Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië

Part 22

Chapter 223,830 wordsPublic domain

Ver op den witten, stoffigen weg, die zich tot aan den horizon in een rechte lijn uitstrekte, waren drie zwarte voorwerpen zichtbaar, die elk oogenblik kleiner werden.

"Ontsnapt!" riep Zabern. "Kijk--daar zijn hoefslagen in de klei. Er was dus een handlanger die hen opwachtte. Binnen tien minuten zijn ze over de grens, en ik twijfel er niet aan of ze hebben goede Russische paspoorten."

Hiermee was elke gedachte aan een verdere vervolging een dwaasheid geworden.

De nacht was gevallen.

Zoowel binnen als buiten de Kamer heerschte groote opgewondenheid. De wet-Lipski was langzamerhand een volkszaak geworden, zonder dat men recht wist waarom. De een koos partij er tegen, omdat hij de kloosters haatte, de ander er vóór omdat hij hetzelfde geloof beleed als de monniken. Deze was de wet gunstig gezind omdat ze geld inbracht, gene hoopte op haar val, omdat de Prinses er niet mee ingenomen was. En allen voelden instinctmatig, dat er iets achter deze wet schuilde.

Allerlei menschen stonden voor het kamergebouw opeen gepakt: Polen, Russen, Joden, Tartaren, Kozakken, Hongaren, Rumenen, Serviërs--maar uit een politiek oogpunt beschouwd waren er slechts twee partijen: Czernovisch- en anti-Czernovischgezinden. Neutralen waren er niet.

De opgewondenheid was zoo groot, dat Zabern's rijtuig door kwaadwillige Russen werd bemoeilijkt, en door soldaten ontzet moest worden; hetgeen eenige verontwaardigde Polen aanleiding gaf, Lipski niet binnen te laten eer hij een flink pak slaag in ontvangst genomen had. Dit eenmaal begonnen spelletje werd algemeen voortgezet, zoodat een sterke militaire en politiemacht ontboden moest worden om de afgevaardigden gelegenheid te geven de Kamer te bereiken. Het voorplein werd door een cordon huzaren afgezet.

Het rumoer drong ook in de Vergaderzaal door, waar dien avond over de wet beslist zou worden. De vergadering was, wat niet dikwijls gebeurde, voltallig; rechts van de voorzitterstafel zaten de Ministeriëelen, links de Oppositie. Brunowski's bel was voortdurend in beweging, want het debat had een zeer scherpen toon aangenomen.

Lipski beschuldigde het Ministerie boeven te hebben omgekocht om de leden van de Oppositie te beletten de Kamer te bereiken.

Zabern wees op zijn gehavende kleeren, en bracht spottend hulde aan het gepeupel, dat zijn gunsten onpartijdig over de beide zijden verdeeld had.

De Hertog van Bora, hoewel geen lid van de Regeering meer, was als afgevaardigde aanwezig, en had duidelijk zijn partijkeuze kenbaar gemaakt door een plaats naast Lipski in te nemen.

Lesko Lipski, afgevaardigde van Russograd, uitgever van het anti-ministeriëele nieuwsblad De Kolokol, leider van de oppositie, en ontwerper van de Klooster-Wet, wiens costuum volgens de laatste mode een beetje door de Polen gehavend was, keek rond met dien brutalen, uitdagenden glimlach, waarvan hij de uitsluitende bezitter was.

Er was in de Kamer die zenuwachtige spanning, welke voorafgaat aan alle beslissende oogenblikken, waarin een knagende onzekerheid opgeheven zal worden, en die te opmerkelijker was, daar toch eigenlijk iedereen, behalve Zabern, zich overtuigd hield dat de wet er door komen zou.

