Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
Part 10
„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”
De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval groote staatsmanswijsheid getoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.
De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.
Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”
Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.
Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenige Makassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”
In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”
Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.
„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”
„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”
„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”
„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”
„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”
„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”
„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”
„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”
„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”
„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”
„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”
De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.
„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”
Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.
„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.
„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”
„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”
„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”
„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”
„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.
„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.
Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.
VII.
VERRAAD.
Groote verwarring en onrust heerschte in den kraton; de Soesoehoenan met verglaasde oogen en angstig bevende vingers zat omringd door zijn vrouwelijke lijfwacht op zijn troon, terwijl de voornaamste hofgrooten op eenigen afstand van hem neerhurkten.
Angst en schrik lagen duidelijk op aller trekken te lezen, niemand wist eigenlijk wat er te doen was, niemand wat de keizer verlangde; men vestigde nu de blikken op den Rijksbestuurder, dan op den zwakken, besluiteloozen vorst. Amirang Koesoemo alleen was kalm, niets gebeurde er wat hij niet voorzien en voorbereid had; alles ging zooals hij verwachtte en de groote slag moest nu geslagen worden. Hij wilde zich van den gezant en al de Hollanders ontdoen, reeds sinds lang droeg hij dit voornemen met zich om. Nooit was de gelegenheid schooner geweest, nooit zou zij zich weer op deze wijze voordoen.
De Pangeran Sampan Tjakra di Ningrat, regent van Madura was echter niet van de meening des Rijksbestuurders.
„De Hollanders zijn machtig,” sprak hij, „wat zal het u baten, al vermoordt gij ook den gezant en allen, die hem vergezellen? Morgen komen er nieuwe geduchte legers van Batavia om zijn dood te wreken; ge zult niets gewonnen hebben dan hun vijandschap en uw Hoogheid weet bij ondervinding hoe krachtig hun hulp is.”
De Soesoehoenan zuchtte:
„Had ik die nimmer noodig gehad!”
„Dan regeerde Troeno-Djojo nu in Mataram en gij zoudt als balling rondzwerven indien gij ten minste niet evenals uw Vader ter ruste waart gelegd in het eenzame Tagal-Wangi.”
„Uw vader heeft de lessen van den profeet veracht, hij liet de geestelijke raadgevers van zijn volk bij honderden vermoorden. Allah strafte er hem voor door waanzin en later door een smartelijken dood,” zeide op plechtigen toon de Pangoeloe of opperpriester.
Het gevaar en de afhankelijkheid, waarin de Soesoehoenan zich nu bevond gaven allen moed hem minder aangename waarheden te zeggen; met een giftigen blik zag hij den spreker aan en maakte wellicht het plan om als hij zich sterker zou voelen, zich over dien ongevraagden raad te wreken.
„Gij hebt de dienaars van Allah versmaad in den dag der verdrukking,” ging de Pangoeloe met klimmende verbittering voort, „gij hebt gekropen voor de kafirs, aan hen hebt gij een kroon te danken aan niemand anders. Weiger dan ook niet de schuld te dragen onder welker gewicht zij u thans verpletteren! Elke weldaad is een steen, die ons op den nek wordt gelegd en waarvan het moeite kost zich te bevrijden; door hun gunsten aan te nemen hebt gij u in hun macht gesteld. Wie weet hoe zij thans die macht zullen gebruiken? Ik kan u niet helpen! Gij noch uw vader hebt ooit Allah geëerd.”
„Het is nu de tijd niet tot nuttelooze verwijten,” zeide de Madureesche prins, „er moet een besluit genomen worden en hoe sneller hoe beter. Wilt gij Soerapati uitleveren?”
Hulpeloos zag de keizer zijn Rijksbestuurder aan, die tot nu toe met neergeslagen oogen had gezwegen.
„Help mij Radhen Adipati, help mij! Van u alleen verwacht ik mijn heil!” kermde hij.
„Den zwakken betaamt list,” zeide Amirang Koesoemo langzaam, „want gij zijt zwak o keizer! Zwak en uitgeput door de dure weldaden, die gij aan de Hollanders dankt. Gij moet u niet schamen die zwakheid te belijden voor de machtige vreemdelingen. Aan zwakken en vrouwen vergeeft men veel!”
„Uw woorden zijn duister, mijn zoon! Spreek klaarder taal!”
„De zwakke neemt de hulp aan, waar hij die vinden kan; hij buigt schijnbaar het hoofd in onderwerping voor den sterke en neemt in het verborgen de hand aan van dengene, die hem verlossen kan van den gehaten beschermer in wiens hart geen wantrouwen meer schuilt, dank die openbare hulde. Zijn nu mijn woorden duidelijker! o keizer?”
De Soesoehoenan sloot de oogen als wilde hij stil de woorden verwerken van zijn dienaar.
