Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië

Part 26

Chapter 263,831 wordsPublic domain

"Mannen van Czernovië!" riep een vrouwenstem, "zult ge toelaten dat uw Prinses aldus beleedigd wordt door huurlingen van den Czaar? Waar is de Oud-Hollandsche geest gebleven?"

Aller oogen wendden zich naar de spreekster, die niemand anders was dan Katina Ludovska. De Czernoviërs voelden de beteekenis van haar woorden. Wat hun voorvaderen gedaan hadden, konden ook zij doen. Haar uitroep was het teeken om op te staan, de Moscoviten aan te vallen en uit de kerk te jagen. En toen ze met luide stem het Czernovische volkslied aanhief, voer een golf van ontroering door haar verzamelde landgenooten. De herinnering aan hun verleden bracht het bloed van alle patriotten aan 't gloeien. Door een gelijktijdigen drang bewogen sprongen ze op, trokken hun zwaarden en zongen het refrein mee.

Het glinsteren van duizend klingen in het veelkleurig licht dat door de gebrande kerkramen viel, het schitteren der feestelijke gewaden en der ontelbare edelgesteenten, het machtige galmen der orgelklanken--want de organist, door geestdrift meegesleept, bespeelde zijn instrument zooals hij nooit in zijn leven meer doen zou--dat alles gaf een tooneel, waarvan de wederga in de gansche geschiedenis niet te vinden is. Vrouwen vielen flauw van aandoening, forsche mannen zongen met tranen in de oogen.

Maar de Moscoviten op hun beurt stemden het Russische volkslied in, en nu barstte van weerszijden een stroom van verwenschingen en uitdagingen los.

"Weg met de Russen!"

"Leve de Hertog!"

"Dood aan de Prinses!"

"Czernovië voor eeuwig!"

Katina, met getrokken degen, stond vooraan in de rij.

"Verdedig je, vrouwenbeul!" riep ze, haar ouden vijand, Graaf Orloff, een slag met het plat van haar wapen toebrengend.

Haar voorbeeld vond talrijke navolgers, en weldra weerklonk overal zwaardgekletter.

Een zestal Russen, met sabels in de hand, hadden een beschermenden kring om den Hertog gevormd, die onbewegelijk het rumoer stond te aanschouwen. Zabern, beangst voor Katina's leven, drong zich door de menigte heen, trachtend haar te bereiken.

Elizabeth, vergeefs op een middel zinnend om de vechtenden te scheiden, smeekte Radzivil de Lijfwacht te ontbieden.

Toen klonk opeens een stem, die als een donderslag het tumult overstemde:

"_De wapens neer!_"

En, met de eene hand op de balustrade van het koor geleund, de andere gebiedend omhoog geheven, was daarboven een man verschenen, een statige figuur, in een schitterend en indrukwekkend uniform gekleed. Een oogenblik meende men een bovenaardsche verschijning te zien.

"De duivel zelf!" mompelde Zabern.

De gedaante van den vreemdeling richtte zich nog hooger op, en, met een stem van iemand die geboren is tot bevelen, riep hij nogmaals:

"De wapens neer!"

Zijn persoon en zijn woorden hadden een merkwaardige uitwerking.

"De Czaar! De Czaar!"

Het gevecht hield op. Aan elke zijde weken de strijdenden terug. Het geraas stierf weg in een doodsche stilte. De gewonden hielden hun jammerkreten in, want er waren gewonden, zoo kort de schermutseling geduurd had; en een doode zelfs was er gevallen: Orloff, door Nikita's hand verslagen.

De Czaar wendde de blikken naar alle richtingen. Onwillekeurig staken de meesten hun zwaarden op.

Elizabeth was de eerste die begreep, dat het nu een strijd zou worden tusschen twee souvereinen, en dat zij alles moest doen om te voorkomen dat de Czaar de vruchten van zijn indrukwekkend optreden plukte.

Daarom, nog vóor hij opnieuw had kunnen spreken, vroeg Elizabeth, en haar kalme, heldere stem werd in de verste hoeken van het gebouw gehoord:

"Ik verzoek den Czaar mij te zeggen, met welk recht hij een verrader in vrijheid stelde, die op mijn bevel gevangen was genomen?"

Met deze woorden strekte ze de hand uit naar den Hertog van Bora.

Haar stoutmoedigheid deed een rilling door de zaal gaan. Waar, in de geheele geschiedenis der menschheid, was het voorbeeld van iemand, die zóo een Russisch Keizer had durven toespreken?