De moordaanslag, welke dien ochtend op de Prinses was gepleegd, had niet weinig bijgedragen tot de zenuwachtige spanning waarin men verkeerde. Haar populariteit, de sympathie, die de patriotten haar toedroegen, was er zeer door versterkt, en de oppositie had er een onrustig vermoeden uit geput, dat deze omstandigheid van invloed zou zijn op de stemmen der patriotten, die allicht, onder den indruk van het gebeurde, en wetend dat de Prinses om de een of andere onbekende reden de wet niet genegen was, zich zouden laten beïnvloeden om tegen hun eigen overtuiging in te stemmen. In elk geval was men algemeen van oordeel, dat de Regeeringspartij sedert dien morgen zeer in kracht was toegenomen.

Een half uur vóor middernacht stond Zabern op om het debat ten gunste van het Kabinet te keeren.

Zijn opstaan was het sein tot een vijandige beweging van Russische zijde. Men was--al wilde men 't niet bekennen--aan die zijde bang voor 't geen hij zeggen ging. Niet dat de Maarschalk zulk een welsprekend redenaar was; integendeel. Hij had alle verachting van den soldaat voor veel praten en voor de "mannen van het woord," zooals hij de afgevaardigden noemde; hij voelde meer voor een militair dictatoriaat dan voor een parlementaire wetgeving. Daarom werd zijn stem zelden in de Kamer gehoord; maar _als_ hij sprak, was het kort, gebiedend en raak; en meermalen besliste hij over de twijfelaars te zijnen gunste. En het aantal twijfelaars was dezen avond groot.

In het eerst kon zelfs de donderende stem van Zabern zich niet verstaanbaar maken. Telkens als hij beproefde te spreken, gingen zijn woorden in het rumoer verloren, dat de oppositie in de plaats stelde van haar welsprekendheid, en dat voornamelijk in het stampen met voeten en het klapperen met lessenaars bestond.

Voor volle twee minuten bewoog Brunowski de bel, maar zonder eenig effect. Blijkbaar wilde de oppositie Zabern beletten aan het woord te komen.

Ten slotte gaf Brunowski een wenk aan een der boden, en bijna onmiddellijk daarop trad een afdeeling gewapende grenadiers binnen, waarvan er zich een achter den stoel van elken afgevaardigde opstelde. Een plotselinge stilte volgde. De President verklaarde nu, elkeen die de orde wilde verstoren onmiddellijk uit de zaal te zullen doen verwijderen. Dat hielp, want de oppositie begreep geen enkele stem te kunnen missen.

De Maarschalk begon nu met te zeggen, dat hij zich verplicht gevoelde eenigen uitleg te geven omtrent den aanslag, die heden morgen op de Prinses was gepleegd.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Lipski stond op.

"Meneer de voorzitter, ik protesteer. De Maarschalk is buiten de orde. Hij vermijdt het eigenlijke onderwerp van het debat."

"De Maarschalk zal ongetwijfeld het verband duidelijk weten te maken," antwoordde Brunowski.

"De Kamer zal begrijpen," vervolgde Zabern, "waarom de geachte afgevaardigde den naam der Prinses buiten de discussie wenscht te houden. Wie is verantwoordelijk voor den moordaanslag? Niet de ellendige, wiens schot, gelukkig voor de Prinses en Czernovië, zijn doel miste. Neen, heeren, veroordeel dan den kogel of straf het pistool. De daders huizen elders. De ware daders zijn zij, die in woorden en geschriften verzet kweeken tegen de openbare macht en het hoofd van den Staat. En van die personen"--hier verhief Zabern donderend zijn stem--"is de afgevaardigde voor Russograd het hoofd!"

Lipski vloog op.

"Meneer de President, moet ik hier blijven zitten, en me moordenaar laten noemen zonder te mogen protesteeren?"

"Zeker niet. De Maarschalk moet zijn beschuldiging intrekken, of--bewijzen."

