Part 16
Maar deze antwoordde niet. Met een kreet van ontzetting zag Felix dat hij een diepe wond in de zijde had, waaruit straalsgewijze het bloed liep.
"O God!" riep Katina verschrikt, de paarden inhoudend, "men heeft hem vermoord!"
Ze hief zachtjes zijn hoofd op, en liet het in haar schoot rusten; intusschen trachtte Felix het bloed te stelpen.
Maar het was te laat.
"Het was Russakoff," stamelde de stervende. "Denk er aan, Felix, de Furiën--de Furiën--van...."
Hij voltooide dezen zonderlingen zin niet. Nog even bewoog hij de lippen, en zakte toen ineen--dood.
"Russakoff heeft z'n roebels verdiend," zei Katina somber.
De geheele gebeurtenis was zoo snel afgespeeld, dat het bijna onmogelijk was aan de werkelijkheid ervan te gelooven; maar het beweginglooze lichaam duidde daar maar al te zeer op. Een volle halve minuut staarde Felix hulpeloos op zijn ongelukkigen broeder. Schrik--verbazing--smart--die allen deden hem verstomd en radeloos staan; toen wekten die gevoelens voor een oogenblik een wilde begeerte naar wraak in hem op.
"Ik zal den moordenaar vinden," zei hij, uit de troïka springend. "Ik zal hem op de plaats neerslaan, al zou het mijn dood zijn."
Maar enkele woorden van Katina brachten hem tot bezinning. Ze greep hem bij de pols en zei:
"Wie zou er gebaat zijn met uw dood? Ge zult niet gaan. Laat den moordenaar aan Zabern over, die zal hem weten te vinden. De hemel zij gedankt, daar is de Maarschalk!"
Werkelijk hoorde men het getrappel van hoeven, en in de richting van het geluid ziend, bespeurde Felix een troep lanciers met Zabern aan het hoofd.
Toen de Maarschalk de troïka ontwaarde, hield hij zijn paard in, en zei:
"Hoe hebt ge 't in 's hemels naam gewaagd op een avond als dezen door Russograd te rijden?"
Toen zag hij het beweginglooze lichaam in de troïka liggen, en met een kreet van schrik sprong hij van zijn paard.
"Van Stralen dood! Mijn God, dat is verschrikkelijk! Van Stralen--dien ik onder de banier van de Prinses hoopte te zien strijden! Dood! En terwijl hij op het punt stond het cijferbericht op te lossen!"
"Ja, het is verschrikkelijk," zei Felix. "Maar het is nu geen tijd voor woorden. De moordenaar is onder gindsche menigte, en zijn naam is Ivan Russakoff."
De naam van den spion werkte als een tooverspreuk op Zabern. Hij gaf eenige orders, en eenige oogenblikken later werd de samengeschoolde menigte door tien ulanen met gevelde lansen verspreid; hun doel was de Troitzka Poort te bezetten en zoo den moordenaar het ontsnappen te beletten. Zoo snel mogelijk werden ook ten opzichte der andere poorten dergelijke maatregelen genomen, en de geheele Russische wijk werd vervolgens behendig binnen een cordon ulanen getrokken. Nieuwe detachementen en een sterke politiemacht rukten op Zabern's bevel aan.
De Maarschalk zag wel in dat het niet gemakkelijk zou vallen de bewoners van de vreemdelingenwijk tot het uitleveren van den spion te bewegen, wiens moord op een gouvernements-beambte hem recht gaf op hun sympathie. Iedereen zou er trotsch op zijn hem een schuilplaats te verstrekken. Daarom kon Zabern er niet mee volstaan halve maatregelen te nemen, maar zou Russograd er eenige uren moeten uitzien alsof de staat van beleg was afgekondigd.