Voor den autocraat, van wien men gewoon was te zeggen: "er is slechts éen wil in Rusland--die van den Czaar," was zulk een taal even nieuw als verrassend.

Hij zag met verbazing, maar niet zonder bewondering, naar de jonge vrouw die het waagde op zulk een toon het woord tot hem te richten.

"Wat geeft u het recht tot zulke taal in tegenwoordigheid van den Czaar?"

"De overtuiging, dat niemand dan _ik_ in Czernovië te gebieden heeft!"

"En die overtuiging durft ge putten uit een Charter, dat nooit bestaan heeft, uit het bedriegelijk en valsch document dat daar ginds is neergelegd?"

Elizabeth voelde zich den moed ontzinken. Ze zocht vergeefs naar een antwoord.

Reeds klonken uit de rijen der Russischgezinden opnieuw dreigende kreten, toen opeens een beweging ontstond bij den hoofdingang van het gebouw. Aller oogen richtten zich daarheen, met vuisten en elbogen drong zich iemand naar voren, baande zich een weg tot voor de tafel, waarop het nagemaakte Charter lag, en riep:

"_Hier is het Charter van Czernovië!_"

Het was Rob, die zoo sprak.

Met hijgende borst en fonkelende oogen stond hij daar, de triomf over zijn welvolbrachte daad in de oogen, en met uitgestrekten arm bood hij de Prinses een perkament aan, waaraan de zware roode zegels van Alexander I hingen.

Een oogenblik maakte de Hertog van Bora een beweging om naar voren te dringen, maar Rob zag hem zoo dreigend aan, er was iets in zijn blik, dat zoo overtuigend als van een heilige zending sprak--dat de Hertog terugdeinsde. En opnieuw stonden allen ontzet en onbewegelijk; slechts enkelen zagen het Charter van nabij, maar men wist het: _die man sprak de waarheid_. De vaste klank van zijn stem, de diepe overtuiging waarmee hij sprak, de edele uitdrukking van zijn gelaat--alles wees er op dat hij een heilige plicht, een niet te verloochenen roeping vervulde.

De Czaar was met snelle schreden de plaats genaderd waar Rob stond; hij bezag het Charter--er was geen ontkennen aan: het droeg niet alleen de authentieke handteekening van den schenker, maar was ook door de namen der opvolgende Czaren, ook door den zijne, gewaarmerkt.

Met onuitsprekelijke verbazing staarde hij op het document; toen vroeg hij met weifelende stem:

"Waar hebt ge dit Charter gevonden?"

Rob hief het hoofd op, zag den Czaar recht in de oogen, en zei fier:

"_In het Kremlin_, Sire!"

Zabern was de eenige, die begreep. Toen Elizabeth, als altijd in raadselachtige gevallen, de oogen vragend op hem richtte, als wilde ze uit zijn mond de verklaring van Rob's woorden vernemen, ontving ze voor het eerst geen antwoord. Zabern staarde recht voor zich uit, onbewegelijk. En uit de oogen van dien ijzeren, onverzettelijken, door niets te ontroeren man stroomden tranen! Tranen, die hij niet trachtte te verbergen! In dit oogenblik aanschouwde zijn vooruitziende geest een visioen, dat werkelijkheid zou worden: Czernovië behouden, de Oranje-Republiek hersteld, bestuurd door een wijs, vastberaden heerscher, die slechts het goede wilde!

Maar de beproevingen waren nog niet ten einde.

Er was den Czaar een laatste redmiddel gebleven, en hij greep dit aan. Hoe het mogelijk was dat het duplicaat van het Charter, tot dusver veilig in de archieven van het Kremlin bewaard, hier plotseling op die tafel voor hem was neergelegd--hij vermocht dat raadsel niet op te lossen. Hij beproefde het ook niet, de vruchteloosheid van zulk een poging begrijpend. Maar zijn hoop was op den Hertog van Bora gevestigd, en, dezen een beteekenisvollen blik toewerpend, sprak hij luid:

"Volk van Czernovië! Het Charter is inderdaad in zijn oorspronkelijken en ongeschonden staat hier aanwezig. Als handhaver van recht en waarheid behoor ik elke onjuistheid, ook al ben ik, de Czaar, zelf de oorzaak daarvan, openlijk te bekennen en te herstellen. Mijn twijfel aan het bestaan van het Charter is dus opgeheven.