"Het bewijs volgt. De twee ellendelingen, die op de Prinses schoten, zaten vóor den aanslag aan den weg, een krant lezend, waaruit zij blijkbaar de goedkeuring van hun daad putten. Ik zie den uitgever van dat blad al onrustig worden, want de naam ervan is de Kolokol. De moordenaars waren ijverige bestudeerders van de Kolokol, en in den uitgever zagen ze blijkbaar een groot politiek leider."

"Waarom?" riep de Hertog.

"Om de volgende reden," antwoordde Zabern, een vuil exemplaar van de Kolokol te voorschijn halend. "Hier is het blad dat de mannen op hun vlucht lieten liggen. Het bevat een artikel getiteld: "Harmodius de Patriot", en in margine zijn potloodaanteekeningen gemaakt als: "Goed zoo!"--"Zeer waar!"--ja, zelfs staat er in slecht Russisch: "Dood aan de Prinses!""

Zabern hield de krant voor zich uit, om die de vergadering te laten zien.

"Ik behoef de Kamer er wel niet aan te herinneren, dat Harmodius een Griek was, die den regeerder van Athene vermoordde en voor die daad door zijn medeburgers als een goed patriot werd geëerd. Waarom publiceert een uitgever, in plaats van de politieke gebeurtenissen van den dag, een artikel over een voorval dat meer dan drie-en-twintig eeuwen oud is? Omdat hij de leer wenscht te verkondigen, dat het ook heden een goede daad kan zijn het hoofd van een Staat te vermoorden."

"Ik protesteer tegen die uitlegging!" riep Lipski.

"Ten minste twee van uw lezers zijn 't met me eens, en hebben uw wenken in practijk gebracht. Ge ziet nu het effect van uw onderwijs in politiek; neem nu ook de verantwoordelijkheid voor uw uitingen op u. Ik zal de vrijheid nemen uw artikel voor te lezen."

Zabern deed dit, en toen hij geëindigd had, ging er een storm van verontwaardiging op bij de rechterzijde, terwijl de linker een norsch stilzwijgen bewaarde.

"We weten allen, dat de Prinses steeds sterk geijverd heeft voor de instandhouding van de vrijheid der Pers. Dit artikel bewijst hoe men die ruimheid van opvatting weet te waardeeren! Zoo, mijne heeren, zijn de gevoelens, zoo is het karakter van den afgevaardigde van Russograd. En die aanprijzer van den vorstenmoord durft de goedkeuring op een wetsvoorstel inroepen van mannen van eer, van onvervalschte Czernoviërs, die hun Vorstin getrouw zijn tot in den dood! Zult ge voor deze wet stemmen? Nooit! Al was ze het fraaiste voorbeeld van wetgeving dat ooit het vernuft van een staatsman schiep! Wie kan den man scheiden van zijn voorstel? Elke stem ten gunste van zijn wet, is een stem ten gunste van den vorstenmoord. Laten zij, die zich verheugen in de redding der Prinses, hun sympathie toonen door een wet te verwerpen die haar gevoelens kwetst."

En nu had een dramatisch tableau plaats, dat door den handigen Zabern was voorbereid.

Een kleine deur rechts van den voorzittersstoel ging open, en Elizabeth kwam de zaal binnen, tot groote verbazing der aanwezigen, die eerst dachten dat zij de Kamer wilde ontbinden.

Brunowski bood dadelijk zijn stoel aan, doch de Prinses, wier bekoorlijke verschijning een liefelijke tegenstelling vormde bij de booze gezichten der afgevaardigden, bleef staan. Een oogenblik waren allen, zonder uitzondering, onder den indruk van haar stralende schoonheid. Toen zag men opeens met verwondering dat de Prinses, als door een plotselinge ingeving geleid, haar hoed losmaakte en dien naast zich legde.

Brunowski maakte een beweging als wilde hij dit voorkomen.

"Vergeef me, meneer de Voorzitter," sprak Elizabeth, "maar zooals ik zie brengen de gebruiken der Kamer mee, dat hier slechts _een_ persoon het hoofd gedekt zal houden."

