Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan
Chapter 9
Li: "Dat is verschrikkelijk. En wat denkt u dat ze met ons zullen doen?"
De tolk: "Opeten, zonder twijfel. Elke blanke die in hun handen valt, wordt levend geroosterd en daarna opgegeten."
Li: "Een prettig vooruitzicht. Komen er hier veel blanken?"
De tolk: "Tamelijk veel. Ze gaan hier dikwijls op de leeuwenjacht, en vermoeden dan niet dat zich in deze eertijds onbewoonde streken kannibalen ophouden. De Ligo-Ambura zijn een stam, die zich van de hunnen hebben afgescheiden. Uit Midden-Afrika gekomen, hebben ze ze zich hier in die holen, een oude stroombedding, gevestigd."
Li: "Denkt ge, dat er kans is te ontsnappen?"
De tolk: "Zeer weinig, anders hadden wij het al gedaan."
Hiermee eindigde het gesprek, want het opperhoofd gaf het bevel de gevangenen weg te brengen.
Zij werden nu in een andere "zaal" gebracht, grenzende aan deze, en werden daar den geheelen dag gelaten.
Tegen den avond bracht men hun eenig voedsel, hoofdzakelijk bestaand uit wat taai, oneetbaar leeuwenvleesch, en daarna liet men hen weer aan hun lot over.
Toen ze alleen waren werd er raad gehouden. Li stelde voor zich van de pistolen meester te maken, maar de omstandigheid dat de stam verscheidene honderden leden telde, deed hen van een algemeenen aanval, waarbij zij toch wel het onderspit zouden delven, afzien.
Het was een wanhopige toestand.
De groote kans, dat zij morgen levend gebraden en opgegeten, zouden worden, stemde hen geen van allen vroolijk, maar ze bleven toch nog geruimen tijd over middelen ter ontsnapping nadenken, nu evenals altijd den moed niet verliezend.
Tegen tien uur 's avonds werd een zwaar rotsblok, dat den ingang afsloot, opzij geschoven; twee negers kwamen binnen, en de deur, of liever gezegd het rotsblok, ging weer dicht. Zoodra de opening gesloten was, kwam een der negers, dien men herkende als hem, die dien middag de voorstelling had gegeven, met uitgestrekte handen op hen toe, en zei in het Hollandsch:
"Hoe heerlijk, dat ik landgenooten tref! Maar hoe treurig, dat u lotgenooten moet zijn!"
Hij stelde zich nu voor als de bekende ontdekkingsreiziger Willem Korling, en vertelde dat hij, evenals zijn knecht, gedwongen was geworden een negercostuum aan te trekken en zich zwart te verven, opdat zij de negers door hun Europeesche kleeding en hun blanke kleur niet voortdurend zouden ergeren.
"Korling!" zei La, "dus ik heb goed geraden!"
"Wist u dan, dat ik hier was?"
"Neen. Maar ik vond op weg hierheen dit doosje lucifers, dezen knoop, en dit papiertje met uw voorletters"--de professor herkende die inderdaad als van hem afkomstig--"en daar ik wist dat u in Nederland al sedert een jaar als gestorven betreurd wordt, omgekomen op de kust van Tripolis, vermoedde ik dadelijk dat ik uw spoor gevonden had. Het is mij een groote vreugde dat u nog leeft, maar ik vind het verschrikkelijk u onder deze omstandigheden te moeten aantreffen."
La had de avonturen van den ontdekkingsreiziger--den Hollandschen natuurkundige en Afrika-kenner Korling, tevens professor in de oude talen--in de nieuwsbladen gelezen, en ook Rob herinnerde zich nu zeer goed daarvan gehoord te hebben. Na eenige zeer geslaagde ontdekkingsreizen te hebben ondernomen, onder meer naar de bronnen van den Nijl, was Korling bij zijn laatsten tocht met zijn schip door hevige stormen op de kust van Tripolis geworpen; alle opvarenden waren omgekomen, behalve hijzelf en zijn bediende, die in handen der Ligo-Ambura waren gevallen. In Nederland wist men niet beter of de beminde en beroemde man was een afgrijselijken dood gestorven.