"Ik ben hier echter ook gekomen om te wijzen op een onrechtmatige afwijking van de door mij voorgeschreven kroningsceremoniën, welke de Prinses zich vermeten heeft. Het was mijn uitdrukkelijke wensch, dat men zich bij de kroning houden zou aan de door mij gegeven voorschriften. Dit is niet geschied. De Russische wet wil, dat bij plechtigheden als deze de gekroonde, in persoon of door middel van een kampioen, zijn rechten met het zwaard verdedigt. Verzet zich niemand tegen die rechten, dan worden ze als erkend beschouwd, en zal nooit eenige twijfel daaraan geduld worden. Komt echter iemand in verzet, dan is de gekroonde of zijn kampioen verplicht den strijd aan te nemen en het zwaard te doen beslissen. Valt de kampioen, dan is de kroning nietig."

Toen de Czaar deze woorden gesproken had, ging er een gejuich op onder zijn aanhangers. De bedoeling van het gesprokene was hun duidelijk. En bij de andere partij zag men het nuttelooze in van elk verzet tegen deze totaal verouderde, barbaarsche instelling. Voor men trouwens kon overwegen op welke wijze men daartegen zou protesteeren, had de Hertog van Bora de Prinses zijn lederen handschoen voor de voeten geworpen.

"Ik verzet mij tegen de rechten der Prinses!" riep hij. "Wie wil haar kampioen zijn, en het tegen mij opnemen?"

Het was volkomen stil na deze woorden. Waar was de kampioen, die het zwaard van den Hertog zou durven trotseeren? Zelfs Zabern durfde dien handschoen niet opnemen. Gaarne zou hij zijn leven voor haar hebben geofferd, maar zijn dood zou in dit geval haar ondergang beteekenen.

"Ik geef de Prinses tien minuten om een kampioen te benoemen--zoo wil het de wet!" riep de Czaar.

Tien minuten! Tien minuten die over het lot van Czernovië zouden beslissen, alles vernietigend wat Zabern met zooveel krachtsinspanning had opgebouwd!

"Alles is tegen ons!" mompelde de Maarschalk, de vuist krampachtig ballend. "Ik hoopte in dit geval voorzien te hebben, wetend dat deze uitdaging geschieden zou. En nu moeten we het gevecht afwijzen, want onze kampioen is er niet!"

De wanhopigste plannen kwamen bij Zabern op. Hij wilde de Lijfwacht ontbieden, den Czaar gevangen nemen; hij dacht er zelfs over den Czaar een doodelijken sabelhouw toe te brengen, kortom, de krankzinnigste daad leek hem nog beter dan deze verschrikkelijke machteloosheid. Maar hij dwong zich zijn koelbloedigheid te bewaren. Eén onberaden handeling, en het Russische leger zou Czernovië binnentrekken.

Vijf, zes, zeven, acht lange minuten van angst en spanning waren voorbijgegaan.

Het bestaan van Czernovië was nog slechts bij seconden te tellen.

Meer dan duizend menschen hielden onafgewend den blik op het uurwerk gericht, dat boven den ingang hing, en welks wijzer langzaam maar zeker het oogenblik ging verkondigen, waarop de Czaar zijn ijzeren hand vernietigend op heel een volk zou leggen.

Negen minuten....

Op een teeken van den Czaar deed de Hertog een stap voorwaarts.

"Nog éen minuut, Prinses!" zoo klonk zijn waarschuwende stem. "Waar is uw kampioen?"

"_Hier is hij!_" sprak een vaste, heldere stem.

Het eene wonder verdrong dezen dag het andere!

Iedereen wendde de oogen naar den spreker, die juist de kerk door de oostelijke poort was binnengekomen--een jonge man met een door de zon gebronsd gezicht, maar wiens blond haar, wiens athletische gestalte en edele gelaatsbouw duidelijk zijn Oud-Czernovische afkomst verrieden.

Wie was deze man?

Er werden namen genoemd, men fluisterde, bezon zich, er werden veronderstellingen geuit en weer tegengesproken--totdat Zabern opeens den naam uitsprak, die reeds velen op de lippen zweefde:

"Van Stralen!"

Ja--hij was het: Felix van Stralen, in wien enkelen nu hardnekkig eenige gelijkenis wilden zien met den verbannen Secretaris der Prinses, maar die anderen aanleiding gaf op de beide praalgraven van den vader en den grootvader te wijzen--zie, was het niet geheel hetzelfde gezicht, dat daar in een steenen medaillon was uitgehouwen?