"Denk er aan, Russakoff moet levend gegrepen worden; zijn dood kan me van geen enkel nut zijn," zei Zabern. "Maar aarzel overigens niet geweld te bezigen wanneer er weerstand geboden wordt. Nikita, stijg af, en help het lijk van den Secretaris vervoeren. Meneer Van Heelstra, het zou me zeer aangenaam zijn als u en uw reisgenoot me naar het Paleis wilden vergezellen."
Zabern's uitgebreide voorzorgen mochten niet baten.
Ofschoon alle straten van Russograd werden doorkruist, elk verdacht persoon ondervraagd, ofschoon de politie alle gebouwen onderzocht, en de Maarschalk onmiddellijk een instructie deed openen, die den geheelen nacht voortduurde, en door welker leider een groot aantal getuigen werden gehoord, kwam men niet tot een resultaat.
Daar de spion na het nemen der militaire maatregelen niet ontsnapt kon zijn, deed Zabern het onderzoek met ijver voortzetten. 's Morgens om zeven uur ontbood hij Nariskin, het politiehoofd in Russograd, en deelde hem mede, dat hij het uit vreemdelingen samengesteld corps politiebeambten, dat in die wijk dienst deed, zou ontbinden, en voortaan de vreemdelingenwijk onder het directe toezicht van Slavowitzsche politie zou stellen. Wanneer Nariskin dergelijke wandaden als die van den vorigen avond niet voorkomen kon, dan moest het met de voorrechten van Russograd maar gedaan zijn. Tevens overhandigde de Minister hem een afschrift van een besluit, waarbij bekend werd gemaakt, dat de vreemdelingenwijk onder militaire bewaking zou blijven totdat de moordenaar was uitgeleverd.
Tot Felix zei hij:
"Ik vrees dat dit alles niet veel helpen zal. De heele bevolking van Russograd doet natuurlijk alles om den spion te verbergen."
In het Paleis, in een der vertrekken die Paul het laatst bewoond had, lag het lijk van den armen, zoo ongelukkig omgekomen Secretaris. Met sombere gezichten stonden Zabern en Felix naast den doode, beiden vervuld van hun zoo uiteenloopende en toch in veel opzichten overeenstemmende gedachten. Felix sprak de zijne niet uit. Hij wist, dat hij het groote doel, dat hem steeds voor oogen zweefde, niet zonder opofferingen zou kunnen bereiken; maar dat hier nu, als eerste slachtoffer der hem vijandige machten, het ontzielde lichaam lag van zijn eerst kortelings teruggevonden broeder, greep hem meer aan dan hij Zabern blijken liet.
"Een droevig lot!" mompelde Zabern, wiens ietwat ruw en onaandoenlijk gemoed toch ontroerd werd door Paul's ontijdig en tragisch einde. "En ten deele ben ik daar de oorzaak van."
"Hoe zoo?"
"Het cijferbericht dat ik hem toevertrouwde was de oorzaak van zijn dood."
"Ge meent, dat hij vermoord werd om te verhinderen dat hij het ontcijferen zou?"
"Juist. De Hertog deinst voor niets terug om zijn verraad te verbergen."
"Welk bewijs hebt u voor zijn medeplichtigheid?"
"Bewijzen--geen. Maar ernstige vermoedens genoeg. Gisteren morgen vernam de Hertog de gevangenneming van Russakoff, en dat Van Stralen bezig was het cijferbericht te ontraadselen. Het was niet bepaald mijn doel, dat hij dit vernemen zou; Graaf Radzivil, die wel eens wat gemakkelijk aan 't praten te brengen is, vertelde het hem. Nu, 't doet er betrekkelijk weinig toe; bovendien hecht ik niet veel aan geheimzinnigheid. Mijn ondervinding heeft me geleerd, dat men zelfs in de gewichtigste politieke kwesties de grootste openhartigheid kan gebruiken. Geheimhouding leidt tot niets, wekt achterdocht. Niets brengt zoo zeer op een dwaalspoor als eerlijkheid.