Aller blikken wendden zich naar Lipski, die, terwijl alle afgevaardigden met ontbloot hoofd waren opgestaan, met z'n hoed op was blijven zitten.

Hij had geen tijd lang van zijn lompheid te genieten. Zabern, alle etiquette vergetend, liep dwars door de zaal op Lipski toe. Een seconde daarna lag Lipski's hoofddeksel tien meter hooger op de galerij.

"Meneer de President," zei Radzivil, "ik stel voor den afgevaardigde van Russograd het bijwonen der zitting voor den verderen duur te ontzeggen."

"O neen, Graaf," viel Elizabeth hem in de rede. "Laat men ons niet kunnen verwijten dat wij een afgevaardigde van zijn stem beroofden."

Toen de bel van den Voorzitter de toejuichingen had onderdrukt, die deze opmerking te weeg had gebracht, begon Elizabeth de reden van haar aanwezigheid in deze vergadering te verklaren.

"Meneer de President, Heeren Ministers en Afgevaardigden," sprak ze met zelf beheersching en waardigheid, "het is waar dat de Prinses zich niet behoort te mengen in de aangelegenheden der Kamer, maar eenvoudig de besluiten der meerderheid heeft te aanvaarden. Doch, Heeren, uw Prinses is geen automaat, maar een menschelijk wezen met menschelijke gevoelens. Die gevoelens zijn door de kloosterwet zeer in beroering gebracht; ik aarzel niet dit te bekennen."

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen:

"Ik zal steeds overeenkomstig mijn eed handelen. Wordt de wet aangenomen, dan zal ik er mijn handteekening niet aan onthouden."

De Linkerzijde juichte.

"Maar ik vertrouw, dat de Kamer de wet _niet_ zal aannemen."

Sensatie.

"Wanneer mijn gevoelens eenigen invloed op uw meening kunnen hebben, dan doe ik een beroep op uw aller medewerking--tot welke partij ge behoort--om de wet te verwerpen."

Met deze woorden boog ze naar beide zijden, en verliet de kamer te midden van geestdriftige kreten: "Leve de Prinses!"

De ridderlijkheid van het meerendeel der leden was opgewekt. Wat de Oppositie had willen bereiken, was door twee pistoolschoten en door het beroep der Prinses verijdeld.

Zabern triomfeerde.

Zoodra de President zijn zetel weer had ingenomen, zette de Maarschalk zijn rede voort.

"De Prinses heeft het tot een persoonlijke kwestie tusschen haar en Lipski gemaakt. Welnu, mijne heeren, ge hebt de Prinses gezien, en--ge ziet Lipski," vervolgde hij, op dien afgevaardigde wijzend, die een treurig figuur maakte in dat oogenblik. "Zal iemand nog twijfelen voor wie hij stemmen gaat?"

Het was middernacht.

Te midden van een onbeschrijflijke opwinding kondigde Brunowski de stemming aan.

"Ik stel een gesloten stemming voor," zei Zabern.

"Ik ben er tegen!" riep Bora.

De President bracht dit punt in omvraag, met het gevolg, dat Zabern zijn zin kreeg. Hij begreep dat hem dit eenige stemmen in zijn voordeel zou geven, want het goud van Orloff had enkele twijfelaars onder de Czernoviërs omgekocht, en onder het toezicht van Lipski en Bora zouden ze het bij een openlijke stemming nooit gewaagd hebben hun lastgever te verloochenen.

In de Slavowitzsche Kamer werden zoogenaamde gesloten stemmingen door middel van zwarte en witte schijven gehouden, waarvan elk lid er een in zijn lessenaar had. Zwart diende om tegen, wit om vóor te stemmen.

Met den gekozen schijf in de gesloten hand ging nu ieder afgevaardigde langs de tafel van den President, en gedurende eenige oogenblikken hoorde men slechts den metalen klank waarmee de schijven in een bronzen urn vielen. Telkens wanneer iemand op die manier gestemd had, werd zijn naam opgeschreven, zoodat ten slotte het aantal schijven met het aantal namen moest overeenstemmen.

