Part 6
Alleen Li scheen meer in bewondering voor het koffertje dan voor de diamanten verdiept te zijn, en vroeg ten laatste:
"Is dit van Indisch maaksel?"
"Juist," antwoordde de Koning. "Het is een voortbrengsel van Britsch-Indische houtsnijkunst, en een geschenk van den Emir van Paschuda ter gelegenheid onzer Kroning."
Nadat het gezelschap weer in de zaal teruggekeerd was, liep het gesprek nog eenigen tijd over het koffertje. Li gaf zijn groote belangstelling te kennen voor dergelijke industrie in 't algemeen, en vertelde dat hij op zijn reizen zooveel merkwaardige voorwerpen van handenarbeid en gebruikskunst had verzameld, dat hij 't de moeite loonend vond een vergelijkende studie van zuidelijke inlandsche industrie te gaan schrijven. Zelfs had hij al eenige bladzijden voor dat boek op schrift gebracht, met het plan het van talrijke illustraties te voorzien. Daartoe wilde hij vooreerst fotografische opnamen maken van de voorwerpen uit zijn eigen collectie, maar ook zou hij een dankbaar gebruik maken van al wat museums en particuliere verzamelaars hem konden en wilden bieden.
Zijne Majesteit, die het er op gezet scheen te hebben den gast met gunstbewijzen te overladen, gaf onmiddellijk te kennen, dat hij de eerste wilde zijn die hem in dit schoone werk ter zijde stond, en bood Li het Indische kistje in bruikleen aan. De juweelen konden zoo lang in de brandkast liggen, en wanneer Li beloofde dat hij het koffertje met de grootste omzichtigheid zou behandelen en het niet langer aan zijn bestemming onttrekken dan voor de beschrijving en het doen van opnamen strikt noodig was--in elk geval niet meer dan tweemaal vier-en-twintig uur--dan was er tegen het in leen geven geen enkel bezwaar.
Li stribbelde nog wat tegen, sprak van de te groote eer die hem bewezen werd, meende dat hij het aanbod niet mocht aannemen--doch eindigde met er een dankbaar gebruik van te maken.
En zoo werd dan besloten, dat het koffertje den volgenden morgen onder militair geleide in Li's hotel zou gebracht worden.
Het was inmiddels vrij laat geworden. Zijne Majesteit trok zich in zijn appartementen terug; de rijtuigen der gasten werden afgeroepen, en ook Li met gezelschap reed in hofkoetsen naar Longmanstreet.
Daar aangekomen, zat men nog enkele oogenblikken gezellig bijeen. Li was klaarblijkelijk zeer ingenomen met den gang van zaken, en zei vroolijk tot Rob:
"Het halve werk is gedaan!"
"Maar ik dacht," zei Rob, "dat je het koffertje _zonder_ de diamanten te leen kreeg!"
"Natuurlijk, beste jongen!" lachte Li, "maar ik had ook geen oogenblik gedacht dat ik de diamanten er bij zou krijgen!"
"Maar hoe wil je dan..." begon Rob.
"Geduld maar! Je zult 't wel zien, hoe 't nu verder gaat. Nu komt onze geleerde La in actie."
"Electriciteit overwint alles!" antwoordde deze raadselachtig.
"Ik ben erg benieuwd," zei Rob. "Maar vertel eens, Li, hoe kwam je aan dien prachtigen diamant? en was 't eigenlijk niet zonde om dien weg te geven?"
"Niet erg," zei Li leuk. "Kijk onze alchimist eens lachen--'t is alweer La, die er achter zit. Die fabriceert in z'n vrijen tijd valsche diamanten--van koolstof onder electrischen druk--en je ziet dat z'n uitvinding ons al goed te pas is gekomen!"
ZEVENDE HOOFDSTUK.
LI STEELT DE KROONJUWEELEN.
Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht van wal.--Terug op De Vogel.--De reis naar Transvaal.--Hoe het met de diamanten afliep.
