Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 11
„Dan moeten we krachtige middelen aanwenden,” sprak de Commissaris. „Heer Van Vliet, ik verzoek u met luitenant Van der Meer een compagnie soldaten mee te nemen en u onverwijld naar het paleis te begeven, den keizer te spreken en hem te zeggen dat de Compagnie niet met zich laat spotten of gekscheren; hij moet mij dus onmiddellijk Soerapati en zijn volk dood of levend uitleveren of anders zal het hem, zijn Mantri’s en zijn hof kwalijk gaan. Ik zal hen allen als vijanden beschouwen van de Hooge Regeering, die ik de eer heb hier te vertegenwoordigen.”
De Opperkoopman reed vooruit met zijn gevolg, terwijl de Commissaris zich onverwijld naar den pagger begaf, die de loodsen omgaf, waarin de soldaten der Compagnie gelegerd waren. Hij liet alle meegebrachte „bagage” naar binnen brengen en toen zijn manschappen op het plein voor den pagger in slagorde plaats namen, voorzag hij hen van nieuwe ammunitie en wachtte alzoo het antwoord des Soesoehoenans af.
Lang bleef de Opperkoopman niet weg, hij keerde terug met de boodschap, dat de Soesoehoenan niet te vinden was, daar de onverschrokken held zich op de vlucht bevond. Van Vliet, die echter de streken der Javanen kende, liet zich niet afschrikken en zond den luitenant naar binnen om den keizer te zoeken. ’t Duurde niet lang of Zijn Hoogheid verscheen weer; bleek en ontdaan, gaf hij in krachtige termen zijn voornemen te kennen om den muiteling Soerapati achterna te zetten en riep nogmaals dringend de hulp der Compagnie in tegen den woesten roovershoop.
Van Vliet antwoordde vrij barsch, dat het zijn werk niet was zelf tegen oproermakers te velde te trekken; hij had hulp genoeg en de Hollanders zouden hem, als hij ’t werkelijk goed met hen meende, wel kunnen beschermen; de Opperkoopman keerde naar den pagger terug en gaf verslag van zijn zending.
„De loosheid van dat gebroed kent geen grenzen,” sprak hij. „Als ik u een raad geven mag, Heer Commissaris, hak er dan maar lustig op los, en neem den ouden gluiperd gevangen. Hij voert iets tegen ons in het schild.”
„Maar ’t kan ook wezen, Heer Van Vliet, dat hij werkelijk in benauwdheid zit; ’t is gevaarlijk spel tegen den keizer van Mataram vijandig op te treden. Mijn instructie zegt daar niets van, zij schrijft mij vredelievende maatregelen voor tot de uiterste grenzen; wij moeten hem op zijn woord gelooven.”
„UEd. heeft genoeg gezien hoe valsch en laf het Javaansche volk is; toen met den opstand van Troeno-Djojo hebben wij toch gezegevierd.”
„Omdat wij toen met den keizer en met het volk streden, nu zouden wij èn tegen keizer èn tegen volk moeten optreden. Van alle kanten omringt ons de overmacht. Wij zijn slechts in betrekkelijk klein getal; het veiligste is het keizerlijke woord te gelooven en te trachten den Balinees in handen te krijgen.”
Van Vliet haalde de schouders op en sprak slechts:
„Moge het u niet berouwen!”
De Commissaris zond nu kapitein Grevink met een vijftal mannen naar het hof om den persoon van den keizer te bewaken. Intusschen schenen de vlammen naderbij te komen; Soerapati was in den kraton en verspreidde overal waar hij ging schrik en ontzetting; de Hollanders bleven een afwachtende houding bewaren, totdat plotseling de gouverneur van Japara Adipati Oerawan te paard kwam aanrijden en in hevige ontroering uitriep:
„Help ons Edele Heer, de muiters zijn ten oosten van het hof, zij zetten alles in vuur en vlam; het zal gemakkelijk zijn hen nu te overmeesteren.”
„Wijs mij dan den weg!” beval hij den Adipati, droeg aan luitenant Eygel op met zijn manschappen bij den pagger de wacht te houden en snelde in vollen galop aan het hoofd der drie compagnieën voort in de richting, welke de gouverneur van Japara naast hem rijdend aanwees.