"Honderdtwintig leden hebben gestemd," zei de griffier die de namen had aangeteekend. Dit was het grootste aantal, ooit bij een stemming verkregen.

De vraag was nu, hoe er gestemd was?

Op een teeken van den President werd de inhoud van den urn langzaam op het roode tafelkleed uitgestort.

In hun opwinding verdrongen de leden zich om de tafel, in gespannen verwachting omtrent den uitslag.

Op het voorplein was de beweging toegenomen. Een groote opschudding had het bericht veroorzaakt, dat de Prinses in de vergadering was geweest. Men wist elkaar te vertellen, dat zij met tranen in de oogen voor de afgevaardigden op de knieën was gevallen, en dat Zabern met een sabel in de hand door de zaal had geloopen, dreigend iedereen den hals af te snijden die niet tegen de wet stemde.

Aller oogen waren op de groote vleugeldeuren gericht, vanwaar uit een schitterend licht het plein overstroomde.

Tien minuten na middernacht ontstond er een beweging bij de trap die naar den ingang leidde; een bode van de Kamer kwam naar buiten, met een papier in de hand, waarop de uitslag van de stemming geschreven stond. Toen hij de hand ophief, werd het volkomen stil. Geen beweging, geen woord, geen ademhaling.

"Er zijn uitgebracht 120 stemmen. Daarvan zijn er 39 voor, en 81 tegen. De wet is dus verworpen met een meerderheid van 42 stemmen."

Deze publicatie werd door een oogenblik van verbaasd stilzwijgen gevolgd. De patriotten konden niet gelooven in zulk een overwinning, de Russischgezinden niet in zulk een nederlaag. Maar toen men Zabern naar buiten zag treden, wien zijn aanhangers gelukwenschend de hand drukten, was er geen twijfelen meer mogelijk, en nu ontstond een geweldig tumult. De beide partijen wilden elkaar te lijf, en het plein moest door de huzaren worden schoongeveegd.

Ook binnen het Kamergebouw was de opwinding groot. Lipski en de zijnen waren geheel verslagen en de eerste beklaagde zich vooral de kolossale sommen die besteed waren om de patriotten om te koopen.

Na het besluit genomen te hebben dat de militaire bewaking der kloosters werd opgeheven, gingen ook de laatste afgevaardigden heen.

In een kleine kamer, grenzend aan de vergaderzaal, zat Elizabeth, omringd door haar Ministers.

"Een aantal van 81 stemmen! Meer dan twee-derden! Welk een triomf!" zei ze, stralend van vreugde.

"Ons geheim is veilig," zei Radzivil, "Kossuth krijgt zijn geld."

"Weer een nederlaag voor Rusland," zei Zabern. "Wat zal Orloff zijn roebels betreuren!"

Door een van de gangen gaande, ontmoette Zabern den Hertog van Bora.

Deze Minister had eindelijk het masker afgeworpen, maar de gelegenheid was hem niet gunstig geweest. In de hoop op een nederlaag van het Kabinet, had hij openlijk partij gekozen voor de oppositie, en zich naast Lipski gezet, alleen om des te meer van zijn triomf te genieten. Men kan begrijpen met welk een uitdrukking hij Zabern's glimlach beantwoordde.

"U schijnt niet in zoo'n vroolijke stemming te zijn als de vorige week op het terras," zei Zabern. "Mag ik deze gelegenheid waarnemen om u mijn vordering van tienduizend roebels aan te bieden? Het is een heele som, maar ik zal ze zonder wroeging aannemen, omdat ik weet dat het Orloff-fonds u wel zal schadeloos stellen."

Inwendig woedend, maar zonder iets te zeggen, schreef de Hertog onwillig een cheque voor het benoodigd bedrag.