De volgende dagen waren weer gewijd aan lezingen, officiëele bezoeken, feestmaaltijden, waaraan geen einde scheen te komen. Li en zijn metgezellen schenen wel van ijzer te zijn, zoo onvermoeid namen ze aan al die dingen deel, maar Rob werd het nu en dan te machtig, en Li zorgde er dan ook menigmaal voor dat hij tijdig naar bed ging en er voor zijn afwezigheid bij het een of ander feest een geldige reden werd gevonden.
Den 3en November werd er aan het hotel in Longmanstreet een kabinetschrijven van den Koning bezorgd, inhoudende dat dienzelfden middag door een officier van de Householdguards, onder geleide van zes manschappen het koffertje zou bezorgd worden, waarin de beroemde edelsteenen bewaard werden. Toen Li den brief las, glimlachte hij zwijgend. Rob verbaasde zich wat Li met dat kistje doen zou, maar zweeg eveneens en wachtte af.
Des middags werd het kostbare voorwerp gebracht. Li gaf het onmiddellijk aan La over, en nu begaven allen zich in een vertrek, waarvan Rob het bestaan nog niet wist, en waar voor La een geheel laboratorium bleek te zijn ingericht, en wel door Nof, die met zijn vliegmachine des nachts al de benoodigde instrumenten naar binnen had gebracht.
La zette zich aan het werk. Hij maakte een vorm van het zoo gemakkelijk te bewerken en te plooien monum, die geheel om het kistje sloot, zoodat alle onderdeelen van het snijwerk daarin werden afgedrukt. Uit de kranten wetende, dat het koffertje vervaardigd was van een in Britsch-Indië veelvuldig voorkomende acacia-houtsoort, had hij gezorgd zich reeds lang van te voren een blok van die houtsoort te verschaffen. De monum-vorm werd nu met de opening naar boven gelegd, het houtblok haaks gezaagd, zoodat het eenigszins grooter inhoud had dan de vorm binnenwerks, en vervolgens boven de opening geplaatst. Een sterke electrische stroom werd nu door het monum geleid, en Rob zag tot zijn verbazing, dat een lichte druk boven op het blok voldoende was om dit in den vorm te doen zakken. Het overtollige hout werd door den scherpen rand van den vorm afgesneden, en nadat het monum was weggenomen vertoonde het blok uiterlijk geheel den vorm van het kistje.
Nu sneed La het blok met een zeer dun, door electriciteit in gloeiïng gebracht zaagje in tweeën, zoodat hij het in een doos en een deksel scheidde; daarna werden beide blokken eveneens met een monum-vorm geheel volgens het model uitgehold. Ten slotte werden scharnieren aangebracht, en het geheel met een bruine vloeistof bestreken, waardoor het volkomen de kleur van het model verkreeg. En zoo stonden er nu twee treffend op elkaar gelijkende kistjes naast elkaar op de werkbank, die in niets van elkaar verschilden!
Het moeielijkste kwam echter nu eerst. Lo bracht nu tegen den achterwand een zeer smallen tweeden wand aan, die zoo was ingericht, dat hij bij het sluiten van den deksel een op den bodem van het koffertje gelegd voorwerp geheel verborg, zonder dat er uiterlijk iets van dien dubbelen bodem te bemerken was. Opende men opnieuw den deksel, dan bleef die dubbele wand liggen.
Alles was nu gereed.
Toen de termijn verstreken was, vroeg Li een audiëntie bij den Koning aan, ten einde zelf het koffertje te mogen terugbrengen, en zoo de gelegenheid te hebben Zijne Majesteit voor deszelfs groote welwillendheid dank te zeggen.