Met vollen trommelslag rukten de soldaten voorwaarts ten oosten van het keizerlijke hof; inderdaad zag men daar de huizen in brand staan. De luitenant van der Meer reed vooruit maar ontdekte nergens sporen van den vijand.
„Ik vrees dat we verraden zijn,” zeide Commissaris Tak, en zich tot den Adipati wendend riep hij vertoornd uit: „gij hebt mij opzettelijk belogen.”
„Neen Edele Heer! Allah weet dat ik ter goeder trouw meende dat de Balineezen het oostelijke gedeelte van den Dalem hadden aangevallen; men kwam het mij uit het paleis zeggen.”
„Addergebroedsel!” mompelde de Commissaris, „zij weten zelf geen logen van waarheid te onderscheiden.”
Hevig geweervuur deed zich achter hen hooren; zeker was men binnen het hof slaags geraakt. Tak keerde zich om en zag rookwolken, gelekt door vurige tongen hoog in de lucht zweven.
„De missigit staat in brand!” riep de Adipati uit, „de vijand is dus op de aloen-aloen!”
„Terug, terug naar de pagger der Compagnie!” kommandeerde Tak, „spoedig, spoedig!”
En zij rukten met den meest mogelijken spoed terug naar de brandende moskee. Toen zij daar kwamen, snelden de vluchtelingen hen tegemoet; kapitein Grevink was reeds gesneuveld met zijn soldaten. Soerapati had zich achter de gebouwen verschanst, moord- en brandlust maakte zich van zijn gezellen meester, overal zwaaiden zij hun brandende toortsen, zoodat aan terugtrekken niet te denken viel.
Voor hen verzamelden zich de troepen der Compagnie vast besloten hen levend of dood in handen te krijgen, nergens scheen meer een uitweg; zoo waren zij benepen tusschen vuur en wapenen.
De troepen van den Soesoehoenan waren niet te zien; in zijn vrouwenvertrekken was de verwijfde keizer bevend en sidderend weggekropen op struisvogelmanier het gevaar niet willende zien, hopende dat het weg zou drijven.
Soerapati overzag den nijpenden toestand; achter hem strekte zich steeds hooger en hooger een muur van vlammen uit, de laffe Javaansche grooten hadden het terrein aan de Balineesche muitelingen overgelaten.
„Makkers,” riep hij uit, „veel hebben wij samen doorstaan, maar nimmer was de nood zoo dringend! Wat is uw verlangen? Ge ziet hoe ver de zaken zijn gekomen; gewone dapperheid baat hier niet meer, slechts de wensch om het uiterste te beproeven kan baten. Wij moeten den dood zoeken want alleen in doodsverachting ligt de eenige kans tot redding der hopeloozen. Wilt ge echter dit uiterste niet wagen, laat ons dan onderhandelen met de Compagnie!”
„Nooit, nooit,” gilden allen, „liever den dood dan de slavernij.”
„Welnu, volgt mij dan! Zij zullen wel vergiffenis beloven, zeker wacht ons toch bij hen een ijselijken dood. De dood gaapt ons van alle zijden aan. Laten we hem dus tegemoet gaan als onverschrokken krijgslieden, misschien neemt hij ons dan niet, want de dood weigert vrijwillige geschenken. Vooruit dan, vooruit!”
De Balineezen hieven een woest krijgsgeschreeuw aan en stormden hun aanvoerder in wilde vaart achterna. Vreeselijk was Soerapati’s aanblik, zijn haren besmeurd met roet fladderden om zijn ontbloot hoofd, in flarden hing zijn krijgshemd om zijn bloote schouders, het bloed droop langs zijn naakte leden; een knaap achter hem droeg zijn pieken, hij wierp ze telkens met vaste hand voor zich uit, terwijl hij met de andere zijn kris hoog boven het hoofd zwaaide en luid den bloedigen kreet uitte:
„Amok, Amok!”
Commissaris Tak had zijn manschappen op het plein gelegerd; de Compagnie van luitenant van der Meer ter rechter, die van Vonk ter linker en van Eygel in het midden, Madureezen en Javanen waren ter zijde geplaatst; hij zelf ging voort in ’t front zijn bevelen te geven toen de dolzinnige troep al schreeuwend en tierend door de poort naar buiten snelde; het vuur der Hollanders deed hen terugwijken en zij werden weer teruggedrongen tot aan de poort.
