Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië

Part 8

Chapter 83,912 wordsPublic domain

"Wat mij betreft, ik ben besloten, evenals Van Stralen, op De Vogel te blijven en onze aanwezigheid voor ieder verborgen te houden, totdat we op goede grondslagen een operatieplan hebben gebouwd, in elk geval niet weer naar de aarde terug te keeren eer we de volkomen zekerheid hebben dat een onderneming, als door Van Stralen voorgesteld, totaal onuitvoerbaar is. We zijn allen ongetrouwd; ik geloof niet, dat er bezwaar is, gezamenlijk die onderneming door te zetten. Natuurlijk is ieder echter vrij, te doen wat hij wil. Morgenochtend komen we opnieuw bij elkaar. Wie dan besloten heeft heen te gaan, zal ik op de aarde terugbrengen; het spreekt vanzelf dat ik van hem volkomen geheimhouding verwacht."

"Den volgenden morgen vergaderden we wederom, en zooals te verwachten viel, wenschte niemand zijn vrijheid terug.

"Toen stelden we een uitgebreid programma op, waarvan de hoofdinhoud hierop neerkwam, dat we Hertog Alexander, een bekend jager, op een zijner jachtpartijen in de boschrijke streken rond Willemstad zouden trachten op te lichten. Er werd echter tevens besloten, dat we daartoe niet zouden overgaan, eer De Vogel, die ondanks zijn hooge mate van volmaaktheid, nog in zijn kindsheid verkeerde, volkomen voor zijn taak berekend zou zijn. Daarom zwierven we nog vele maanden rond, dien tijd gebruikend om de talrijke verbeteringen aan te brengen, die ons luchtschip tot zijn tegenwoordige ontwikkeling brachten. In dien tijd stichtten we ook onze nederzetting op Green-Island, benevens een verborgen schuilplaats in de hoogste toppen van het Himalaya-gebergte, waar we nu en dan neerdaalden als we--wat in 't begin dikwijls gebeurde--er naar verlangden weer eens vasten grond onder de voeten te hebben. In die periode verdeelden we ook onze werkzaamheden zooals die op 't oogenblik verdeeld zijn, en werd ik op uitdrukkelijk verzoek van La, die zijn tijd geheel aan nieuwe uitvindingen en verbeteringen wilde blijven wijden, tot commandant benoemd. We kregen toen ook onze tegenwoordige onpersoonlijke namen, en kwamen langzamerhand tot de gewoonten en gebruiken, die jij nu ook hebt leeren aannemen, en die niet anders zijn dan de vervolmaking van de reeds jaren in de Oranje-Republiek heerschende beginselen.

"In al dien tijd heb ik Elizabeth niet gezien; dat zij echter getrouw is gebleven aan haar overtuigingen, daarvan ben ik zeker. Door courantenberichten en geregelden spionnendienst zijn we steeds op de hoogte gebleven van de politieke gebeurtenissen in Europa, speciaal in Czernovië, en we weten ook dat binnen enkele weken het juiste oogenblik gekomen is om onzen slag te slaan. Hertog Alexander wordt algemeen genoemd als de aanstaande gemaal van Elizabeth, en zijn nakomelingen zullen de koningskroon ontvangen, om Czernovië als Russischen vazalstaat te regeeren.

"Onze tocht naar Engeland is slechts een uitstapje geweest, een afwijking van het programma, die ik mij meende te mogen veroorloven. Nu gaat het recht op Slavowitz aan, en je begrijpt hoe ik er naar verlang mijn vaderland terug te zien, het te bevrijden, en"--besloot Li zijn lang verhaal met een diepen zucht--"Elizabeth wederom de mijne te noemen!"

Rob had gespannen geluisterd; toen Li geëindigd had, zwegen beiden geruimen tijd.

Rob's bewondering voor deze dappere mannen, die al hun moed en hun kennis in dienst stelden van hun ideaal, groeide met het oogenblik, en vooral voelde hij eerbied voor de zelfverloochening, waarmee Li zijn toch zoo zwaar wegende persoonlijke belangen aan de goede zaak ten offer bracht. Hij drukte Li krachtig de hand, en beloofde alles in het werk te stellen om naar vermogen van krachten tot de bereiking van het grootsche doel mede te werken.

Toen zij weer naar hun bezigheden terugkeerden, was elk hunner overtuigd in den ander een waar en trouw vriend gevonden te hebben.

NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT AVONTUUR.

De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op De Vogel!