"Men was reeds bezig," vertelde Korling, "het vuur te stoken waarboven wij gebraden zouden worden, toen ik op de gedachte kwam door enkele kleine goochelkunstjes, waarmee ik mijn kinderen wel bezig hield, de aandacht af te leiden. Die poging gelukte boven verwachting. Ik tooverde een armring van het opperhoofd weg, en bracht die uit den neus van zijn vrouw weer te voorschijn; ook vertoonde ik eenige toeren met lucifers en geldstukken. Het succes was verbazend. Het opperhoofd benoemde mij tot zijn hofkunstenaar, en sedert dien tijd ben ik bijna onafgebroken bezig met sensationeele voorstellingen te geven. Het is wel droevig," zei hij met een zucht en een glimlach, "te moeten bedenken dat ik, professor en ontdekkingsreiziger, mijn leven moet rekken door als kermisgoochelaar op te treden. Maar wat doet men al niet om te verhinderen dat men opgegeten wordt? Dat zou toch al een heel onwaardig einde zijn!"
De professor vertelde nu ook nog, dat zijn natuurkundige kennis hem in staat had gesteld met allerlei eenvoudige, zelfs gebrekkige hulpmiddelen, proeven te vertoonen, waarvoor deze wilde menschen het grootste respect toonden.
"U zult niet willen gelooven," zei hij lachend, "dat ik hier de zegeningen der modernste beschaving heb binnengeleid. Zoo heb ik bijvoorbeeld electrisch licht weten te verkrijgen en zelfs een telefoon aangelegd, waarmee het opperhoofd me soms een heelen dag opschelt en ellenlange gesprekken met me houdt; want ik heb natuurlijk in dat jaar gelegenheid genoeg gehad om de taal der Ligo-Ambura grondig te leeren. De kunst die ik van middag vertoonde, kent men in Europa onder den naam van "De gevangene van Zenda." Ze is heel merkwaardig, vindt u niet?"
Het was eigenaardig, zooals deze man over zijn goocheltoeren sprak, en 't leek wel of hij er plezier in had en niets liever wilde dan hier zijn leven als "hofkunstenaar" te slijten. Maar men moet bedenken, dat hij zich met die toeren het leven had gered, en dus groote waarde er aan toekende, ja, er dag en nacht geheel van vervuld was.
"Hoe gaat die toer eigenlijk?" vroeg Rob nieuwsgierig.
"O, dat is heel eenvoudig," antwoordde Korling. "De oogjes, waarover het losse uiteinde van de om nek, enkels en polsen sluitende halve bogen past, kunnen door het wegnemen van een spie aan den achterkant worden losgemaakt uit den wand. De gevangene trekt ze dan eenvoudig met de halve bogen, de hangsloten en al naar zich toe, en--is vrij. De sloten hebben er dus eigenlijk niets mee te maken en kunnen zoo stevig zijn als men maar wil. De gevangene stapt door den achterwand, die om een spil in het midden draaien kan, uit het huisje, na de halve bogen weer met die spieën aan den achterwand bevestigd te hebben."
"Dat is zeker heel eenvoudig," zei Rob.
"Morgen zal ik u nog een veel mooieren toer laten zien," zei de professor. "Dan ga ik in een rechtopstaande doodkist staan, en verander voor uw oogen in een geraamte. Griezelig, hè? Maar toch is 't heel eenvoudig. 't Was indertijd in de Warmoesstraat in Amsterdam te zien."
"Ja!" riep Rob, in wien nu al de belangstelling en de nieuwsgierigheid van den schooljongen loskwam. "Dat herinner ik me heel goed. Maar ik begreep er toen niets van. Hoe doen ze dat?"
"Wel, dat gaat als volgt," zei de professor. "Recht voor den toeschouwer staat een open doodkist; daarin ga ik rechtop staan, schel verlicht door lampjes aan weerszijden. De doodkist staat achter op het tooneel; naar de toeschouwers toegaande, staan er rechts twee en links twee coulissen, zwart evenals de achtergrond, en het tooneel in gelijke deelen verdeelend. Tusschen twee van die coulissen, rechts of links naar verkiezing, maar verborgen voor den toeschouwer, staat precies zoo'n kist als de eerste, doch in richting loodrecht daarop. Deze bevat een geraamte--dat hier nog al gemakkelijk te krijgen is! Nu draait men de lichten naast de kist, waarin ik sta, langzaam uit, zoodat ik geheel in 't donker kom en onzichtbaar wordt. Tegelijkertijd worden de lichten van de andere kist langzaam opgedraaid en het spiegelbeeld daarvan wordt zichtbaar op een groote glazen plaat, die van de linker- (rechter-) voorste coulisse onder een hoek van vijfenveertig graden met den horizon, naar de rechter- (linker) achterste coulisse loopt. Dit beeld bedekt nu volkomen het intusschen verdwenen eerste beeld. Met andere woorden: men ziet mij langzamerhand in een geraamte veranderen. U begrijpt dat de negers daar verrukt van zullen zijn!"
Het verhaal intresseerde Rob zeer, die het heerlijk vond zoo in de geheimen van de kermis te worden ingewijd.