De audiëntie werd toegestaan. Met belangstelling beschouwde de Koning de foto's, die Li door La van het kistje had doen maken, en hij was zelfs zoo welwillend den grooten Poolreiziger uit te noodigen zijn hulp te verleenen bij het weder op hun plaats brengen der juweelen. Li nam dit aanbod gaarne aan; met eigen handen legde de Koning kroon en diadeem weer in het koffertje, en toen Li het deksel gesloten had, wist hij dat de dubbele wand de sieraden geheel bedekte, dat het bij het opnieuw openen van het kistje den schijn zou hebben als was de inhoud verdwenen, en dat men de list niet zou doorzien, omdat de onderwand van het nagemaakte kistje zoo aanmerkelijk veel dunner was dan de zeer zware bodem van het echte, dat de dubbele bodem even diep onder de bovenzijde lag als de enkele bij het oorspronkelijke koffertje.
Nadat de Koning zorgvuldig de brandkast had gesloten en zich nog eenigen tijd met Li onderhouden had, nam deze afscheid.
In het hotel aangekomen, vond hij zijn reisgenooten in gespannen nieuwsgierigheid bijeen.
Hij knikte hen vroolijk toe.
"Alles gaat uitstekend," zei hij. "Binnen een week zijn de juweelen hier in huis."
Men was gewoon, dat Li zulke uitspraken niet deed, of de feiten stelden hem in het gelijk. Maar dit nam niet weg, dat men zeer benieuwd was hoe het nu verder met deze geschiedenis zou afloopen. Rob vooral toonde zich zeer verlangend naar den uitslag der onderneming en begreep nog niet goed hoe het gaan moest.
Lang behoefde men niet in spanning te blijven. Reeds den volgenden avond ontving Li bezoek van een in 't zwart gekleed heer, die zich eenvoudig liet aandienen als mr. Johnson, maar daarna de Eerste Kamerheer van den Koning bleek te zijn, die Li onder vier oogen meedeelde, dat Zijne Majesteit hem den volgenden morgen wenschte te ontvangen, en dat hij daartoe in een gesloten huurrijtuig zou worden afgehaald.
Toen mr. Johnson vertrokken was, en Li de overigen den inhoud van 't gesprek meedeelde, schrok Rob erg.
"Het geheim van 't koffertje kan toch niet ontdekt zijn?" vroeg hij angstig.
"Geen sprake van," antwoordde Li kalm. "Laten we maar tijdig naar bed gaan en rustig slapen, blij dat we van avond eens geen officiëel feest hebben bij te wonen."
Den volgenden morgen om tien uur kwam het rijtuig voor.
Li steeg in, en weldra bevond hij zich in 's Konings particulier kabinet. Het gezicht van Zijne Majesteit stond zeer ernstig.
"Mr. Lane," sprak hij, "ik heb u doen ontbieden in verband met een zeer vreemd geval. Gisterenmiddag opende ik het koffertje, dat de kroonjuweelen bevat, eerlijk gezegd omdat ik nog eens nauwkeurig wilde nagaan of het geen schade had geleden terwijl het in uw handen was. U moet mij dat niet kwalijk nemen; ik hecht zoo aan dat meesterwerk van houtsnijkunst, dat ik er steeds een overdreven zorg aan wijd. Natuurlijk vond ik het in de beste orde, niet het minste spoor van een minder voorzichtige behandeling was er aan te bemerken--iets wat ik trouwens verwachten kon, maar waarvoor ik u toch dankbaar ben."