"Maar ter zake. Radzivil meende te merken, dat de Hertog lang niet op z'n gemak was toen hij van de arrestatie hoorde. Eigenaardig is 't dat daarna de Hertog een inspectie-bezoek bracht aan de Citadel, in z'n kwaliteit als Leger-Commandant natuurlijk. En nog eigenaardiger is, dat twee uur later Russakoff's cel ledig gevonden werd. Hoe? Groot is de macht van den roebel!"
"Als de Hertog die macht nu ook maar niet te baat neemt!"
"Ik heb zorg gedragen, dat zijn bewaking aan vertrouwde personen is overgelaten. Maar om op den cijferbrief terug te komen. Die is nog steeds een geheim. En Van Stralen was juist den sleutel op het spoor! Sprak hij daar niet over onderweg? Gaf hij u geen enkele aanwijzing?"
"Niets."
"De inhoud van dien brief," zei Zabern, "zou ons de gelegenheid geven Rusland's geheime plannen te ontmaskeren, maar helaas! waar zullen we den uitlegger vinden!"
De beide mannen hadden onder deze woorden het vertrek verlaten en begaven zich in Zabern's studeerkamer. De zeer ruime en practische inrichting van het Paleis liet namelijk toe, dat een vleugel geheel aangewezen was voor vergaderzalen, bureau's voor elk der Ministers, archieven, bibliotheken enz.
Op de gang kwam Rob hen tegemoet, die evenals zij en Katina alles gedaan had om de zaak tot klaarheid te brengen. Katina was ten slotte bij kennissen eenige rust gaan zoeken, en Rob was juist van plan Felix voor te stellen naar het hotel te gaan, daar hij doodmoe was.
Zabern, de man van ijzer en staal, glimlachte even toen hij het vermoeide gezicht van den jongen Hollander zag. Maar hij zei dadelijk:
"De heeren zullen naar rust verlangen. Ik heb een kamer met twee bedden doen inrichten naast mijn studeervertrek. U zult me een genoegen doen daarvan gebruik te maken."
Felix en Rob namen het aanbod dankbaar aan; de weg naar het hotel was lang, en ze zouden zeker nergens zoo rustig slapen als hier. Bovendien zag Felix in de tegemoetkomingen van Zabern een poging om hem en Rob aan zich te verbinden, waartegen hij niets geen bezwaar had. Integendeel, door zich den Maarschalk tot vriend te maken, hoopte hij zijn doel des te sneller te bereiken.
"Goedennacht, heeren," zei Zabern, en voegde er glimlachend aan toe: "droom niet van het cijferschrift!"
"Naar aanleiding van dat cijferschrift wilde ik u graag iets vragen, Excellentie," zei Rob op eens.
Felix keek hem verbaasd aan.
"En dat is?" vroeg Zabern.
"Ik bedacht me zooeven, dat we misschien te weinig waarde hechtten aan de laatste woorden van den Secretaris...."
"Wat waren die dan?"
"Denk er aan," zei hij, "het zijn de Furiën!"
"De Furiën?" vroeg Zabern verwonderd, "wat kan hij daarmee bedoeld hebben?"
"Ik voor mij heb er niet anders in gezien dan onsamenhangende woorden, die hij zonder bewustzijn uitsprak, misschien verward door pijn en doodsangst," zei Felix.
"Het is mogelijk," vervolgde Rob, "maar ik heb zoo'n voorgevoel, dat die woorden niet alleen een bepaalde bedoeling hadden, maar zelfs in verband stonden met het cijferschrift."
Zabern en Felix zagen hem ongeloovig aan, tegelijkertijd toch in hun wanhopen aan de oplossing Rob's vermoeden aangrijpend als den stroohalm, waarnaar de verdrinkende grijpt.
"En wat meer is," zei Rob, "ik meen zelfs met behulp van die woorden den sleutel op het spoor te zijn."
"Is het mogelijk!" riep Zabern verrast.
"Zoudt Uwe Excellentie mij het document, of een afschrift ervan, gedurende enkele uren willen afstaan?"