En een storm van geestdrift voer door de zaal! Het oude geslacht der Van Stralens, het geslacht dat de Oranje-Republiek gesticht en grootgemaakt had, keerde terug! Door een wonder, dat niemand wist te doorvorschen, maar dat hier voor hun oogen geschied was, had de dood dezen man aan Czernovië teruggegeven, op het oogenblik dat alleen zijn naam voldoende zou geweest zijn grootsche daden in de herinnering te roepen en tot nog grootschere aan te sporen! Ja, de dood had hem teruggegeven, want stond niet daarginds, bij het graf zijner vaderen, de gedenkplaat waarop het droevig omkomen van zeven der meest geziene Czernoviërs werd herdacht?

Dit was een wonder! een wonder! Een vingerwijzing naar den weg, dien het Czernovische volk voortaan te gaan had! Ja, nu voelde men zich sterk om elk juk, hoe zwaar ook, af te schudden, nu kwamen de oude tijden terug!

Te midden van een geweldige geestdrift, waartegenover de Czaar en zijn aanhangers machteloos stonden, trad Felix op den Hertog toe.

Elizabeth, wier hart, deels van bewondering, deels van angst wild klopte, staarde hem aan. Ze wist voor welk doel hij gekomen was.

Felix had den handschoen opgeraapt, die daar tien minuten lang onaangeroerd had gelegen, en terwijl hij hem met een achteloos gebaar den Hertog voor de voeten wierp, sprak hij:

"Hertog, ik neem uw uitdaging aan. Op leven en dood!"

Opnieuw golfden de losbarstingen van gejubel door de kerk. Slechts met moeite wist de Czaar zich verstaanbaar te maken, toen hij vroeg:

"Prinses, wenscht gij dezen man als kampioen?"

Een minuut te voren had zij vurig naar een triomf over den Czaar verlangd--nu ging de Prinses in de Vrouw verloren. Een geweldige strijd had in haar binnenste plaats. Wat moest ze doen? Was het niet beter land, volk, troon, alles op te offeren, maar hem te behouden, met hem en hun geluk te vluchten naar een eenzaam hoekje, waar het rumoer van vreeselijke tooneelen als dit niet doordrong? Mocht ze, moest ze Felix opofferen?

"De Prinses moet een kampioen aanwijzen, of zich gereed maken afstand te doen van den troon," sprak de Czaar.

Toen drukte Zabern's vuist haar arm zoo vast en ruw, dat de pijn haar tot bezinning bracht.

"Prinses," fluisterde de Maarschalk, "het _moet_. En ik weet, _ik weet_" voegde hij er met nadruk bij, "dat Felix overwinnen zal."

Toen raapte Elizabeth al haar krachten bijeen.

_Het moest._

"Ik wijs dezen man aan tot mijn kampioen," sprak ze helder en vast.

Nu daverde het gejubel der Czernoviërs door de kerk, dat muren en vensters trilden. Allen, de patriotten, de Moscoviten, de Czaar zelf--ze gevoelden het: de oude Oranje-Republiek herrees, een nieuw, sterk volk ontstond, dat door geen leger ter wereld ten onder gebracht zou kunnen worden!

Toen het gejuich was weggestorven, zag men dat de Prinses, bewusteloos, door haar kamervrouwen werd weggedragen.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET KRONINGSDUEL.

De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk gewond.

Zij, die de kerk waren binnengekomen in de verwachting een intressante plechtigheid te zien, bemerkten dat de werkelijkheid hun verwachting verre had overtroffen.

Inderdaad had een reeks dramatische tooneelen elkaar opgevolgd, en nog was het hoogtepunt niet bereikt. De troon van Czernovië was afhankelijk geworden van den uitslag van een duel.

Op aanwijzing van den Czaar werd alles voor dat duel in gereedheid gebracht. Men had er een grasveld voor gekozen, dat achter de kerk was gelegen, ingesloten door den grooten, aan de kerk behoorenden tuin, welks zware begroeide hekken den toegang en het inzicht van buiten af beletten.

Het gebouw stroomde weldra leeg; ieder trachtte zich een zoo goed mogelijke plaats te bezorgen. Enkele zetels en banken werden aangesleept; op het grasveld werd met behulp van tusschen palen gespannen touwen een groot vierkant afgezet. Al deze maatregelen namen eenigen tijd in beslag, van welken de ministers gebruik maakten om Felix de hand te drukken en hun spijt te betuigen dat ze hem uit Czernovië verdreven hadden. Ook Rob was het voorwerp van een ovatie; van alle kanten bestormde men de beide helden met vragen, maar het oogenblik was te vol van ernstiger dingen, dan dat zij nu in verklaringen konden vervallen, die even goed tot een volgenden dag konden wachten.