Het was 4 December 1901 geworden, en De Vogel daalde neer op de kust van Tripolis, eenige mijlen ten oosten van Bengasi, waar niet veel kans bestaat opgemerkt te worden. De streek is daar eenzaam en onbewoond.

Hier was het punt waar Nof zich met den vliegtoestel weer bij zijn reisgenooten zou voegen.

Toen De Vogel neerdaalde, was het tien uur in den morgen; men wist dat Nof tegen den middag kon aankomen, en er werd daarom besloten De Vogel onder toezicht van Mu, en onder een groep palmboomen verborgen, achter te laten. De anderen wilden dan een tochtje maken door 't kustgebergte, wat volgens de Vogelbewoners veilig kon geschieden, daar deze streek tot eenige mijlen landwaarts in geheel onbewoond was. De plantengroei, de mooie vergezichten, die men hier en daar over de Middellandsche Zee had, dit was aanleiding genoeg om het uitstapje te wagen.

Van eenig voedsel voorzien, en als altijd met de gaspistolen en de voorraadtasch bij hen, gingen de zes mannen aan land, Mu de boodschap achterlatend, dat ze niet vóor den avond zouden terugkomen.

Hoewel de zon fel scheen, het zand en de rotsen den gloed weerkaatsten, vergat men dat gaarne voor het prachtige landschap, dat bij elken pas de bewondering opwekte. Nu en dan beklom men een kleinen heuvel, en vandaar had men een prachtig uitzicht op den Middellandschen Oceaan, die met recht zijn bijnaam "de Blauwe Oceaan" mocht dragen, want de golven zagen er uit als vloeibare blauwe edelgesteenten, die in de zonnestralen gloeiden en flonkerden.

Op eens bleef Rob staan, greep Li bij den arm en wees op een hoog rotsblok, dat eenige honderden meters meer zuidwaarts lag.

"Een leeuw!" zei Li, zoo kalm alsof hij een onschuldig huisdiertje gezien had in plaats van dezen woestijnkoning.

"Een leeuw!" herhaalden de anderen.

Hoewel vertrouwend op hun wapens, bleven toch allen onbewegelijk staan, onwillekeurig onder den indruk bij het zien van dit majestueuse dier, dat, de naderenden bemerkend, opgestaan was uit zijn lui-liggende houding, en den staart langzaam heen en weer bewoog.

De leeuw deed een dreigend gebrul hooren, dat door de rotsen honderdvoudig werd weerkaatst, en nu vertoonde zich naast hem een minder groot, niet zoo majestueus dier, dat een leeuwin bleek te zijn. Beiden bleven op de plaats waar ze waren, nu en dan een dof gebrul uitstootend, en zonder de reizigers uit het oog te verliezen.

"Het is het beste, dat we er recht op af gaan," zei Li. "Omkeeren en vluchten zou dwaasheid zijn, dan hebben ze ons weldra met enkele sprongen ingehaald."

Rob voelde het hart in de keel kloppen.

Hij was niet bang van aard, maar den leeuw kende hij tot nog toe alleen uit Artis, waar de tralies hem veilig van den toeschouwer scheiden. Het was wel een schouwspel om ook den moedigste angst aan te jagen, daar zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover dit machtige dier te staan.

Maar de overigen waren op hun reizen aan zulke ontmoetingen gewoon geraakt, en zonder een oogenblik te aarzelen, gingen ze recht op het leeuwenpaar af, de pistolen gereed houdend.

Als verbaasd over zooveel stoutmoedigheid, bleven de beide dieren staan, totdat de mannen op ongeveer twintig meter waren genaderd.

Toen deed de leeuw een geweldigen sprong naar beneden, en kwam brullend op Li af, die rustig staan bleef.

Het dier was hem tot op vijf passen genaderd, het hief den verschrikkelijken klauw op, en Rob verwachtte elk oogenblik zijn onverschrokken vriend ter aarde te zien storten.

Maar Li richtte bedaard, trok af, en, door het uitstroomende gas bedwelmd, bleef de leeuw zonder zich te verroeren bewusteloos aan Li's voeten liggen.

Een tweede schot, en de inmiddels toegesprongen leeuwin had hetzelfde lot ondergaan.

"Een prachtig dier," zei Li. "Ik houd er niet van een weerloos dier te dooden, vooral niet een, dat ons volstrekt geen kwaad heeft gedaan. Maar anders zou zijn huid een fraai figuur maken als haardkleed in onze eetzaal."