Zabern's gelaat drukte aarzeling uit. Zou het voorzichtig zijn, zulke belangrijke staatsgeheimen in handen te geven van iemand, dien hij eerst sedert enkele uren kende?
Rob begreep zijn aarzelen.
"Sluit me desgewenscht onder bewaking op, Excellentie. Bovendien wil ik u elke verklaring afleggen, die ge ten opzichte van mijn vertrouwbaarheid verlangt."
Maar Zabern's bezwaren waren reeds verdwenen.
"Ge zult den brief hebben," zei hij. "'t Is waar, ik bezit alle middelen om mij tegen verraad uwerzijds te waarborgen. Vergeef me dat ik zoo spreek; het belang van den Staat gaat vóor alles, ik behoor daaraan desnoods iedereen, zelfs u, die ik in dezen korten tijd reeds leerde waardeeren, op te offeren. Maar weest verstandig, gaat nu beiden eenige uren slapen, en begeef u dan met frisschen moed aan het werk."
De beide vrienden namen dezen raad. ter harte, en zochten de voor hen bestemde kamer op.
Toch konden ze den slaap niet dadelijk vatten. Nog eenigen tijd bespraken ze de gebeurtenissen van dien dag, herdachten weemoedig den dood van Paul, en verwonderden zich over de merkwaardig openhartige politiek van Zabern, die toch zoo zeker van zijn daden en woorden scheen te zijn.
"Dat is een merkwaardig man," zei Felix. "Hij kan ons tot een machtig vriend en helper worden, maar reken er op, dat hij ons ook zou weten te treffen, wanneer we verraders bleken te zijn."
Hij zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen:
"Alles gaat goed. Beter dan je misschien denkt, Rob. Al deze verwarde avonturen zullen ons ten slotte tot ons doel brengen; ik zie den weg reeds duidelijk voor me afgebakend liggen."
Ze hadden zich intusschen ontkleed, en stapten in bed.
Na een oogenblik vroeg Felix:
"Waarin ligt nu de beteekenis van Paul's laatste woorden? Je hebt me vreeselijk nieuwsgierig gemaakt."
Maar Rob antwoordde niet. Hij was, door vermoeienis overmand, in een vasten slaap gevallen.
"Verwonderlijk," dacht Felix, terwijl hij ook langzamerhand zijn bewustzijn voelde wegvloeien. "Wie had gedacht, dat ik nu reeds onder éen dak met Elizabeth zou zijn! En louter door een toeval!"
Toen sliep hij in.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
FELIX EN ELIZABETH.
Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot Secretaris benoemd.--
Na eenige uren rust genoten te hebben, stond Felix op, van plan om naar het hotel terug te gaan en met Rob nader het cijferschrift te bekijken. Juist toen hij echter Rob wekken wilde, werd er aan de deur geklopt, en werd hem bericht, dat de Prinses, vernomen hebbende, dat de vreemdeling die bij den dood van haar Secretaris aanwezig was, zich in het Paleis bevond, hem in een particuliere audiëntie wenschte te ontvangen.
Felix begreep, dat deze audiëntie geen zeer officiëel karakter zou behouden, en hij voelde een diepe ontroering bij de gedachte dat hij binnen enkele oogenblikken met Elizabeth alleen zou zijn. Hij hield zich tegenover den lakei echter goed, en maakte eenige bedenkingen wat betrof zijn toilet, vragend of er tijd was om zich in het hotel te gaan verkleeden. De lakei deelde hem evenwel mee, dat de Prinses, de omstandigheden begrijpend, genoegen zou nemen met de kleeding die de bezoeker op dit oogenblik aanhad.
Felix werd nu naar een vertrek geleid, waar een kamerheer hem opwachtte, die het noodig oordeelde hem in te lichten omtrent de etiquette, waaraan hij zich te houden had, namelijk dat hij behoorde te blijven staan zoo hij niet tot zitten werd uitgenoodigd; dat hij slechts de vragen te beantwoorden had die hem gedaan werden en overigens uit zichzelf geen opmerkingen mocht maken; dat hij eerst kon heengaan als de Prinses het teeken daarvoor gaf, en dat hij het vertrek achterwaarts behoorde te verlaten, met het gezicht naar de Prinses gericht.
