijn toestand werd steeds hachelijker, zelfs de gezanten, die hij aan de Compagnie toezond, onderwierpen zich aan Pakoe Boewana en keerden met verraad in het hart naar hem terug.
De Compagnie had nu eindelijk besloten om door kracht van wapenen den afgezetten keizer te bestrijden; onlangs waren er nieuwe strijdkrachten uit Europa aangekomen, weldra zouden zij Batavia verlaten om naar Karta-Soera op te rukken. Deze oorlog kon der Compagnie een geduchte nieuwe macht verzekeren zoo zij tot een goed einde werd gebracht.
„En toch,” sprak de heer Voorneman, „zal er niets gewonnen zijn, zoolang daar in den Oosthoek, die Balineesche slaaf den scepter zwaait. Hij is meer te vreezen dan de Mataramsche prinsen in hun verwijfdheid weggezonken.”
„Maar ook tegen hem zullen wij onze krachten laten oprukken en dan zal evenmin de steun der Javanen ons ontbreken, want Soerapati of, zooals hij zich thans noemt, Radhen Adipati Wiro Negoro is de bitterste vijand van Mataram.”
„Gelooft ge dat waarlijk, vriend? Er is zoo weinig op de vijandschap of vriendschap dier menschen te bouwen; men zegt dat Soenan Mas zijn hulp en bescherming zal inroepen, zóó wij voortgaan de ooren te sluiten voor zijn overdreven aanbiedingen; als dat zoo is, dan zal het tegen dien geduchten vijand zijn dat wij moeten strijden, des te meer geducht daar hij kennis heeft van onze toestanden en onze wapenen.”
„Spreekt ge van Soerapati?” vroeg mevrouw Voorneman zich in het gesprek mengend, waarschijnlijk omdat het haar verveelde naar hare bezoeksters te luisteren, „is dat dezelfde, die oorzaak was van den wreeden dood mijns vaders?”
„Juist mijn lieve! Die man was eenmaal slaaf hier op Batavia, men zegt dat hij wegens een liefdesgeschiedenis met een Hollandsch meisje, in de gevangenis opgesloten, wist te ontkomen en later naar Karta-Soera vluchtte; daar wilde de valsche keizer of zijn rijksbestuurders hem gebruiken om de soldaten der Compagnie te vermoorden. De zaak zal altijd duister blijven. Uw vader, de buitengewone gezant der Compagnie, werd op den dag zijner aankomst gedood, door de Balineesche schelmen en nog is die hoon niet gewroken; de booswicht ontkwam en vestigde zich in Oost-Java, waar hij thans de opperheerschappij voert en zich koninklijke eer laat bewijzen. Zelfs het onafhankelijke rijk aan Balembangan is hem onderworpen; alle vijanden der Hollanders vinden bij hem een schuilplaats, geheele gewesten van Mataram behooren hem toe, daar hij ze veroverde en den keizer de macht ontbreekt zich te verzetten.”
„En moet die toestand nog langer voortduren? Is het geen schande dat de machtige Compagnie zich laat weerstreven door een ontvluchten slaaf, dat zij bijna twintig jaar ziet verloopen voor zij den hoon haar aangedaan wreekt? Ik was een kind van nauwelijks anderhalf jaar toen mijn vader stierf, nu ben ik reeds echtgenoot en nog gaat zijn moordenaar voort de Compagnie te tarten.”
De zachte, vriendelijke oogen van Digna flikkerden van verontwaardiging. De dames zagen elkander veelbeteekenend aan, de oogen van den neef rustten vol bewondering op haar schoon door de ontroering hooger gekleurd gelaat. Haar echtgenoot glimlachte en de Edele Heer Dammers haalde de schouders op.