"Laten we verder gaan," zei La. "Deze dieren zijn voor vierentwintig uur buiten gevecht gesteld; tegen dat zij bijkomen, hebben wij Afrika al verlaten."

Men beklom nu de rots, om te zien of zich daarboven het hol van de leeuwenfamilie zou bevinden. Men vond er echter tot zijn verrassing slechts een soort leger van gedroogde planten, waar de dieren hun middagslaapje hadden willen doen, en, om zich heen ziende, bemerkte Rob op eens twee jonge leeuwtjes, niet grooter dan een flinke kat, die angstig zaten te kijken waar hun ouders bleven, en nu en dan een gehuil deden hooren als van een bevreesd, verdwaald kind.

"Daar moesten we er een van vangen en tam maken," zei La, "we zouden dan op De Vogel ook een huisdier hebben."

"Misschien kan 't wel als waakhond dienen," zei Rob.

Men ging nu op de beide dieren toe, die echter verschrikt op de vlucht sloegen.

Gedurende eenige minuten liepen de mannen ze na, de dieren niet uit het oog verliezend.

Op eens waren ze beiden als in een rotswand verdwenen. Slechts een opening van ongeveer een halven meter doorsnede toonde aan waar ze verdwenen waren.

"Ha!" zei Li, "daar hebben we het leeuwenhol! Daar moeten we in."

Hij ging op den buik liggen, en trachtte naar binnen te zien. Het was daar echter geheel donker. Het hoofd en de schouders naar binnen werkend, ontstak hij zijn electrische lamp en verlichtte daarmee het hol.

"Het hol wordt van binnen wat wijder," zei Li, "we zouden er wel in kunnen kruipen."

"Maar als er nu eens nog meer leeuwen in waren?" onderstelde Rob, 'n beetje beangst.

"Dat zal niet," zei Li, "er woont nooit meer dan éen leeuwenfamilie tegelijk in een hol."

"Maar," riep op eens La, "het kan immers onmogelijk een leeuwenhol zijn! Door die kleine opening kunnen die groote dieren toch niet naar binnen!"

Men zag de juistheid van die opmerking in, doch nu was men slechts te nieuwsgieriger om te weten te komen wat dit voor een onderaardsche gang was.

"Laten we er in gaan," zei Li, als altijd door het avontuurlijke aangetrokken.

Niemand had daar iets tegen, en nu ging men een voor een, Li vooruit, naar binnen, allen met de electrische lantaarn in de hand.

Gedurende eenige meters moest men op den buik voortkruipen; toen werd de gang hooger en breeder, en kon men gaan staan. Voor zich uit ziende, bemerkte men zich in een soort onderaardsche straat te bevinden, die over een onafzienbaren afstand in rechte lijn doorliep.

La bukte zich, en onderzocht den bodem.

"Dit is waarschijnlijk een oude stroombedding," zei hij, "de aard van den bodem wijst er op. Vermoedelijk heeft vroeger een rivier hier voor een deel van zijn loop onder de aardoppervlakte doorgestroomd."

"Dan zou 't wel aardig zijn eens te onderzoeken waar deze gang aan de andere zijde uitkomt," zei Li.

Zijn voorstel vond bijval en nu begon men in zuidelijke richting door te loopen, hier en daar losse steenen tot hoopjes opstapelend, om op die manier bij het teruggaan een herkenningsteeken te hebben.

Na ongeveer tien minuten in rechte lijn te hebben doorgeloopen, kwam men op een soort pleintje, waarop, behalve de weg dien men gevolgd was, verscheidene andere gangen uitmondden. Enkele daarvan liep men in, doch deze bleken slechts weinige meters diep te zijn; daar niemand voorkeur had voor een bepaalde richting, en dat ook moeielijk hebben kon, besloot men den weg te volgen die ongeveer in het verlengde van den oorspronkelijken lag.

Na een kwartier te zijn voortgegaan, besloot men halt te houden, en eenig voedsel te gebruiken.

Dit middagmaal onder de oppervlakte van den beganen grond had voorzeker iets eigenaardigs, en deed den lust tot avonturen nog toenemen.

Toen men weer reisvaardig was, had alleen La eenig bezwaar tegen den verderen tocht.

"Is het eigenlijk geen dwaasheid," zei hij, "een onbekenden weg naar een onbekend doel te blijven volgen, zonder dat ons dat, naar alle waarschijnlijkheid ten minste, eenig nut kan opleveren?"