Felix hoorde hem geduldig aan, en moest onwillekeurig glimlachen als hij dacht aan de wijze waarop hij deze voorschriften ten uitvoer zou brengen. Ook trof hem het eigenaardige verschil in zijn verhouding tot Elizabeth, als hij den tegenwoordigen toestand vergeleek bij dien van enkele jaren geleden: toen waren ze beiden zorgelooze kinderen, die elkaar liefhadden, en dacht hij slechts vaag aan de mogelijkheid dat hij eenmaal zijn vader in diens hooge betrekking zou kunnen opvolgen; nu was hij een zwervend avonturier--zij Prinses van Czernovië, geroepen om over enkele jaren een koningstroon te bestijgen! En wie zou zeggen, welke wonderbaarlijke veranderingen de toekomst nog voor hen verborgen hield?
Toen Felix het Witte Salon binnentrad, zag hij Elizabeth aan een schrijftafel zitten, met een potlood aanteekeningen makend op een stapel voor haar liggende papieren. Ze had een ivoorkleurige satijnen japon aan met een overkleed van witte tulle, dat schitterde van zilveren borduursels. Klaarblijkelijk was ze in een zenuwachtigen toestand. Het potlood beefde in haar vingers. Ze keek niet naar Felix, maar hield de oogen op de papieren voor haar gericht.
Nauwelijks was de kamerheer verdwenen, of ze stond op en snelde op Felix toe. Hij breidde de armen uit en sloot haar aan zijn borst. Eindelijk hadden ze elkaar dan wedergevonden!
Toen de eerste vreugde van het wederzien voorbij was, zei Elizabeth:
"Ga daar zitten. En laten we voorzichtig zijn. In dit Paleis hebben de muren ooren. Vertel me nu: hoe kom je hier? waar heb je dien tijd van onze scheiding doorgebracht?"
Felix deed nu het geheele verhaal. Hoe hij met De Vogel had rondgezworven, de inrichting van het luchtschip in dien tijd steeds verbeterend, en het juiste tijdstip afwachtend om in Czernovië zijn slag te slaan; hoe hij Rob had leeren kennen, en hoe deze zich aan hem had gehecht; hoe De Vogel was verongelukt en hij een oogenblik gevreesd had alle hoop te moeten opgeven; hoe het geluk hem echter gediend had en hij den weg meende gevonden te hebben die naar het doel kon leiden. Kortom, Felix bracht Elizabeth geheel op de hoogte, verhaalde ook dat zijn overige lotgenooten in Turksche gevangenschap verkeerden, maar dat het voor 't oogenblik verstandig leek geen pogingen tot hun bevrijding in 't werk te stellen, hoe hard hun lot ook was. Voorloopig was het beter dat men hen allen, vurige vaderlanders, voor dood bleef houden; nu zij hun sterkste wapen, De Vogel, verloren hadden, was hun kracht meer in een voorzichtig en bedekt optreden te vinden.