„Die gevoelens doen uw kinderhart eer aan, mevrouw,” zoo sprak hij een weinig spottend, „maar de Compagnie is niet almachtig, vooral in de laatste jaren heeft zij genoeg moeten voelen hoe ook haar macht grenzen heeft. Toen uw hooggeachte vader, dien ik het voorrecht had van zeer nabij te kennen, vermoord werd, was de Gouverneur-Generaal Speelman juist overleden en had een schromelijke verwarring in de zaken van het Bestuur achtergelaten, een verwarring waarvan wij nu nog de gevolgen dragen. Ik voor mij geloof dat de Compagnie een langzaam verval tegemoet gaat; voor het oogenblik zal zij waarschijnlijk over de noodige kracht beschikken om geen nederlaag te lijden bij den oorlog, dien zij tegen Soenan Mas gaat ondernemen; om Soerapati echter aan te vallen, heeft zij den steun der Javaansche opperhoofden noodig. Bedenk mevrouw, hoe onberekenbaar veel schade haar een ongelukkige veldtocht in de oogen der Javanen moet berokkenen. Mag daaraan nu niet het zeer wettige verlangen naar wraak worden opgeofferd? ’t Is voor alles noodig, dat wij hun verschijnen als een verhevener soort menschen, hun geboren meesters, als onoverwinbare strijders.”
„En om dat doel te bereiken, nemen wij hun schatten aan, maken gebruik van hun twisten ten einde hen onder onze macht te doen buigen, maar hen te leeren ons te achten als een waarlijk goed en grootmoedig volk, daaraan denkt gij niet. Ik beklaag er mij over dat mijns vaders dood niet gewroken is, waarom dan zoo het wreken u te zwaar valt, geen gebruik gemaakt van het goddelijk recht der vergeving? Waarom maken wij misbruik van hun ondeugden om ons zelf rijker en machtiger te maken, waarom... maar het past mij jonge onervaren vrouw niet, mannen van beproefde ondervinding, verwijten te doen. Gij kunt er ook niets aan veranderen, ik zou het echter zooveel edeler en christelijker vinden wanneer de Hollanders in plaats van voor alles aan hun macht en rijkdom te denken, eens begrepen hoe droevig de toestand dier arme menschen is, en hoe het onze plicht is nu wij reeds zulk een groot gedeelte van hun land in het bezit hebben, den Javanen in ruil daarvoor de hoogere schatten te geven, welke wij bezitten, onze beschaving, onzen godsdienst.”
„Gij zijt de nicht van den Heer Opperlandvoogd,” zeide mevrouw Dammers minachtend, „waarom ontvouwt gij aan Zijn Edelheid uw denkbeelden niet, die in den mond van een predikant beter passen dan in den uwe? Och, wat zou mijn goede Margaretha zeggen als zij u hoorde?”
„Vergeef me, mevrouw!” zei de Digna bedaarder, „ik ben onbescheiden geweest, naar ik vrees, maar deze gedachten komen zoo dikwijls in mijn geest op dat zij als vanzelf mijn mond ontsnappen. Mag ik u nog een kopje thee aanbieden?”
„Het zal tijd worden op te staan en naar huis terug te keeren,” zeide mevrouw Dammers. „’t Is geheel donker geworden.”
Weinige oogenblikken later reed de koets, voorafgegaan door flambouwen, het erf van Voorneman af en de gastheer ging in de rijk met verguldsel en snijwerk versierde zaal zijner woning, ten prooi aan een hevige gemoedsbeweging op en neder.
Digna bracht haar stiefzoontje naar bed; toen het knaapje rustig sliep, keerde zij naar haar echtgenoot terug, die met blijkbaar ongeduld op haar wachtte. Hij kwam haar te gemoet, zij nam zijn beide handen in de hare en zag hem vertrouwelijk aan.
„Het spijt mij Markus,” sprak zij, „ik ben zeer onbedachtzaam geweest, heb ik groot kwaad gedaan?”
Hij drukte haar handen aan zijn lippen en antwoordde met gedempte stem:
„Gij zijt een dweepster, Digna, een lieve, heldhaftige dweepster. ’t Is uw schuld niet mijn arm kind, maar van uw omgeving, dat gij in haar midden niet past. O ware ik twintig jaar jonger en had u dan leeren kennen, welk een man hadt gij van mij gemaakt.”