In die uitspraak lag ongetwijfeld veel waars, maar de meeste stemmen verklaarden zich toch voor het doorzetten van den tocht, ten eerste omdat men wou volvoeren wat men eenmaal begonnen was, en ten tweede omdat men immers elk oogenblik kon terugkeeren wanneer de onderneming gevaarlijk of te langdurig zou blijken te zijn.

Men ging dus verder.

Rob bleef echter staan en vroeg:

"Wie heeft dit doosje lucifers laten liggen?"

"Lucifers?" vroeg La verwonderd, "dat kan jijzelf alleen gedaan hebben. Zulke dingen van barbaarschen oorsprong worden aan boord van De Vogel niet gebruikt. Daar heerscht de electriciteit oppermachtig."

"Maar ik had heelemaal geen lucifers bij me toen ik aan boord kwam," zei Rob, het doosje bekijkend. "Het moet van een van jullie zijn."

Ook de anderen bekeken het doosje, maar het bleek geen van allen toe te behooren. Het droeg een Hollandsch etiket en was blijkbaar ook in Holland gemaakt.

"Dat is vreemd," zei La. "Steek het bij je, Rob. Na dezen vondst zou ik er voor zijn den tocht voort te zetten."

Nog gedurende een half uur ging men verder.

Nu eens moest men op den buik kruipend voortgaan, daar de zoldering zich verlaagde, dan weer waadde men tot over de enkels door het water, waarmee enkele gangen waren volgeloopen. Het aangenaamste van dit verblijf onder den grond was de heerlijke koele temperatuur die er heerschte, in tegenstelling met de brandende warmte daarboven.

De vondst van het doosje lucifers, waaraan La zeer veel waarde scheen te hechten, was aanleiding dat men telkens naar den grond zag, hopende nog iets dergelijks te vinden. En inderdaad raapte Nef na eenigen tijd een knoop op.

Tot aller verbazing droeg deze--zooals trouwens meer op knoopen voorkomt--een randschrift. Niet over dit feit op zichzelf was men verbaasd, maar over de woorden die er stonden: F. Sinemus, Leidschestraat, Amsterdam.

Wel, dit was de naam van een bekend Amsterdamsch magazijn, zooals Rob meedeelde. Hoe kwam die Hollandsche knoop hier verzeild?

La scheen iets te vermoeden, maar zei niets.

De tocht werd voortgezet.

Een paar maal bleek men zich, door 't voortdurend kronkelen en wenden dat de gangen sedert eenige minuten deden, in de richting te hebben vergist, en kwam men langs een omweg weer op een punt terug dat men eenigen tijd te voren verlaten had. Dat maakte de reis lastig en tijdroovend, maar nu men eenmaal zooveel moeite gedaan had, was men het er over eens, dat men tot het einde zou doorgaan.

Met nieuwen moed legde men opnieuw een weg van ongeveer vijftien minuten af.

Toen bukte La zich en raapte een stukje papier op, dat de aandacht der anderen ontsnapt was. Het was blijkbaar een snipper van een grooter stuk, en bevatte niets dan enkele onleesbare, afgebroken woorden, en onderaan in een hoek de letters W.K.

"W.K! Zou het mogelijk zijn!" mompelde La onder het verder gaan, zonder dat zijn verbaasde reisgenooten hem tot een nadere verklaring konden brengen.

Weer vorderde men tien minuten, toen Li, die vooraan liep, de anderen opeens tot stilstaan dwong en den vinger op de lippen legde, ten teeken dat ze zouden zwijgen.

Allen luisterden nu in gespannen aandacht, en daar hoorde men op eenigen afstand een verward geluid van stemmen, dat nu en dan door gejuich scheen te worden onderbroken.

"Deze gewelven zijn bewoond!" fluisterde Li.

"Zouden we verder durven gaan?" vroeg een van de anderen.

"Mits met voorzichtigheid, _moeten_ we verder gaan," zei La nu. "Ik geloof dat onze tocht nu _een doel_ begint te krijgen."

Voet voor voet ging men nu voorwaarts.

Bij het omslaan van een hoek sprong Li opeens terug, en dwong de anderen zich tegen den wand gedrukt op te stellen.

Voorzichtig keek Li om den hoek, en wenkte toen de anderen, dat ze nader konden komen. Nog enkele passen slopen ze vooruit, en toen trok een zeer merkwaardig schouwspel, dat ze door een smallen spleet in de rotsen konden bijwonen, hun aandacht.