Elizabeth bracht hem, voor zooveel noodig, op de hoogte van den politieken toestand. Die was ongetwijfeld zeer moeielijk. Het aantal vreemdelingen in Czernovië vormde verreweg de minderheid en voor ernstige binnenlandsche onlusten behoefde geen vrees te bestaan. De betrekkingen tot het buitenland, vooral die tot Rusland, waren echter zeer gespannen. De Czaar wenschte beslist, dat Elizabeth den Hertog van Bora zou huwen; hij had geduld, hij kon wachten, wilde zelfs niets liever dan den schijn bewaren dat Elizabeth uit zichzelf tot dit huwelijk had besloten--maar zoo Elizabeth den toestand al slepende trachtte te houden, rekenend op Rusland's geduld, begreep ze toch dat dit spel hoogstens een jaar te spelen zou zijn. Dan zou de Czaar niet aarzelen door dwang te verkrijgen, wat men hem goedschiks niet geven wilde. En in deze moeielijke omstandigheden had ze een Kabinet naast zich, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld, waarvan ze slechts enkele leden geheel durfde vertrouwen. Op Zabern was al haar hoop gebouwd. Wel werd deze door andere beweegredenen geleid dan zij, maar zijn aanhankelijkheid was onverdacht. En eigenlijk was met Zabern de eenige Minister genoemd, op wiens politiek, zoowel tegenover binnen- als buitenland, zij geheel vertrouwen durfde; Radzivil, de Premier, hoewel ongetwijfeld de Prinses zeer toegedaan, was geen krachtige figuur, meer hoveling dan staatsman; Ravenski, te laf om verraad in het groot te plegen, werd zoozeer door zijn eigen belangen en begeerten gedreven, dat hij nooit iets voor anderen zou kunnen beteekenen; de Hertog--nu, diens Russische gezindheid was onverdacht; en wat de overigen aangaat--meerendeels twijfelaars, mannen wier Ministerschap hun ijdelheid bevredigde, en die niet graag openlijk partij kozen in een zaak die hun gevaarlijk kon worden. Ten slotte vertelde Elizabeth nog van de onvoorzichtigheid die ze eens begaan had, aan Paul te vertellen hoe ze altijd hoopte een middel te vinden om haar huwelijk met Bora te verijdelen, en op welke wijze Ravenski van die bekentenis misbruik had weten te maken. Hij was dus de eenige die haar geheim kende, want--al steunden ook Radzivil en Zabern haar plannen, geheel uitgesproken had ze die tegenover hen nooit. In zoover kwamen nu echter Felix, Zabern en zij zelf overeen, dat de Hertog op de een of andere, mits wettige, wijze op zij geruimd moest worden; daarin lag althans een middel om de onderhandelingen met Rusland langer slepende te houden. En de omstandigheden hadden een begin van uitvoering aan dit plan gegeven, al waren op het oogenblik de gevolgen die er uit zouden voortkomen, nog niet geheel te overzien.
"Voor jou te kunnen leven en voor mijn volk!" zei Elizabeth, "ziedaar de illusie die ik verwezenlijkt hoop te zien!"
Toen kwam het gesprek op Paul en zijn treurigen dood.
"Een verschrikkelijke gebeurtenis is dat," zei Elizabeth bewogen. "Je was getuige van den moord, vertel me alles er van!"
Felix deed het geheele verhaal, dat, op zichzelf reeds droevig, nog pijnlijker voor Elizabeth werd door de gedachte, dat het ongeval zoo spoedig nadat zij hem als secretaris ontsloeg, plaats gegrepen had. De ontroerde uitdrukking van zijn gelaat, waarmee hij haar beslissing had vernomen, zou nooit uit haar herinnering gaan. Ze gevoelde het verlies diep, te meer daar hij niet alleen haar trouwe helper, maar ook haar trouwe vriend was geweest; en langen tijd zat ze met Felix over hem te spreken, over zijn aanhankelijkheid en zijn uitstekende diensten.
"Ik zal een nieuwen Secretaris moeten benoemen," zei ze. "Felix--jij moet zijn plaats innemen. Wil je dat?"
Geen betrekking kon hem meer aanlokken dan die; hij zou er door in dagelijksch gezelschap van Elizabeth zijn. Maar hij voelde toch ook de bezwaren ervan.
"Zal die benoeming geen aanstoot geven?"
"Waarschijnlijk wel; aan sommigen ten minste. Maar ik kan daarmee geen rekening houden. Het Czernovische deel der bevolking keurt al wat ik doe onvoorwaardelijk goed; de Russischgezinden zullen natuurlijk de noodige tegenwerpingen maken. Maar wat hindert dat!"