Diep zuchtend liet hij zich in een der gebeeldhouwde leuningstoelen vallen zonder haar handen los te laten; zij bleef naast hem staan, vriendelijk en zacht als altijd.
„Gij moet mij leeren hoe mij in gezelschap dier dames te gedragen. Ze spreken een taal die ik niet versta. Veel liever luister ik naar de gesprekken der mannen, die zijn mij begrijpelijker. Verbeeld u Markus, dat die vrouw mij den raad gaf mijn slaven te laten geeselen zelfs als zij onschuldig waren om mijn gezag te handhaven, daar ik nog zoo jong was. En een andere vraag deed ze mij, die ik nog veel minder begrijp. Ze vroeg of ik met het schip dat eerstdaags naar Japan vertrekt niets mee gaf aan den onderstuurman; zij had reeds tien kisten klaar staan. Ik zag haar onnoozel aan en vroeg wat er met die kisten gedaan moest worden; zij gilde het uit van lachen, en antwoordde: „Wel natuurlijk, die worden daar verkocht,” en toen ik opmerkte: „Maar de dienaren der Compagnie mogen geen handel drijven,” lachte zij nog harder en hernam: „Wie zal ’t hun durven beletten want wee, als iemand het waagde hun te betrappen. Wij staan te hoog dan dat een ondergeschikt ambtenaar ons zou aanklagen, zij sluiten hun oogen!” Ik wilde er niets meer van hooren, maar is dat waar Markus, bestaat hier zulk een geheime handel, dan behoeft men ook niet te vragen, waarom die schijnbaar zoo machtige Compagnie inderdaad zoo zwak is; dan komen de schatten enkelen personen ten goede en niet het Vaderland. Kan de justitie daar niets tegen doen, Markus?”
Hij keerde den blik af en boog het hoofd, aarzelend hernam hij:
„Het kwaad is te algemeen, te diep ingeworteld, men kan het niet meer tegen gaan.”
„Van welken stand is mevrouw Dammers eigenlijk Markus,” vroeg Digna, die instinctmatig voelde, dat zij hier een onderwerp aanroerde dat haar man pijnlijk viel; „me dunkt zij moet in Holland niet tot de patricische familiën behoord hebben.”
„Zeer patricisch inderdaad!” antwoordde hij spottend, „haar moeder had een groentekelder in Leiden, en toen zij met haar eersten man naar Java vertrok, zegt men dat hij ginds wegens diefstal in de gevangenis had gezeten. Hij was hier timmerman, doch zij werden spoedig rijk, vraag liever niet hoe, en toen hij stierf vond zij een veel aanzienlijker echtgenoot, zoodat niemand het mijn vriend Dammers kwalijk nam toen hij haar derde man werd. Maar wilt gij vrede hebben, mijn liefste vrouw, neem de menschen en de zaken zooals zij hier zijn. Luister toe en spreek met mij over uw bezwaren, doch verkwist uw schoone gedachten niet aan menschen die niet waard zijn ze aan te hooren, die er misschien verkeerde gevolgtrekkingen uit maken, welke te eer geloof zullen vinden omdat men u benijdt om uw schoonheid, uw jeugd, uw verstand en ontwikkeling!”
„Ik zal uw raad opvolgen, beste man! En zeg mij steeds openhartig wanneer ik iets miszegd heb. Ik ben nog zoo jong en onervaren!”
„Ge zijt mijn grootste, mijn dierbaarste schat, het licht mijner oogen, de vreugd mijner ziel, o waarom ben ik geen jonge, krachtige man, in plaats van een afgeleefde, zieke grijsaard!” riep hij plotseling uit en strekte hartstochtelijk de armen uit naar zijn vrouw, die verrast, meer door den klank zijner stem dan door die beweging achteruit ging.