In een met flambouwen verlichte groote ruimte, die waarschijnlijk wel met deze gangen in verband zou staan, bevonden zich een groot aantal negers, die allen slechts spaarzaam gekleed waren, en waarvan de meesten om polsen en enkels ringen van doodsbeentjes, vruchtenpitten en dierentanden droegen. Ze zaten meerendeels op den grond gehurkt, slechts enkelen stonden, en allen waren gewapend met een schild en een speer.

De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd, en zag met groote aandacht naar den tegenoverliggenden wand der "zaal," waar klaarblijkelijk het een of ander gebeurd was dat zij zeer merkwaardig vonden, doch waar op het oogenblik niets bizonders te zien was.

Hoe vreemd het moge klinken, het geheel maakte den indruk van een schouwburg, waarin de negers de toeschouwers vormden.

En weldra zagen Li en zijn vrienden tot hun groote verbazing, dat hier inderdaad een soort van voorstelling plaats had, die men eer in een West-Europeesch land dan in deze Afrikaansche wildernissen zou gezocht hebben.

Een rechthoekig gedeelte van den donkeren wand, dat het tooneel scheen te vormen, werd plotseling hel verlicht.

Men zag nu een houten vierkant tentje van ongeveer 2 M. hoog, 1.5 M. diep en 1.5 M. breed, waarvoor naar beide zijden opengeslagen gordijn hingen. Het houten huisje was geheel ledig.

Onder een oorverdoovende muziek, die de negers op steenen, met huiden overspannen potten en op lange rieten fluiten te weeg brachten, kwam nu een man naar voren, die geheel het voorkomen had van een neger, ook zwart van gelaatskleur was, doch wiens bewegingen schenen aan te duiden dat hij van een ander ras was. Hij stak de hand op en gebood stilte.

Nu begaf hij zich in het huisje, en werd door een helper aan den achterwand vastgemaakt. Dit geschiedde door zijn nek, zijn enkels en zijn polsen te omsluiten met halfcirkelvormige banden, die aan den achterwand waren vastgemaakt, en om een hunner uiteinden konden draaien. Het andere uiteinde werd daarna door negers uit het publiek, die zich daartoe kinderlijk opdringend aanboden, met hangsloten aan een eveneens in den wand gestoken oog bevestigd. De sloten werden omgedraaid en daarna gingen de gelukkige eigenaars der sleutels weer naar hun plaatsen terug, overtuigd dat een hangslot als 't hunne, waarover ze een week lang met hun gebrekkige hulpmiddelen hadden gesmeed, nooit te openen zou zijn.

De helper schoof nu het gordijn dicht. Enkele seconden daarna, terwijl dezelfde helsche muziek de pauze had aangevuld, opende de helper het gordijn--en de gevangene was gevlogen!

De negers waren stom van verbazing. Ze liepen op het huisje toe, rukten aan hun hangsloten, maar begrepen niet hoe men deze, trouwens nu weer gesloten, voorwerpen had kunnen openen.

Een stormachtig gejuich ging op, en de vertooner van het kunststuk moest allerlei huldebetuigingen in ontvangst nemen.

De achter de rots verborgen toeschouwers keken elkaar met een glimlach aan. Wat beteekende deze kermisvertooning hier in de wildernis, bijgewoond door een natuurvolk, dat van zulke uitvindingen der beschaving nooit gedroomd had?

Zij hadden echter niet veel tijd tot nadenken, want de voorstelling scheen hiermee geëindigd, en het gezelschap maakte aanstalten tot heengaan.

Om zich niet te verraden, bleven de zes mannen onbewegelijk in hun hoekje zitten, hopend onbemerkt te ontsnappen zoodra de zaal leeg was.

Zij hadden echter niet er op gerekend, dat de "schouwburg" zijn voornaamsten uitgang had naar de gewelven waar zij zelf zich op het oogenblik bevonden, en voor zij er op bedacht waren, stond een tiental negers verbaasd naar hen te kijken.

Tegenwoordigheid van geest was het eenige wat onze vrienden redden kon. In de handen te vallen van dezen negerstam had niet de minste bekoring voor hen, en het was dus zaak door een vastberaden optreden te doen zien dat ze niet van plan waren zich gevangen te geven.

Zes gaspistolen gingen af, en de voorste rijen der negers vielen bewusteloos neer. Snel hun neusknijpers opzettend brandde de kleine troep dapperen nogmaals los, en ook een rij van de nu opdringende negers viel neer. Maar het aantal was te groot, en een in het nu geopende gewelf binnendringende luchtstroom joeg het bedwelmende gas weg. Ook van uit andere gangen kwamen negers aansnellen, en de overmacht was zoo groot, dat het onverschrokken zestal weldra overmand en gebonden werd weggevoerd.