Bovendien werd Felix weldra weggeroepen. Een page meldde hem, dat de Prinses hem wenschte te spreken.

De Hertog, die het bericht hoorde overbrengen, lachte spottend, maar de kalme, ongedwongen manier waarop Felix den page aanhoorde en daarna beloofde te zullen komen, gaf den Hertog en zijn keizerlijken beschermer toch een onwillekeurig gevoel van ongerustheid.

Felix ging naar de woning van den kerkbewaarder, waar hij Elizabeth aantrof, ontdaan van haar zwaren kroningsmantel; het zuivere wit van haar zijden kleed was niet witter dan haar gelaat in dit oogenblik.

Op een teeken van de Prinses gingen de kamervrouwen heen.

"Hoe vreeselijk," mompelde een van haar onder het weggaan, "dat zulk een edel man sterven moet!"

Elizabeth stond op, maar haar ontroering was zoo groot, dat ze gevallen zou zijn als Felix haar niet in zijn armen had opgevangen, waar zij nu bleef en zich aan hem vastklemde.

"O, Felix, Felix!" mompelde ze, en gedurende enkele minuten kon ze niet anders doen dan dien naam herhalen.

Zou dit een scheiding voor eeuwig zijn? Haar troon, haar macht, haar weelde, haar diplomatieke overwinningen--het was alles niets in vergelijking met haar liefde voor Felix. Hij was haar kostbaarst bezit, en toch--en toch--kon deze omarming de laatste zijn! Binnen een uur kon zijn lijk de kerk uitgedragen worden, en de Czaar zou haar vervallen-verklaring proclameeren, en de troonsbestijging van Bora.

En wat zou het leven zijn zonder Felix!

"Ween niet, Elizabeth," zei hij zacht. "Deze dag zal de schoonste van ons leven worden."

Maar Elizabeth dorst het niet gelooven.

"O Felix!" riep ze, "het is zelfzuchtig, het is slecht van me om jouw leven te wagen voor dat barbaarsche duel!"

"Het is nu te laat voor zelfverwijten," antwoordde hij ernstig. "Ik heb in het openbaar mijzelf als kampioen aangeboden, en zelfs de Prinses zal me daarvan niet terugbrengen."

"Maar ben je dan zoo zeker van de overwinning?"

"Even zeker als jij 't over een uur zijn zult."

"Een uur!" kreet Elizabeth. "Nooit zal ik de kracht hebben zoo lang te wachten. Felix, ik doe afstand--we zullen samen naar een ander land gaan, waar we het geluk zullen vinden. Zeg dat je dit ook wilt! Neem dat duel niet aan! Wanneer je komt te vallen...."

"Dat zal ik niet. Zou ik zoo roekeloos je troon in de waagschaal stellen?"

"Mijn troon!" herhaalde Elizabeth bitter. "Is die het waard, jouw leven er voor te wagen?"

"Ja," antwoordde Felix beslist. "Zouden we in een zwak oogenblik ons levensdoel opgeven? vluchten als lafaards? een naam achterlaten, beladen met het verraad aan heel een volk gepleegd, dat op ons vertrouwde? Nooit!"

Hij kuste haar, en zacht haar armen van zijn schouders losmakend, verliet hij de kamer.

De Hertog van Bora fronste de wenkbrauwen toen Felix terugkwam. Niemand twijfelde aan den aard van het onderhoud dat tusschen hem en Elizabeth had plaats gegrepen; allen wisten dat hij naar het gevecht ging met de kussen van Elizabeth nog gloeiend op de lippen.

"Als die man er nooit geweest was," mompelde Bora, "was ik nu Prins-Gemaal."

"Wees een man, Bora," sprak de Czaar, "wat niet is, kan komen. Versla dien kampioen, en geheel Europa zal u uw nieuwen titel onbetwist laten."

Men was gereed.

De voorschriften, volgens welke het duel moest plaats hebben, werden voorgelezen. Bovendien werd den beiden strijders een eed afgevergd waarbij ze verklaarden een rechtvaardige zaak te verdedigen, en hun tegenstander met eerlijke middelen te zullen bevechten.

Er heerschte een gespannen stilte.

Men wist, dat dit gevecht niet eindigen zou zoolang een der strijders nog leefde, en hierin vooral lag de afgrijselijke aantrekkingskracht er van. Een rilling van angstige verwachting ging door de talrijke vrouwen die langs het grasveld stonden opeengedrongen; de mannen, meer koel en kritisch, trachtten den afloop af te leiden uit bouw en uiterlijk voorkomen der tegenstanders.