„Ge ontwijkt mij!” zeide hij op moedeloozen toon en zakte toen in zijn stoel terug, „’t is waar, ge hebt mij lief misschien, als een vader echter doch niet als een echtgenoot. Er is een ander wiens herinnering leeft in uw hart en dien gij niet vergeten kunt.”
„Spreek zoo niet Markus!” zeide Digna met neergeslagen oogen, „hij is dood voor mij, misschien behoort hij ook werkelijk niet meer tot de levenden. In elk geval ik heb u trouw en liefde beloofd, en met Gods hulp zal ik die belofte vervullen en slechts leven voor u en voor ons kind!”
„Ik weet het Digna, ik weet het! Gij zijt een voorbeeldige echtgenoot, een zorgvuldige moeder; ik dank God dat Hij u aan mij schonk, dwaas ben ik meer te verlangen, hoe kan ik van u de liefde verwachten, die gij eenmaal uw jongen vriend in zoo ruime mate geschonken hebt, maar o ge weet niet hoe ik u heb lief gekregen....”
„Gij hebt mij voor ons huwelijk slechts gesproken van vriendschap en genegenheid en ik beloofde u beide op mijn beurt daar ik geen liefde meer weg te geven had. Die heeft de ander medegenomen. God alleen weet waarheen!”
Haar woorden eindigden in een snik, hij hoorde het en preste de handen op zijn hart als wilde hij met geweld een duldelooze pijn onderdrukken.
„Vergeef mij,” bad zij en knielde naast hem neer, haar lief, onschuldig gelaat smeekend naar hem opheffend, „’t is mijn schuld niet; ik heb u niet bedrogen, ik tracht mijn plicht te doen en hem te vergeten. Niet ik begon dit voor ons beiden zoo smartelijk onderhoud.”
„Ik doe u geen verwijten Digna, ’t is alles mijn schuld. Ik heb u meer of minder beloofd dan ik geven kon, maar ik was geen meester van mijn hart. Eerst na ons huwelijk begon mijn kalme vriendschap voor u over te gaan in een liefde zoo vurig en hartstochtelijk dat zij belachelijk schijnt voor mijn grijze haren. Nooit eerder wist ik wat het beteekende een edele, reine vrouw te beminnen, een vrouw, die den dampkring zuivert, waarin zij ademt, een vrouw, die ons liefde afdwingt en tegelijk ook achting, die met ons denkt, leeft en voelt, die van haar huis een heiligdom maakt, waarin alle deugden geëerd en beoefend worden. Die vrouw hebt gij mij leeren begrijpen. Helaas! Digna! te laat! Ik ben wel krankzinnig om u over mijn gevoel te spreken, wellicht verstoor ik uw kalmte en rust, de gaven, waarvoor gij mij ’t dankbaarste zijt en die de eenige zijn, welke ik u geven kon. Ik had mijn geheim naar het graf willen meenemen, waarvan ik misschien nog zoo kort verwijderd ben.”
Met tranen in de oogen zag Digna hem aan; diep medelijden, innige toegenegenheid las hij in dien blik, meer niet; zij hield haar handen gevouwen op de leuning van den stoel, maar stak ze niet uit om hem te liefkoozen. Hij streek zich over het gelaat, zuchtte diep en stond toen op.
„Ga even rusten, lieveling!” zeide hij, haar opheffend en een lichten kus op haar voorhoofd drukkend, „tracht te vergeten wat ik u gezegd heb en laat alles weer zijn zooals vroeger.”
„Zooals vroeger!” herhaalde Digna bij zich zelf, toen zij alleen was, „hoe zal dat ooit geschieden? Ik voelde mij zoo rustig, zoo kalm onder zijne bescherming, zal ik ’t nog steeds zijn wanneer ik weet dat hij bitter lijdt en ik mijn goede man niet schenken kan, wat hem troost?”
IV.
IN DEN MANESCHIJN.
Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.
Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.
„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.
„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”
„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”
„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”
Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.
„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.
„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”
„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”
„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”
„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”
„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”
Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.
„Och Markus,” fluisterde zij, „wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”
De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.
Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?
Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.
Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.
„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.
„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.