"Men zal 't verdacht vinden, dat je mij kiest, een vreemdeling, dien je gisteren voor het eerst zag."
"Het ambt van Particulier Secretaris is geen officieele betrekking; de keuze van den persoon is geheel aan mij. Het kan heeten dat ik, juist om beide partijen tevreden te stellen, een vreemdeling kies, en dat jij daartoe in aanmerking kwam omdat je getoond hebt, mijn belangen te behartigen."
Felix voelde zich nog niet geheel gerustgesteld, maar hij zag toch te veel voordeel in het plan om er niet op in te gaan.
"Welnu, Hoogheid," zei hij schertsend, "ik neem de benoeming aan!"
"Dat is goed! Je zult zien, dat het minder verbazing zal wekken dan je denkt. Men is hier aan vreemde dingen gewoon, en men weet bovendien dat ik doorgaans doe wat ik zelf wil. En nu moeten we onze maskers weer opzetten en onze rol behoorlijk spelen, want ik zal den Maarschalk Zabern doen roepen, opdat hij mijn besluit verneemt."
Elizabeth gaf orders den Maarschalk te doen ontbieden, en deze liet zich spoedig daarna aandienen.
Toen hij binnentrad, zag hij Felix scherp aan, als verwachtte hij op diens gelaat iets te zullen lezen omtrent den aard van zijn langdurig onderhoud met de Prinses. Maar Felix was, als hij wilde, even ondoordringbaar als Zabern zelf, en zijn gezicht verraadde niets.
"Welk nieuws is er omtrent Russakoff?" vroeg de Prinses.
"Het spijt mij, Hoogheid, te moeten melden dat de spion nog niet teruggevonden is."
"Het zal hem blijken, dat hij niet veel gewonnen heeft door een man, die mij trouw was, te dooden om zijn Hollandsche afkomst. Want ik heb hem vervangen door een anderen Hollander, die nu reeds getoond heeft mij even trouw te zullen zijn. Maarschalk--mijn nieuwe Secretaris."
Zabern boog.
"Het kabinet zal zeker met die benoeming ingenomen zijn," antwoordde hij.
"Het is een aangelegenheid, Maarschalk," antwoordde Elizabeth hoog, "die buiten de waardeering van het Kabinet valt."
Zabern ging op een ander onderwerp over.
"Hoogheid, de Hertog van Bora verzoekt U een vraag te mogen stellen."
"En die is?"
"Zijne Genade zou gaarne weten hoe lang zijn gevangenschap duren zal."
"In elk geval totdat deze striem van het gelaat van mijn Secretaris verdwenen is. Overigens verzoek ik u de zaak voor het Hooggerechtshof aanhangig te maken, geheel volgens de daarvoor gestelde regelen. Wil ook dit den Hertog mededeelen."
"Het zal mij een genoegen zijn, Hoogheid," antwoordde Zabern ironisch, "den Hertog Uw beslissing over te brengen."
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN STAALTJE VAN SCHERMKUNST.
De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!--
Toen Zabern en Felix, die gezamenlijk het Paleis hadden verlaten, het park doorstaken, kwamen hen twee heeren, waarvan een in uniform, tegemoet, aan wie Felix door Zabern werd voorgesteld.
De jongere van de twee, die blond haar had, blauwe oogen, en een gezicht dat op een doorloopend goed humeur scheen te wijzen, was Dorislas, de Minister van Financiën. De ander, die er 'n beetje knorrig uitzag, was Miroslav, de Commandant van de Citadel, en, zooals Zabern er bijvoegde, "op het oogenblik de bewaker van den Hertog."
"Ja--de Hertog!" zei Dorislas tot den Commandant. "Ik verwonder me erover, dat ge de citadel nog niet tegen geweld te verdedigen gehad hebt. Zullen onze vrienden in Russograd niet in verzet komen?"
"De citadel heeft dikke muren," antwoordde de Commandant alleen.