"Een onvoorziene omstandigheid heeft u uw weddenschap doen winnen," zei hij kort.

"Ja, 't was een heel--eh--onvoorziene omstandigheid," zei Zabern, terwijl hij met de cheque in den zak wegging.

Toen de straten tot hun rust waren teruggekeerd reed Elizabeth, vergezeld door Felix, die op de galerij de zitting had bijgewoond, naar het Paleis terug. Daar vonden ze Zabern, in gezelschap van Rob, die reeds in zijn nieuwe functie aan de Prinses was voorgesteld. De Prinses noodigde de drie mannen uit, ondanks het late uur, nog een oogenblik in de Witte Zaal te verwijlen; zij voelde behoefte, zeide ze, haar drie trouwe onderdanen nog eens dank te zeggen voor wat ze hun verschuldigd was.

"Dat pistoolschot had goede gevolgen, Maarschalk," merkte ze op. "Ik had nooit gedacht dat een moordaanslag zoo nuttig kon zijn, en ik zou in staat zijn de moordenaars vergiffenis te schenken."

"Dan zult Uwe Hoogheid daartoe de gelegenheid hebben," antwoordde Zabern, "want de dader is in de kamer hiernaast."

Hij stampte driemaal met den voet op den grond. Een deur ging open, en Katina Ludovska kwam binnen met haar zuster Juliska. Ze gingen eenigszins beschroomd op de Prinses toe en knielden voor deze neer, totdat zij verzocht werden op te staan. Zij waren beiden geen vreemden voor Elizabeth, die haar dikwijls in de schermzaal had zien oefenen. Voor de verwonderde Prinses begreep wat dit te beteekenen had, zei Zabern, op Katina wijzend:

"Deze man met den rooden baard vraagt Uwe Hoogheid vergiffenis, dat zij zonder toestemming op U geschoten heeft."

"Verklaar dat nader," zei de Prinses, hoog, en met een blik die zelfs de onvervaarde Katina deed terugdeinzen.

"Zij handelde," vervolgde Zabern kalm, "op bevel van den Maarschalk Zabern. Het was noodig, dat Uw populariteit, Prinses, vandaag sterker dan ooit werd gevoeld, als voorbereiding tot Uw optreden in de Kamer zooals ik dat hedennamiddag met U vaststelde. Daarom besloot ik dat er een moordaanslag op U geschieden zou. En met scherpe patronen, die U slechts een haarbreedte zouden missen. Aan den doffen knal van een losse patroon zou men de list hebben herkend."

"Maar Maarschalk," riep de Prinses, nog half verontwaardigd, "dat was een zeer gevaarlijk spel!"

"Niet in 't minst," antwoordde Zabern. "Ik wist dat Katina Ludovska, de beste schutter van ons land, den kogel leiden zou waarheen ze wilde."

"Maar dat neemt niet weg," zei de Prinses, ontsteld over zulk een roekeloosheid, "dat het een gevaarlijke proef was. In zulke dingen heeft toch zelfs de beste schutter zich nooit geoefend!"

"Het spijt mij, Hoogheid, dat U voor de eerste maal Uw vertrouwen in mij blijkt te missen," zei Zabern, nog steeds onverstoord. "Katina had zich onder mijn leiding herhaaldelijk in dit schot geoefend. Haar zuster Juliska reed haar in de troïka voorbij, en zes achtereenvolgende malen schoot Katina haar op tien pas een kogel door de veeren van haar hoed, en een tweede langs haar slapen. Wanneer ik in aanmerking neem, dat Uwe Hoogheid het geheel aan mij had overgelaten, den val der kloosterwet te bewerken, en dat noch U, noch ik eenig ander middel wisten te vinden--dan meen ik mij als volkomen verantwoord te mogen beschouwen."

Bij de herinnering aan den schrik van dien morgen, was Elizabeth's eerste gewaarwording van verbazing in toorn overgegaan; maar bij de gedachte dat welbeschouwd alles ten beste gekeerd was, keerde haar kalmte en de vriendelijke uitdrukking op haar gelaat terug.