Maar Li vond het tijd worden den professor op andere gedachten te brengen.
"Ziet u geen kans om ons weg te tooveren, professor? Met andere woorden: een middel tot ontsnapping aan de hand te doen?"
Daar scheen de professor nog niet over gedacht te hebben. Hij was zoo gewoon geraakt aan zijn gevangenschap, en zoo overtuigd dat elke poging tot ontsnapping vruchteloos zou zijn, dat hij eigenlijk wat verbaasd van die vraag opkeek.
"Het zou misschien mogelijk zijn ons van de wapens meester te maken," zei de bediende van den professor. "We kunnen er wel niet veel mee uitrichten tegen overmacht, maar wanneer de voorstelling morgen veel succes heeft, hebben we kans dat de heele stam tegen den avond smoordronken ligt te slapen. Dan is er misschien iets uit te richten."
"Maar we kunnen toch niet over de Middellandsche Zee zwemmen?"
"Het middel om over de zee te komen zou ik u misschien kunnen verschaffen," zei Li.
"Wat!" riep de professor opspringend. "En hoe?"
"Dat moet u aan me overlaten," antwoordde Li. "Ik mag het u niet zeggen voorloopig."
Natuurlijk dacht Li aan De Vogel. Mu en de inmiddels teruggekeerde Nof zouden ongerust zijn over hun wegblijven, en trachten met De Vogel hun sporen te volgen. Li hoopte het luchtschip den volgenden dag te kunnen praaien. Voor zulke gevallen had men steeds een signaalfluitje, dat een zeer doordringend geluid gaf en waarmee men elkaar seinen kon geven.
Het werd tijd om te gaan rusten, ten einde op de gebeurtenissen van den volgenden dag voorbereid te zijn. Men kon niet veel anders doen dan op den naakten grond te gaan liggen, en zoo te ondervinden hoe de professor en zijn bediende tot nog toe den nacht in hun nu door zes lotgenooten gedeeld verblijf hadden doorgebracht.
Den volgenden morgen werd men vrij vroeg gewekt en voor het opperhoofd gebracht. Deze liet hen meedeelen, dat ze tegen den middag de eer zouden genieten door hemzelf, zijn vrouwen en hovelingen te worden opgegeten.
Toen deze mededeeling was gedaan, hield de professor een lange toespraak tot het opperhoofd.
Hij vertelde hem, dat hij verkeerd zou doen met de vreemdelingen zoo spoedig dat groote gunstbewijs te schenken, daar zij bizondere eigenschappen bezaten, waardoor hun gebeente ook na den dood de macht bleef houden om te leven en te bewegen.
Dat vond het opperhoofd uiterst merkwaardig.
Hij had al heel wat blanken opgegeten, maar nooit had hij in de overgebleven botjes nog eenig leven bespeurd. Ook het gebeente van de gestorven negers was steeds zoo dood gebleven als het was.
"Maar als zij na hun dood blijven leven," merkte het opperhoofd op, "dan is het ook niet onaangenaam voor hen doodgemaakt te worden, niet waar?"
"Dat is zoo," zei de professor.
"Welnu, dan zullen we ze maar zoo gauw mogelijk opeten," zei het opperhoofd met echte neger-logica, "des te eer kunnen we ons van de waarheid uwer woorden overtuigen."
Korling vond, dat het gesprek een onverwachte en onaangename wending nam, en merkte daarom haastig op:
"Daartegen is echter een bezwaar. Het geraamte moet bepaald in zijn geheel blijven. Gaat er een beentje verloren, dan mislukt de proef."
"Dan zullen we zorg dragen ze heel voorzichtig af te kluiven, zoodat ze ongeschonden blijven," zei het opperhoofd, niet uit het veld geslagen.
"Dat heeft toch bezwaren bij het eten," opperde Korling. "het is niet gemakkelijk zoo'n heel lichaam te hanteeren."
Daarvoor voelde de neger blijkbaar wel wat, en zoo verkreeg de professor ten slotte de toezegging, dat de blanken nog tot morgen van het braadspit bevrijd zouden worden.
In den middag begon de voorstelling.
De professor had de armen en beenen van het skelet door middel van touwtjes beweegbaar gemaakt, en zoo gelukte het hem, niet alleen opvolgend de zes gevangenen in geraamten te veranderen, maar hen in dien toestand nog de vroolijkste sprongen te doen maken, zoodat de toeschouwers inderdaad wel veronderstellen moesten dat doodgaan voor hen een allerplezierigste ondervinding was.
De voorstelling had een uitbundig succes.