„Ik begin u te begrijpen Radhen Adipati, ge wilt dat ik Soerapati tot vriend houde en tevens ook den Heer Gezant vleie! Maar hoe zal dat geschieden?”
„Het is gevaarlijk o keizer!” zeide de Pangeran, „op twee lansen te vertrouwen, die niets liever wenschen dan zich tegen elkander te richten.”
„Niets kan gevaarlijk zijn waar een omzichtig oog de wacht houdt; verwarring is een goede afleiding! Laat Karta-Soera in opstand schijnen omdat de Balineezen zich verzetten willen tegen de uitlevering van hun hoofd! Gij zelf wenscht die uitlevering, gij draagt ze op aan den Radhen Tjakra de Ningrat, die uwe geheime bedoelingen begrijpt en eerbiedigen zal!”
„Ik breng liever geen opdrachten ten uitvoer met dubbel doel,” antwoordde de Pangeran minachtend.
„Ook niet als het heil des Meesters en het geluk van het Javaansche land er van afhangen?” vroeg de Pangoeloe. „Te veel reeds gunden wij aan den vreemdeling, die het alleen op onze schatten en op onzen grond heeft begrepen; waarom bleef hij niet in zijn eigen land? Om met ons handel te drijven, om ons te leeren wat hij kan en wat hij weet! Dwaasheid! Hij wil ons onderdrukken, ons afkeerig van Allah en zijn grooten Profeet maken, onze landen wil hij beheerschen, onze vorsten verdrijven en met blindheid zijn onze prinsen geslagen. Zij zoeken de hulp niet, daar waar zij alleen te vinden is, maar roepen den begeerigen ongeloovige om hun onderlinge feiten te beslissen; zij trachten niet eendrachtig met elkander te blijven, en vergeten dat de bundel saamgebonden pijlen, de kracht van den sterkste tart terwijl zij elk afzonderlijk door een kinderhand te breken zijn. Daarom mijn zonen, blijft eendrachtig, zweert den vijand te verslaan door geweld of door list. Allah wil den ondergang der ongeloovigen. Hij zal uw wapens zegenen! Ik beloof het u!”
„Maar als Soerapati bezwijkt?”
„Ge moet hem zien strijden dan zoudt ge dien twijfel geen toegang geven in uw hart,” zeide Radhen Adipati trotsch.
„Laat mij nog trachten alles in vrede te regelen,” verzocht de Pangeran Sampan, „ik wil Soerapati spreken! Het zou te onvoorzichtig zijn met de machtige Hollanders te breken om den wille van een weggeloopen slaaf!”
„Ge vergeet dat die slaaf een held is!” riep Koesoemo verontwaardigd uit, „een held wiens vijandschap nog meer te vreezen is dan die der Hollanders. Een tweede Troeno-Djojo, die het Mataramsche rijk zou kunnen doen sidderen als hij wilde.”
„Allah helpe mij! Ik weet niet waarheen ik mij wenden kan,” klaagde de keizer.
„Ge roept Allah aan in den dag der verdrukking! Zult gij hem nu ook aanbidden in den dag der overwinning?”
„Ik beloof... ik beloof hem een nieuwe moskee te stichten en een pelgrimstocht te doen naar het Heilige graf in het Diënggebergte, ik beloof...”
„Laat ons nu handelen,” riep Pangeran Sampan, „ik stel mij aan het hoofd mijner mannen, om met den Regent van Soerabaya bij Soerapati te hooren wat zijn voornemens zijn!”
De Rijksbestuurder glimlachte, en boog het hoofd; de keizer wenkte hem naderbij te komen en fluisterde hem toe:
„Wanneer alles mislukt, dan blijft ons immers de vlucht? Gij zorgt toch dat er een weg open gelaten wordt?”
„Wees gerust!” sprak de Radhen Adipati, „het zal niet noodig worden, maar beveel den Pangeran dat hij niets tegen de Balineezen onderneemt.”
In de kampong Babirong had Soerapati zich door een in haast opgeworpen pagger versterkt; toen de Madureesche prinsen aan het hoofd van hun talrijke manschappen bij de omheining kwamen, vroeg de Pangeran verlof toegelaten te worden.
Twee Balineezen brachten hun onmiddellijk naar binnen; gewapend stond Soerapati aan het hoofd zijner honderdveertig man; hij ontving de afgezanten des keizers hoffelijk en beleefd.
„Wij komen u aanzeggen,” sprak de Pangeran, „dat de Edele Heer Gezant niet den dalem des keizers wil binnengaan vóór wij u levend of dood aan hem hebben overgeleverd.”
„En wat is de wil van den machtigen keizer?” vroeg Soerapati. „Hij heeft mij en mijn mannen bescherming beloofd, en ons tot zijn lijfwacht aangesteld? Eischt hij nu dat ik de wapenen neerlegge? Dan handelt hij tegen zijn belofte?”