Li boog zwijgend, en de Koning vervolgde:
"Stel u echter mijn verbazing en tevens mijn schrik voor, toen ik de diamanten spoorloos verdwenen vond! Een oogenblik durfde ik mijn oogen niet vertrouwen; ik meende zelfs aan een zinsbegoocheling onderhevig te zijn. Maar het bleek maar al te waar: de diamanten waren en bleven weg! Had ik ze niet zelf een dag te voren eigenhandig in het koffertje gelegd--het geen u, die daarbij aanwezig was, immers bevestigen kunt--dan zou het verdwijnen mij niet zoo sterk verbaasd hebben als nu. Er is natuurlijk geen andere mogelijkheid dan diefstal--wonderen komen in onzen tijd niet voor! Maar wie is de dief? En hoe had de diefstal plaats? Even zeker als, theoretisch beschouwd, alleen door diefstal de steenen verdwenen kunnen zijn, even vast staat het, dat die diefstal uit een practisch oogpunt eenvoudig ondoenlijk is. Niemand kent het zeer samengesteld geheim van de sluiting der brandkast--deze was trouwens geheel onbeschadigd--maar sterker is, dat de deur van mijn slaapvertrek dag en nacht door twee schildwachten wordt bewaakt, die door mijn ordonnans-officier, den commandant der paleiswacht en mijzelf herhaaldelijk worden gecontroleerd. Ik vraag u: zou men hier niet bijna aan een mirakel gaan gelooven?"
"Het is ongetwijfeld een hoogst merkwaardig geval, Sire," zei Li nadenkend. "Toch moeten we niet te gauw aan bovennatuurlijke werkingen gelooven of zulk een gebeurtenis te diep onderzoeken. Ik heb wonderen zien verrichten door Indische fakirs, die oppervlakkig beschouwd zuiver hekserij schijnen, en die toch een hoogst eenvoudigen truc tot grondslag hebben. Zoekt men hun oorsprong te ver, dan kan men zeker zijn te dwalen."
"U bedoelt daarmee, dat...."
"Dat de zaak vermoedelijk veel eenvoudiger is dan we denken. Doch ik ben zoo onbescheiden op Uwer Majesteit's vermoedelijke plannen vooruit te loopen."
"Integendeel, ik hecht waarde aan uw advies. U was trouwens degene, die, met mij, de diamanten het laatst gezien heeft, die evenals ik de absolute zekerheid bezit dat ik eigenhandig kroon en diadeem in het kistje plaatste. Ik dacht daarom dadelijk aan u, toen ik die kostbare voorwerpen miste. U kunt misschien helpen een, zij 't ook zeer vaag, spoor te vinden. Herinner u eens goed, wie waren in onze omgeving, toen u mij het kistje terugbracht? Zag u in de vertrekken en gangen die wij doorgingen, geen personen, wier aanwezigheid daar u vreemd voorkwam? Weet u zeker, dat de beide schildwachten voor mijn kamerdeur stonden? Hebt u duidelijk gezien dat ik de brandkast zorgvuldig sloot? Hebt u bij uw vertrek uit het paleis niets verdacht waargenomen? Zooals u ziet zijn er vragen genoeg, de moeite van het overwegen waard. Niemand weet nog van het verdwijnen der kostbaarheden. Ik verlang ook dat daaraan voorloopig niet de minste ruchtbaarheid wordt gegeven. Juist door in stilte en stelselmatig te werk te gaan, hebben we de meeste kans van slagen. Bovendien zou ik niet gaarne den schijn op mij laden, zulk een kostbaar geschenk als die juweelen slecht beheerd te hebben. Kortom, ik heb alle reden vooreerst alleen op uw hulp te vertrouwen. En ik hoop met succes."
"De taak, die Uwe Majesteit zich verwaardigt mij op te leggen, is vereerend, maar zwaar. Ik zou verkeerd doen, met mij in de uitvoering daarvan te overhaasten. Wil mij eenige dagen toestaan, waarin ik rustig over het geval kan nadenken. Ik woonde op mijn reizen meer zulke geheimzinnige diefstallen bij, die later bleken een verbluffend eenvoudig verloop te hebben gehad, en het zou mij niet verwonderen als ook hier iets dergelijks in 't spel was. Instinctmatig voel ik, dat de oplossing hier zeer voor de hand ligt. Misschien zelfs vind ik in de vele aanteekeningen, die ik over mijn reizen maakte, gevallen vermeld, die op dit gelijken. Hoorde Uwe Majesteit ooit, hoe uit den Grooten Tempel te Delhi het Gouden Hart van Boeddha gestolen werd?"