Telkens en telkens moest de professor zijn kunststuk weer vertoonen, en toen men eindelijk verzadigd was, ruimde Korling met behulp van zijn bediende snel het tooneel op, opdat men er niet achter zou komen welken poets hij ze gespeeld had.
Er volgde nu een vroolijk feest, als gewoonlijk na zulke gelukte voorstellingen. De professor verrichtte nog een aantal eenvoudige goocheltoeren, en ten slotte bereikte de feeststemming zulk een hoogte, dat bijna alle negers verregaand dronken waren. De gevangenen moedigden hen in 't drinken aan, en toen eindelijk de waggelende wachter hen in hun slaapvertrek had opgesloten, kon men het snurken der dronken in den dut gevallen feestvierders in de gewelven met een zware echo hooren weerschallen.
Toen alles rustig was, gaf de bediende van den professor het teeken tot opstaan.
"Er is een doorgang naar de nevenzaal," zei hij, "waar de pistolen liggen. We zullen deze gaan halen."
Op zijn aanwijzing schoof men met gezamenlijke krachten een rotsblok op zij, en zoo kwam men bij de pistolen, die nog op dezelfde plaats lagen, maar door een slapenden neger "bewaakt" werden.
Ieder stak spoedig zijn wapen weer in den gordel, en nu nam men denzelfden weg als die, welken Li en zijn reisgenooten hierheen gevolgd waren. De professor kende hier overal uitstekend den weg, en, door de electrische lantarens bijgelicht, bereikte men na vijf kwartier loopen den uitgang.
Welk een blijdschap en een opluchting, toen men zich weer vrij voelde!
Er was echter geen tijd zich lang aan die blijdschap over te geven.
Elk oogenblik kon hun ontsnapping bemerkt worden, en dan zou het met hun leven spoedig gedaan zijn.
Zoo snel mogelijk spoedde men zich naar de groep van palmboomen, waar De Vogel was achtergebleven.
Deze was er niet!
Welbeschouwd behoefde dit niet zoo te verwonderen, want begrijpelijkerwijs zou Mu met Nof aan 't zoeken zijn gegaan naar de vermisten.
Er bestond op De Vogel echter de vaste regel, dat men in gevallen als deze steeds na een bepaalden tijd met het luchtschip weer op de plek terugkwam waar men gescheiden was, om te zien of de vermisten zich daar ook bevonden.
Dank zij dezen verstandigen maatregel, maakte men zich niet ongerust over de afwezigheid van het luchtschip, en besloot onder de palmen rustig zijn komst af te wachten.
Tegen vier uur in den morgen werd Li's signaalfluitje van uit de lucht beantwoord.
Onmiddellijk daarop werden de professor en zijn bediende geblinddoekt, nadat men hun meegedeeld had dat ze zich met volle vertrouwen konden overgeven, maar dat deze maatregel noodzakelijk was, omdat zij niet wenschten dat hij de inrichting zag van het vaartuig waarmee men hen zou wegbrengen. Te voren was overeengekomen dat men hen in Marseille zou afzetten, waar de professor goede bekenden had wonen. Men had intusschen wijselijk steeds Laïesch gesproken als het dingen betrof die geheim moesten blijven, en zich overigens gehouden of men uit Holland afkomstig was.
Mu daalde snel met De Vogel neer, en weldra waren allen aan boord. Nu zette het luchtschip met den meesten spoed koers naar Marseille.
Natuurlijk vertelde Mu, dat hij erg in de benauwdheid gezeten, en overal gezocht had, en de anderen moesten in kleuren en geuren hun avonturen vertellen. Gelukkig dat nu alles voorbij was, en men alweer een les in de voorzichtigheid had ontvangen.
"Het ligt aan de aarde," zei Li ernstig. "Zoolang we hier op De Vogel zijn, denken we niet aan onvoorzichtigheden en waaghalzerij, maar zoo gauw zijn we niet op den vasten grond, of we schijnen ons geroepen te voelen kwajongensstreken uit te halen."
Opeens, bemerkend dat Nof er niet was, zei Li:
"Waar is Nof? Die is toch al lang aan boord?"
"Neen," antwoordde Mu, "hij is niet gekomen; ik dacht dat hij jullie ontmoet had en verbaasde me al dat hij niet bij jullie was."
"Nu, hij zal zeker een dag later komen; hij heeft nog al tegenwind. Maar dan moeten we morgen weer naar de kust terug."
"En ons niet meer door negers laten inrekenen!" zei Rob lachend.
"Daar zal ik wel voor oppassen," zei Li. "Niemand gaat van boord!"
