Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 13

Chapter 133,935 wordsPublic domain

Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.

„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel....”

De dood had hem belet den volzin te eindigen.

Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.

„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”

„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”

„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”

„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”

„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”

„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”

„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van... van mijn geliefden doode hebt verleend.”

„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”

„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen, „hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”

„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”

„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”

„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”

„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”

Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.

„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”

„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”

„Ik ben hier op mijn grond en beveel u....”

„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede, „dan zal ik u dwingen.”

En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.

’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.

„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”

IV.

EEN STEM UIT HET GRAF.

Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.

Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.

Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.

Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.

„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.

Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?

Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.

Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.

Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.

„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”

Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.

Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.

„Aan mijn Zoon!

„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.

„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.

„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.

„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.

„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.

„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.

„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.

„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd!

„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.

„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.

„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:

„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”

Toen antwoordde ik beslist:

„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”

„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede, „een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”

„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.

„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”

„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”

„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.

„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”

„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.

„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”

„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”

Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.

„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”

„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”

„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”

„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”

„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.

„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap, „laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”

„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.

„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”

„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.

„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.

„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.

„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.

„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.

„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.

„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.

„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.

„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.

„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.... ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?

„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.

„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.

„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder

„Suzanna.”

En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.

„Den 18den van Oogstmaand Ao Di 1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14den van Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21ste jaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.

„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.

„Machteld van Reijn.”