Toen de Koning ontkennend antwoordde vervolgde Li:
"Eenige jaren geleden verdween dat voorwerp plotseling uit den tempel. Er heerschte groote verslagenheid, want de bevolking zag er het voorteeken van een naderend onheil in. Maar ook brak men zich het hoofd met de vraag, hoe die verdwijning mogelijk was. Het Gouden Hart was dien dag in processie door den tempel gedragen, ter gelegenheid van een godsdienstig feest. Daarna had men het voor ieder zichtbaar op zijn gewone plaats boven het altaar gelegd, dat dag en nacht bewaakt werd door biddende priesters. Alle uitgangen van den tempel, ja zelfs de vensters, werden steeds en onder alle omstandigheden door krijgslieden bewaakt. Tien minuten nadat het Hart boven het altaar geplaatst was, en de tempelgangers inmiddels het gebouw ontruimd hadden, strekte de Hoogepriester met een kreet van schrik de hand naar het altaar uit.... De biddende priesters zagen op--het Gouden Hart was verdwenen!"
"En hoe was dit wonder geschied?" vroeg de Koning in gespannen belangstelling.
"Op een bijna kinderachtig eenvoudige wijze, Sire," vervolgde Li. "Een vreemdeling, hartstochtelijk verzamelaar, bezat een merkwaardig middel om in het bezit te komen van die voorwerpen, welke hij niet door geld machtig kon worden, en die hij toch zoo gaarne aan zijn collectie wilde toevoegen. Dat middel was--een kat! Dit slimme dier was er van jongs af op gedresseerd zich vlug en onbemerkt meester te maken van elk voorwerp, dat zijn meester hem met een enkel gebaar aanduidde. Zoo ging het ook met het Gouden Hart. De zwarte, in de namiddagschemering nauw zichtbare kat deed haar werk voortreffelijk. Ze sloop naar het altaar, had binnen enkele seconden het verlangde voorwerp in haar bek en schoot met onhoorbare snelheid tusschen de priesters door, den tempel uit en haar meester achterna. Later ontdekte men, bij gelegenheid van een anderen diefstal, het vermiste voorwerp in de collectie van den vreemdeling, en zoo kwam ook de kattenlist aan het licht. Toen bleek dus, dat een eenvoudige poes bewerkt had, wat de priesters voor een mirakel van godenhand hadden uitgemaakt."
"Uw verhaal is even intressant als spannend," zei de Koning. "En uw ondervindingen op dit gebied geven me hoop, dat u het spoor in deze duistere geschiedenis zult kunnen vinden. Dus--zwijgen tegenover iedereen; zoodra u iets meent gevonden te hebben, ontvang ik bericht."
Li beloofde nogmaals zijn uiterste best te zullen doen, en keerde toen naar huis terug.
"Over twee dagen!" zei hij alleen tot Rob, die hem vragend aanzag.
Er gingen nu twee dagen voorbij, die Li gebruikte om door middel van de nieuwsbladen te doen rondbazuinen, dat hij in de volgende week voor een paar maanden met zijn jacht den Atlantischen Oceaan ging doorkruisen.
Toen die twee dagen om waren, vroeg Li opnieuw een audiëntie bij den Koning aan, welke dadelijk werd toegestaan.
Zijne Majesteit kwam Li met uitgestrekte handen tegemoet, en vroeg terstond:
"Wel, hebt u kans gezien, eenig licht te vinden in de duistere zaak?"
"Ik geloof inderdaad, Sire, dat ik den dader op het spoor ben."
"Den dader?" riep de Koning verrast. "Dus u gelooft dat we hier werkelijk met een diefstal te doen hebben?"
"Ik geloof het niet alleen, ik weet reeds zeker, dat er een zeer eenvoudige, hoewel sluw aangelegde diefstal in het spel is. Ik heb echter nog niet alle bewijzen in handen."