Op die wijze beschouwd, scheen het voordeel aan de zijde van den Hertog, die een forsche en gespierde lichaamsbouw bezat; Felix was kleiner en tengerder gebouwd, maar daardoor ook leniger en vlugger in zijn bewegingen.

De omstandigheden, waaronder dit duel zou plaats hebben, maakten het eenig in de geschiedenis van Czernovië.

De eene kampioen, Bora, aangevuurd door de tegenwoordigheid van zijn keizerlijken gebieder, den Czaar, vocht om een kroon te veroveren, de andere, Felix, om de hand eener Prinses. Er lag een romantische tint over deze gebeurtenis, die sterk aan lang vervlogen dagen deed denken.

Elk der partijen vertrouwde in het succes van zijn kampioen. De Moscovieten bluften op de dertig duels van den Hertog, uit welke hij steeds zonder een enkele wond te voorschijn was getreden. De Czernoviërs konden zich niet op zulke daden beroemen; de wapenfeiten in de schermzaal waren eertijds niet van algemeene bekendheid geworden, en de zekerheid, dat de vreemdeling van toen dezelfde persoon was als de gestorven gewaande zoon van den laatsten President, die nu voor hen stond, was nog slechts tot enkelen doorgedrongen. Rob had namelijk ten slotte geen weerstand kunnen bieden aan de vele vragen, waarmee men hem bestormde, en in 't kort iets van Felix' en zijn eigen wedervaren verteld. Hoe het zij, de Czernoviërs hadden toch vertrouwen in hun kampioen, want de rustige, vastberaden wijze, waarop hij den handschoen had opgeraapt, had hen ontzag ingeboezemd. En meer dan woorden 't konden doen, had de wilde vreugde, die op het gelaat van Zabern verschenen was bij die handeling, hun vertrouwen versterkt. Felix' koele, fonkelende blik, zijn dichtgeknepen lippen en zijn onverschrokken uiterlijk bewezen dat hij een gevaarlijk tegenstander zou zijn.

De beide mannen ontdeden zich van hun jas, en ontvingen ieder een sabel, nadat men zich overtuigd had dat de beide wapens in niets van elkaar verschilden.

Intusschen was het nieuws ook tot de menigte daarbuiten doorgedrongen, en de opgewonden kreten der zich bij de kerk verzamelende bevolking vormden een zonderling contrast met de doodsche stilte, die in de onmiddellijke omgeving der strijders heerschte.

Op het platte dak der kerk kon men twee mannen zien staan; zij hadden twee vlaggen, een witte en een zwarte, aan den voet van den vlaggestok gelegd. De oogen van heel het volk waren op dien stok gevestigd, want het was bekend geworden dat het hijschen van de witte vlag de overwinning van den kampioen der Prinses zou aankondigen, terwijl de zwarte zijn nederlaag zou melden.

Het oogenblik was gekomen.

Op een teeken van den Czaar salueerden de duellanten eerst elkaar en daarna de aanwezigen. Toen kletterden de sabels tegen elkander.

De voorbereiding had zoolang de toeschouwers in spanning gehouden, dat het begin van den strijd inderdaad voor allen een verlichting was.

Een huivering voer door de menigte. Vijfduizend paar oogen waren op die twee mannen gericht. Een bliksemstraal had de heldere lucht kunnen doorklieven, een aardbeving de kerk doen instorten--niets zou de aandacht van hen hebben kunnen afleiden.

Zabern, die graag een goede partij zag schermen, keek met onverholen blijdschap toe, zeker als hij was van den uitslag.

De Czaar was eveneens in zijn element, en zat voorovergebogen toe te kijken, met de handen op het gevest van zijn zwaard geleund, even vol vertrouwen in de overwinning van Bora als Zabern het was in die van Felix.

De Hertog, brandend van verlangen om zich in de oogen van den Czaar te onderscheiden, en blijkbaar het gevecht in den kortst mogelijken tijd willende beslissen, viel zoo onstuimig op Felix aan, dat deze niets anders kon doen dan zich verdedigen. Zoo machtig viel Bora's kling neer, dat Felix' arm bij iederen slag trilde, zoo snel was zijn houw, dat Felix dien dikwijls slechts op enkele millimeters afstand van zijn schedel kon afweren. Het oog kon nauwelijks de beweging der sabels volgen, zulke bliksemsnelle kringen beschreven ze in de lucht.