„De keizer heeft mij uitgezonden om u aan te zeggen dat gij de Hollanders zoudt te gemoet gaan.”
„Is dit om genade en vergiffenis van den Heer Tak te verwerven? Zeg dan aan den Soesoehoenan, dat ik den gezant zal te gemoet gaan als hijzelf het ook doet, wij zijn tot zijn lijfwacht aangesteld en daarom ruk ik niet uit, dan wanneer de keizer mij beveelt hem te vergezellen, al zou ’t ook zijn naar Batavia.”
„Ik trek met mijn mannen den Hollandschen gezant te gemoet, wilt ge met mij gaan?”
„Neen, ik ben niet tot uw lijfwacht aangesteld.”
„Welnu,” sprak de Pangeran, „dan moet ik u aanvallen en tot overgave dwingen.”
„Ge kunt het beproeven, wij zijn tot het uiterste besloten.”
De prinsen vertrokken en Kiai Hemboong, die achter Soerapati had gestaan, wenkte hem tot teeken dat hij iets te zeggen had.
„Radhen Goesik Koesoema moet u spreken.”
Hij keerde zich om en ging naar zijn woning, waar alle vrouwen en kinderen zijner Balineezen verzameld waren. Angst en schrik lagen op aller gelaatstrekken te lezen; Radhen Goesik alleen was kalm, zij sprak allen moed in en met een glimlach op de lippen kwam zij haar echtgenoot te gemoet.
„Ik heb een boodschap voor u,” zeide zij, „alles is schijn! De Soesoehoenan rekent op uw hulp om hem van de Hollanders te verlossen.”
„En de tienduizend mannen, die mij dadelijk gaan omsingelen?”
„Zullen ons den uittocht niet beletten; ge moet er u door heenslaan en den dalem bereiken om den Soesoehoenan te kunnen beschermen.”
„Ik begrijp niets van de bevelen, die tot mij komen? Ze zijn allen even tegenstrijdig. Wat wil de Soesoehoenan? Zich van mij ontdoen, of mij handhaven; het is uw vader, die alles regelt. Ik ken zijn geheime wenschen maar wie is mij borg dat ook de andere hofgrooten ze deelen. De rol, die men mij geeft walgt mij; ik ben een soldaat, een rooverhoofdman, wat men wil, maar geen dalang, [16] die telkens andere stemmen aanneemt, andere personen voorstelt.”
Hij dacht na, plotseling hief hij het hoofd op, zijn oogen schoten vlammen, hij greep zijn kris en riep uit op vasten toon:
„Ik zal dan ook handelen als soldaat; ik zal strijden tegen wie mijn vrijheid bedreigt. Hetzij tegen de mannen van den Soesoehoenan, hetzij tegen de Hollanders! Mijn vrijheid of de dood! Geen laffe listen meer, ’t is mij onverschillig wie overwint, de keizer of de Hollander, maar ik wil geen slaaf meer zijn!”
In verrukking staarde Koesoema hem aan.
„Dat alleen verwachtte ik van u, mijn echtgenoot! Strijd met moed! Zie, neem deze kris van mij aan, zij werd eens gedragen door Troeno-Djojo, den dapperen Madurees, die den laffen keizer uit Mataram verdreef, Kolomisanie is haar naam. Hij zelf ontving haar van een heiligen boeteling, en vergeet ook de tooverspreuk niet, die Boeloe Kidoer u toefluisterde in het gebergte van Galongong. Als gij die uitspreekt zal de vijand uwe legermacht verhonderdvoudigd zien en op uw nadering vluchten.”
„Ik dank u prinses!” antwoordde Soerapati, het wapen eerbiedig aan zijn hoofd brengend en het toen aan den gordel bevestigend, „ik zal strijden tegen allen, die u in gevaar mochten brengen slavin te worden. Maar een angst houdt mijn ziel nog gevangen, ’t is een vrees, die mij bekruipt. Wat zal er worden van u, wat van al die zwakke vrouwen en kleine kinderen?”
„Laat dat mij over! Heer! Beveel slechts eenigen uwer manschappen mij niet te verlaten! Dat Kiai Hemboong mij terzijde blijve. Mijn leuze is gelijk aan de uwe, liever dood dan slavernij!”
Soerapati gaf zijn laatste bevelen, en keerde na afscheid te hebben genomen van zijn vrouw naar de verschansing terug.
De keizer zond alweder een bode om hem tot onderwerping aan te manen; trotsch en fier weigerde hij te gehoorzamen. Zijn plan stond nu vast; hij wilde zich niet inlaten met de kuiperijen van het hof, maar voor zichzelf de vrijheid zoo duur mogelijk verkoopen.