"Maar vertel me dan voorloopig hoe u tot die schitterende ontdekking gekomen bent," vroeg de Koning nieuwsgierig.
"Vergeef me, Majesteit," sprak Li, "dat ik Uw geduld nog eenigen tijd op de proef stel. Ik kan me immers vergissen, en zou niet graag willen, dat ik U zoowel als mezelf met een ijdele hoop gevleid had. Vergun me dus, dat ik U niets mededeel, eer ik met volkomen zekerheid kan oordeelen."
"Ik waardeer en begrijp uw voorzichtigheid, mr. Lane," antwoordde de Koning, "en ik zal u daarom niet langer met nieuwsgierige vragen lastig vallen, hopende u daarmee tevens te toonen welk een volkomen vertrouwen ik in u stel. Ik wil u op alle mogelijke wijzen van dienst zijn. Zeg mij slechts, waarmee ik u in het belang uwer verdere onderzoekingen van dienst kan zijn."
"Wanneer het niet te veel van Uw goedheid gevergd is," zei Li "zou ik gaarne nogmaals tijdelijk in het bezit gesteld worden van het kistje. Het kan me bij mijn nasporingen van groot nut zijn."
"Met het meeste genoegen zal ik het u nogmaals in gebruik afstaan, en wel voor zoo lang als u het denkt noodig te hebben. U kunt het zelfs nog heden in uw rijtuig meenemen."
Na deze woorden haalde de Koning zelf het koffertje te voorschijn. Eer hij een lakei ontbood, die het zorgvuldig verpakt in Li's rijtuig zou brengen, drukte hij nogmaals op de veer, die het deksel deed openspringen, en staarde met weemoedigen blik in de leege ruimte.
"Hoe lang zal het duren, eer ik mijn schatten weer terug heb," sprak hij met een zucht.
"Misschien korter dan U denkt, Sire," zei Li. "Ja, ik heb zulke goede verwachtingen van den uitslag mijner pogingen, dat het is alsof ik de juweelen daar reeds weer op den boden van het kistje zie liggen."
Toen Li in Longmanstreet teruggekeerd was, riep hij zijn getrouwen bijeen. Hij toonde hun het koffertje, deed het open, sloeg den dubbelen wand opzij--en daar lagen voor aller verbaasde oogen de in veelkleurigen glans schitterende kroonjuweelen!
Li bergde de kostbare stukken eenvoudig in het handtaschje dat hem steeds op reis vergezelde; toen gaf hij het nagemaakte kistje aan Lo, die het twee minuten later door middel van een electrischen stroom tot een fijn poeder verbrand had.
"Ziezoo," zei Li. "Nu kan de Koning zijn eigen koffertje terug krijgen."
Drie dagen later was Li opnieuw ten paleize. Hij overhandigde het avontuurlijke kistje weer aan den Koning, en meldde dezen, dat hij nu nog slechts over eenigen tijd moest kunnen beschikken, en de diamanten zouden terecht zijn.
"Wees ervan verzekerd, Majesteit, dat de juweelen aan den rechtmatigen eigenaar zullen teruggegeven worden," zei hij met een fijn glimlachje.
De Koning was verrukt. Hij drukte Li herhaaldelijk de hand, en beloofde hem de grootst denkbare eerbewijzen als zijn taak tot een goed einde zou gebracht zijn.
"Uwe Majesteit zal vernomen hebben," zei Li, "dat ik volgens de nieuwsbladen het plan heb eenige maanden in den Atlantischen Oceaan te gaan kruisen. Mijn eigenlijk doel is echter, den dief te achterhalen, die het koninkrijk verlaten heeft, en omtrent wien ik zekere aanwijzingen heb dat hij op weg is naar Zuid-Afrika."