Dat was een verschrikkelijke gebeurtenis.

In het begin had men een flauwe hoop, dat er met zulke moderne negers, die vertooningen hielden, waarmee men in het Amsterdamsche Rembrandt-Theater een goed figuur zou maken, wel te redeneeren zou zijn. Maar weldra bleek niet alleen, dat men zich op geen enkele manier verstaanbaar kon maken, doch ook dat men blijkbaar met een bloeddorstigen stam te doen had, getuige de talrijke trofeeën van schedels en doodsbeenderen, die men opgesteld zag in een ander, eveneens met flambouwen verlicht gedeelte van de gewelven, waar de zes vrienden nu heengebracht werden.

Eenige zeer rijk versierde negers, die blijkbaar tot de regeeringspartij van den stam behoorden, namen nu op een uit rotsblokken gevormde verhevenheid plaats, en schenen raad te houden. Zij gaven een teeken, en de gevangenen werden voorgebracht. Eerst beproefde men elkaar door gebaren te begrijpen, maar toen dit geheel mislukte, scheen een der hooge heeren op een beter denkbeeld te komen. Hij zond een boodschapper af, en deze kwam terug met den helper, die zooeven bij de comedievoorstelling had geassisteerd. Men wilde hem blijkbaar als tolk doen dienen.

Benieuwd wat deze neger van zijn betrekking terecht zou brengen, keken de gevangenen toe. Het opperhoofd gaf den tolk eenige instructies, en tot groote verbazing der zes mannen, vroeg de neger hun in zuiver Hollandsch:

"Wie van u is de verantwoordelijke persoon van uw expeditie?"

"Ik," antwoordde Li.

"Het opperhoofd van den stam der Ligo-Ambura [1] vraagt of zij u zonder gevaar uw wapens kunnen afnemen."

"Dat kan," zei Li, "maar wij zullen ze zelf wegleggen, want wanneer een oningewijde ze aanraakt, zal hij groote rampen over den stam brengen."

De tolk bracht dit antwoord over, en het opperhoofd gelastte nu, dat Li hem de pistolen zou brengen.

Het opperhoofd keek er eenigszins angstig naar, en liet toen door den tolk weten, dat hij verlangde er mee te zien schieten. Tevens gaf hij bevel een der andere negers als doel te gebruiken.

Li deed hem opmerkzaam maken, dat dit niet ging, want dat de neger dan bewusteloos zou neervallen.

Maar dat scheen het opperhoofd een zaak van ondergeschikt belang, en hij herhaalde zijn bevel zoo dreigend, dat Li wel moest gehoorzamen.

Er werd nu een slaaf voorgebracht, en Li schoot een gaspatroon op hem af, met het gevolg, dat de man bewusteloos neer viel, veroordeeld om daar vier-en-twintig uur te blijven liggen.

Deze uitwerking bracht er eenigszins den schrik in, vooral toen de gassen bovendien nog vier andere negers, die in de nabijheid stonden, eveneens bewusteloos deden worden. Het opperhoofd kreeg nu zooveel ontzag voor de wapens, dat hij Li deed gelasten ze bij elkaar op een daarvoor aangewezen rotsblok aan het verste gedeelte der zaal neer te leggen. Verscheiden negers bleven er angstig om heen dwalen, nieuwsgierige blikken naar die wonderdingen werpend, maar niemand durfde zich in de nabijheid wagen.

Toen volgde de vraag, of de gevangenen bovennatuurlijke wezens waren.

Li liet hierop antwoorden, dat ze reizigers waren die leeuwen kwamen schieten en overigens slechts vredelievende bedoelingen hadden.

Het opperhoofd deed nu nog verscheidene vragen stellen, die de tolk naar zijn eigen inzicht beantwoordde. In de plaats daarvan, doende of hij de vragen vertaalde, hield hij het volgend gesprek met Li.

De tolk: "Weet u wel waar u hier bent?"

Li: "Neen."

De tolk: "In handen van menscheneters."

Li: "Maar wat doet u dan hier?"

De tolk: "Ik ben een Hollander, de bediende van een ontdekkingsreiziger. We zijn al een jaar hier gevangen."

Li: "Maar waarom sparen ze u het leven?"

De tolk: "Professor Korling geeft allerlei goochelvoorstellingen. Daarmee heeft hij zichzelf en mij het leven gered, en op die manier hebben we dat leven al een jaar lang gerekt."