Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java

Part 12

Chapter 124,015 wordsPublic domain

„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.

Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.

Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.

In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.

„Mijn vader!” vroeg hij angstig.

De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.

„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.

II.

ROBERT VAN REIJN.

Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.

Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.

Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.

Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.

Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.

Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.

Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.

Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.

Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.

Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.

Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.

Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.

Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den in Karta-Soera in 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.

Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden, zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.

Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.

Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.

Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.

„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.....”

Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:

„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”

„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.

Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert, die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.

Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.

„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”

Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.

Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.

Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.

Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.

„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.

„Dank u, Johan, dank u!”

„Een beker wijn zal u goed doen jonge... mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”

„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”

„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”

„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”

„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”

„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”

Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.

„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”

Ook Robert’s gelaat klaarde op.

„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”

„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”

„Ja, ’t is goed!”

En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.

„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”

„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat... nadat alles afgeloopen was.”

„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”

Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:

Aan Robert. Te openen als hij 21 jaar oud is.

„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”

III.

OOM EN NEEF.

Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.

Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.

„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.

„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”

Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.

„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.

Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.

Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.

Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:

„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voor Zijn rechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”

Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.

„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn... zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”

Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.

„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”

„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten...”

„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.

„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”

Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.

„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.

„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”

Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.

„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”

Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.

„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”

„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.

„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad... mijns broeders!”