„Moed, mannen, moed!” gilde Soerapati, „vreest gij den dood? Hij alleen kan ons redden. Amok, amok!”
„Amok!” herhaalden allen schel krijschend en beproefden nogmaals den uitval; de Madureezen begonnen te wijken.
„Het is de duivel die hen aanvoert!” riepen zij, wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de oprukkende Hollanders; de damp der brandende gebouwen vervulde de aloen-aloen, en ontnam alle uitzicht.
„Redt u, redt u,” gilden de Madureezen, een algemeene paniek volgde, de soldaten der verschillende Compagnieën verwarden zich in elkander. De vijand rukte nader in den blinde met ware razernij er op inhakkend; geen vriend noch vijand werd meer herkend. De eene struikelde over den andere, verblind door kruitdamp, verward door het wanhopig geschreeuw der gewonden en de helsche kreten der aanvallers, luisterde niemand meer naar de kommando’s der bevelhebbers, de vaandels zonken neer, alles krielde en wemelde in onbeschrijfelijke wanorde door elkander. Links en rechts vielen de slachtoffers, officieren en gemeene soldaten zonken naast en op elkander, doorboord van lanssteken, ter aarde. De gezant sneuvelde, wanneer en hoe dit wist niemand, men vond later zijn lijk door twintig messteken verwond; ook de Opperkoopman van Vliet, de luitenants van der Meer en Vonk, behoorden onder de gevallenen. Als een bergstroom gelijk, die alles op zijn doortocht omverwerpt en vernielt, stortten de Balineezen met overweldigende kracht telkens weer op hun aanvallers, totdat deze of in het stof voor hen bezweken of naar alle zijden wegvluchtten.
Een gedeelte slechts van de Compagnie soldaten mocht de pagger bereiken, waar kapitein Leeman het kommando voerde en weldra door de wanhoopskreten der vluchtelingen den omvang der groote ramp vernam. Soerapati en zijn helden weken terug nadat zij zich over de lijken hunner aanvallers een weg hadden gebaand, in Zuid-Oostelijke richting naar het gebergte.
Daar vonden zij vrouwen en kinderen onder de hoede der kleine schaar aan welks hoofd Kiai Hemboong stond. Juichend snelde Koesoema haar gemaal tegemoet, die als overwinnaar maar uitgeput en verwond uit den strijd terugkeerde.
„En nu?” vroeg zij hem, „wat moeten wij nu doen mijn held, mijn Vorst?”
„Nu geloof ik dat de voorspelling van den dwerg waarheid bevat; de Compagnie weet thans welken vriend zij versmaad heeft en nog is onze vijandschap niet ten einde. Wij trekken naar het Oosten; op mijn makkers kan ik mij verlaten, met zulke helden kost het geen moeite een koninkrijk te stichten!”
„Allah zij geloofd!” fluisterde Koesoema tot Kiai Hemboong, „nu heeft hij Nonna Suzanna voor goed verloren! Welke angsten stond ik heden niet uit, vreezend dat hij zich weer zou verbinden aan de gevloekte blanken; nu echter scheidt een diepe rivier van bloed hem van zijn vroegere vrienden, en zulke stroomen zijn niet meer te doorwaden.”
DERDE GEDEELTE.
I.
AMSTELVREUGD.
In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven!
Maar toen in de eerste jaren van de 18de eeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.
Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.
Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.
Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.
Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.
Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.
„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”
„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”
„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”
„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.
„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”
„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”
„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij...”
„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”
„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”
Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.
„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”
En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”
„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.
„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.
„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”
„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”
„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”
Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.
De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.
„Waar zijt ge geweest?”
„Hebt ge vlinders gevangen?”
„Of bloemen geplukt?”
„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”
Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.
„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”
Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:
„Dan mogen we dadelijk beginnen!”
„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”
Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur!
Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.
Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:
„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.
Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.
„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.
„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.
Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:
„Robert van Reijn!”
De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:
„Zoekt u mij, mijnheer?”
„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”
„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”
„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”
„Dus er is haast bij! ô God!”
Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.
„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”
„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”
„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:
„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”
„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.
Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.
Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.
„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”
„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.