"Ge speelde een even roekeloos spel met uw levens als met het mijne," zei ze tot Katina en haar zuster. "Wanneer de huzaren u geraakt hadden?"

"Nikita was in het complot, Hoogheid," zei Zabern. "Hij had hun patronen uitgereikt, die ik voor deze gelegenheid had doen vervaardigen, en waarvan de kogel na het schot versplintert. Maar ik beken, dat ik lust had uw Secretaris een sabelhouw te geven toen ik hem zijn revolver zag aanleggen. Gelukkig struikelde hij juist."

"Ik dacht weinig dat ik op Katina aanlegde," glimlachte Felix, "en ik ben dankbaar dat ze niet terugschoot. Dus Nikita was in het complot? En hij beweerde in een van de twee Russakoff te herkennen?"

"Maar u zag hem niet lachen achter uw rug!"

"En die roode muts..."

"Was opzettelijk op den verkeerden weg geworpen."

"En die aanteekeningen op de Kolokol..."

"Waren van mijn hand."

Felix vroeg niet verder. Evenals Rob vervulde hem een gevoel van treurigheid bij de gedachte, dat door zulke middelen het land gered en de Vorstin hoog gehouden moesten worden. Waar de macht alleen gesteund en gevoed kon worden door list en geweld, daar was de grondslag, waarop die macht beruste, wrak en wankelbaar. Tijdelijk zou zulk een toestand kunnen behouden worden, maar op den duur beteekende hij bederf en ondergang. En opnieuw kwam den beiden vrienden een toekomst voor den geest, waarin dit alles niet meer noodig zou zijn.

Ook Elizabeth voelde de tragische grootheid van een man als Zabern.

"Maar Maarschalk," zei ze ernstig, "u hebt me in een scheeve positie gebracht, door mij tegenover de Kamer als het ontsnapte slachtoffer van een moordaanslag voor te stellen. Bovendien hebt u getracht Lipski in verband te brengen met een daad, waar hij geheel buiten stond. Is dat te verantwoorden?"

"Prinses," zei Zabern koel, "in gevallen als deze vraagt een staatsman niet naar verantwoording. _Het moest._ Ik had moreele bezwaren kunnen hebben--maar dan had ik U en Czernovië opgeofferd. Ik zal hem bewonderen, die een anderen uitweg wist aan te geven. Het oordeel over mijn daden laat ik aan de geschiedenis over."

Er was een pijnlijke stilte. Allen begrepen, dat het gemakkelijker was de daden van dezen man te beoordeelen, dan in zijn plaats te moeten handelen.

Na eenige oogenblikken vervolgde Zabern, nu op zijn oude, luchtige manier:

"Wanneer Lipski het niet voor deze maal verdiend heeft, dan heeft hij het voor een ander maal. Onlangs heb ik een leeg huis door mijn spionnen doen onderzoeken, dat aan dat van Lipski grenst. Zij braken eenige steenen uit den tusschenmuur die de kelders scheidt--ik verzeker u dat er onder Lipski's woning ruim tienduizend klein-kaliber geweren liggen. Dat is óok verborgen materiaal! Maar voor een verraderlijken en oneerlijken strijd. Reken er op, dat Russograd zich den 14en September daarmee wapenen zal."

"Den vooravond van mijn kroning!" riep Elizabeth met een verschrikte beweging.

"Juist. Ik weet door spionnen dat men een gewapenden opstand tegen dien datum voorbereidt. Maar ook ditmaal heb ik hoop op een goeden afloop. Mijn plan is al gemaakt. Op Lipski en zijn geweren houd ik het oog."

"Ik laat ook dit aan uw zorg over."

"En Uwe Hoogheid vergeeft die kleine aardigheid van den moordaanslag?"

Elizabeth stak den Maarschalk met een glimlach de hand toe.