De Koning kon geen woorden vinden om zijn dankbaarheid te uiten, en toen Li met zijn reisgenooten den volgenden dag in zijn jacht Dover verliet, was hij tot Pair van Engeland verheven, en bezat hij, behalve het grootkruis van de Engelsche Huisorde, een mandaat, dat hem machtigde levenslang uit 's Konings particuliere schatkist een jaargeld van vijfduizend pond te trekken. Het jacht was nog geen vijf minuten in zee, of Li strekte de hand uit, en achtereenvolgens plompten de aanstelling tot Pair, de Bathorde, de Huisorde en het mandaat in de golven.
"Ik heb immers de diamanten!" zei hij eenvoudig.
Daarna keerde hij zich tot Rob en vroeg vroolijk:
"Wel--wat zeg je nu van ons avontuur?"
"Ik heb in al mijn boeken van Bertrand nog nooit zoo iets gelezen," zei Rob, "en die zijn toch wel de mooiste en avontuurlijkste boeken die ik ken. Las je ze wel eens?"
Li had schik in de verbazing van den jongen, en zei:
"In mijn jeugd bestonden er zulke prachtige boeken nog niet. Maar ik maakte er wel eens kennis mee. Ze schijnen in alle talen vertaald te worden, want op mijn vele reizen zag ik ze zoowel in China als in Amerika, op Groenland, in Siberië en op de Zuidzee-Eilanden. Maar dat is zeker, ons diamanten-avontuur is 'n aardig stukje geweest."
Rob kon niet nalaten te zeggen:
"Alles is je wel erg meegeloopen. Het gebeurde eigenlijk allemaal net zooals je het graag wou. Maar wat zou je nu gedaan hebben als het eens niet zoo vlot van stapel was geloopen?"
"Ach," zei Li leuk, "dan had ik er wel weer een ander middel op gevonden. Hebben moest ik ze."
De zeereis was weer even voorspoedig als te voren. Den 15en November was men weer op Green-Eiland, met een hoera verwelkomd door Mu, die De Vogel weer op zijn gewone plaats onder de boomen had verborgen. Ditmaal was er geen oorlogsschip te zien dat de reizigers bemoeielijkte.
Enkele uren na de landing kwam ook Nof met de vliegmachine aan, en bracht het voor Rob heerlijke bericht, dat het hem gelukt was den brief aan Rob's voogd des nachts onbemerkt in de bus te doen. Ook bracht hij eenige kranten mee, waarin al de in 't Eerste Hoofdstuk vermelde gissingen omtrent Rob's verdwijning stonden, en waarin allen, de held niet 't minst, veel schik hadden.
Nof kreeg niet lang rust, want Li gelastte hem dadelijk het jacht naar Dover te brengen, het daar onbeheerd in de haven te laten liggen, opdat de Engelsche regeering er over kon beschikken, en dan met de mee te nemen vliegmachine zich weer bij de overigen te voegen. Het punt van bijeenkomst werd hem door Li schriftelijk in cijfertaal opgegeven.
Alles, wat uit het huis in Longmanstreet in het jacht was geladen, werd nu op De Vogel overgebracht, en men was reisvaardig voor het verdere doel van de onderneming.
Nog denzelfden avond stak De Vogel van wal. De reis ging nu rechtstreeks naar Vrijheid, waar de Transvaalsche Regeering op dat oogenblik haar zetel had. De lucht was voortdurend helder, hoewel koud, en het was een heerlijke gewaarwording met de maximum snelheid, die De Vogel kon ontwikkelen, door den ijlen, drogen dampkring te vliegen. Niet altijd was het gemakkelijk, den juisten weg te vinden; de kinematografische opnamen van den Atlantischen Oceaan gaven slechts vage beelden, waarin het oog vergeefs een steunpunt zocht, en zoo moest herhaaldelijk aan zon en sterren gevraagd worden waar men zich bevond. Gemiddeld genomen, ging de reis echter zeer voorspoedig, en in den nacht van den 26en op den 27en November werden de Transvaalsche steenen in de tent van den waarnemenden President gedeponeerd, zonder dat deze zich van hun herkomst ook maar in de verste verte rekenschap kon geven.