Pangeran Sampan gaf dus bevel tot schieten; tot nu toe is nog onbekend of de Madureesche prins het ernstig meende of slechts op bevel des keizers een schijngevecht leverde. Het schijnt onmogelijk dat tienduizend man niet bij machte waren de slechts door een bamboezen pagger omschanste legerplaats meester te worden; van alle kanten was Soerapati omsingeld als de tijger in het alang-alangveld, maar ook als de tijger groeide zijn moed aan bij het vermeerderen van het gevaar.
Hij gaf bevel aan zijn mannen zich om hem heen te verzamelen, en zijn blinkende kris zwaaiend, die als een zon flikkerend haar stralen naar links en rechts verspreidde, wierp hij zich onverschrokken op de vastgepakte menigte, die hem den doorgang versperde.
Sprak hij de tooverwoorden uit hem door den dwerg geleerd, die de oogen der vijanden verblindden, of was het alleen het gezicht van zijn heldhaftige gestalte zooals hij daar plotseling den pagger onder den voet trappend, dood en verderf om zich heen zwaaiend te midden der aanvallers verscheen? Of wel was alles te voren afgesproken?
Wie zal het zeggen, maar onder luide angstkreten wierpen de tienduizend helden hun vuurwapens weg, luisterden niet meer naar de vermaningen en bevelen hunner aanvoerders, en stoven wijd en zijd uiteen, gillend en jammerend als waren zij zwakke vrouwen en geen strijdbare mannen geweest.
De kring was verbroken, van alle kanten raakte de kampong leeg; nog hooger steeg de verwarring toen zwarte wolken rook zich boven de vluchtelingen samenpakten, de vlammen ontsnapten uit de rieten daken der dorpshuizen; Babirong stond in brand en het was Radhen Goesik, die bij de eerste schoten haar woning in laaie had ontstoken.
„En nu naar het gebergte, spoedig!” riep zij tot de radelooze schaar. „Soerapati zal ons daar vinden,” en onder bescherming der kleine troep manschappen snelden zij ongehinderd weg naar het woud, terwijl de Balineezen zegevierend hun tocht voortzetten tot aan den dalem, waarvan zij de zuidelijke gebouwen in brand staken om zich den doorgang naar binnen te verzekeren.
VIII.
AMOK!
Ondertusschen zette commissaris Tak zijn reis naar de keizerlijke hofstad voort; hij was reeds tot dicht bij den kraton genaderd, toen twee compagnieën Hollandsche soldaten, onder aanvoering der luitenants Vonk en Eijgel, hem te gemoet kwamen.
Het was niet moeilijk te zien dat allerwege de grootste verwarring heerschte; Madureezen en Javanen vluchtten naar alle zijden, de kampongs liepen leeg. Beladen met have en goed, gevolgd door vrouwen, grijsaards en kinderen stroomden de dorpelingen verre weg, dezen naar het gebergte, anderen naar de Hollanders; de grootste schrik scheen hen allen bevangen te hebben. De lucht achter den dalem was roodgekleurd door de vlammen, die uit de verbrande woningen van de kampong Babirong opstegen, dikke wolken rook streken over de statige gebouwen van het keizerlijk paleis; niemand wist waar de brand woedde, waar de vijanden zich verscholen hadden, waar het gevaar ’t meest dreigde; ieder zocht zijn behoud slechts in haastige vlucht, niemand dacht zelfs aan tegenweer.
Het was voor den juist aangekomen gezant een zware taak zich een duidelijk begrip te vormen van den toestand. Geen mensch kon hem kalm te woord staan, de kraton stond open, de armzalige vesting der Hollanders bood niet de minste kans op verdediging; de beide luitenants, die zelf slechts sedert eenige dagen waren aangekomen, konden geen juist verslag van den toestand geven.
„De Madureesche prins had aan kapitein-luitenant Grevink beloofd zelf Soerapati te overrompelen,” werd er gezegd. „Als gunst verzocht hij zelfs den Hollanders zich buiten de zaak te houden; de hulp, die Grevink telkenmale aanbood, werd hoffelijk maar beslist afgeslagen. Nu scheen de poging mislukt, de Madureezen en Javanen kozen het hazenpad, de keizer had zoo pas naar den pagger een boodschap gezonden om de hulp te verzoeken van de Hollanders tegen Soerapati en zijn aanhang.”
„’t Is een net van leugens en valsche streken, waaruit men zich niet redden kan,” sprak luitenant Vonk, „’t is niet mogelijk te weten, wat de keizer eigenlijk wil. Of liever, wat hij wil is duidelijk genoeg; hij wenscht niets liever dan zich te ontslaan van de Hollanders, zoo hij durfde. Nu hinkt hij op twee gedachten: hij wil Soerapati tot vriend houden en ook de Hollanders niet vertoornen.”