Men bereikte spoedig Marseille, en in den vroegen morgen werd de professor met een vliegmachine aan wal gezet. Daar moest men hem wel aan zijn lot overlaten.
De lezer heeft ongetwijfeld in 't laatst van December 1901 uit de kranten gezien, dat professor Korling, dien men dood waande, opeens in Nederland teruggekomen was en dat onbekende personen, die Hollanders zeiden te zijn, hem met een luchtballon naar Marseille hadden gebracht.
De eigenlijke toedracht van deze gebeurtenis heeft tot nu toe eigenlijk niemand goed begrepen, ook de professor zelf niet. De lezer zal daarom zeker met belangstelling in dit hoofdstuk den geheimzinnigen sluier hebben zien oplichten.
TIENDE HOOFDSTUK.
NOF EN DE STRANDROOVER.
Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!
Toen men weer bij Bengasi terugkwam, was het helder dag.
De Vogel bleef eenigen tijd zwevende boven de zee, en met behulp van sterke kijkers begon men den omtrek in alle richtingen af te zoeken. Maar er was niets van Nof te zien.
Toen de dag voorbijging en de avond viel, zonder dat men iets van den vermiste vernam, begon men zich ernstig ongerust te maken. De tijd was ruim berekend, en Nof had al lang terug kunnen zijn; er was dus reden om aan een ongeluk te gaan gelooven.
Toch kon men voorloopig niet veel anders doen dan in de buurt blijven kruisen, hopend dat Nof ten slotte zou komen opdagen.
Men nam dus een afwachtende houding aan.
Twee, drie dagen gingen voorbij, maar Nof bleef weg.
De eenige afleiding, die men zich schenken kon, was boven de rotsenwoning van den negerstam te gaan zweven, en zich dan te vermaken met den schrik dier zwarte heeren, toen ze daar zulk een gevaarte door de lucht zagen zeilen. Waarschijnlijk vermoedden ze niet, dat daar op De Vogel het maaltje blank vleesch te vinden was, dat hun eenige dagen geleden zoo leelijk den neus voorbijgegaan was.
Toen men weer twee dagen gewacht had en Nof nog niet verschenen was, besloot Li desnoods de geheele reis te maken, die Nof verricht had, hopend hem onderweg te zullen vinden. Wat den omtrek betreft, die was nu over twee uur in het rond zoo grondig doorzocht, dat men veilig kon aannemen Nof daar niet te zullen vinden.
Alles werd dus voor de reis klaargemaakt, toen, op het punt van te vertrekken, Rob's aandacht getrokken werd door een klein bootje, dat langs de kust voer, en waaruit een man stapte, die, na 't bootje aan wal getrokken te hebben, recht op de palmengroep afging waar De Vogel zich gewoonlijk verdekt opstelde.
Van achter de rotsen, waar het luchtschip zweefde, bleef men den man waarnemen. Hij vertoefde slechts enkele oogenblikken bij de boomen, zocht daarna z'n schuitje weer op, en roeide dicht langs het strand in westelijke richting weg.
Dit was ongetwijfeld een merkwaardig verschijnsel, en Li besloot zich op de hoogte te gaan stellen van wat die man in het palmbosch had uitgevoerd. Daar aangekomen, vond men een briefje aan een der stammen gespijkerd--het was van Nof!
Snel brak Li het open, en las:
"Leg op deze plaats ten spoedigste tienduizend gulden neer. Tracht niet een onderzoek in te stellen of mij te hulp te komen.
Nof."
Het leed geen twijfel, dit briefje was van Nof. En er zat niets anders op, dan het gevraagde geld te deponeeren, daar alleen dan Nof tot hen zou kunnen terugkeeren.
't Was een geheimzinnige kwestie. Vermoedelijk was Nof in handen van roovers geraakt, maar hoe dit zij, het was 't beste rustig af te wachten welke uitwerking het neerleggen van 't geld zou hebben, om daarna te besluiten wat er nader te doen stond. Het spoor van den man in 't bootje te volgen, of andere maatregelen te nemen, zou tegen den wensch van Nof en dus gevaarlijk zijn.
Tienduizend gulden was een behoorlijke som, maar het leven van Nof was die som wel waard, en gelukkig was er een zeer aanzienlijke hoeveelheid geld aan boord, daar de mannen bij hun eerste opstijging daarvoor gezorgd hadden, voorziende dat de proef met De Vogel mislukken kon, en zij dan bij het neerdalen in een misschien onbekende streek dankbaar zouden zijn over het noodige geld te kunnen beschikken.
De gevraagde som werd dus gedeponeerd, en men wachtte, op eenigen afstand achter de rotsen verborgen, den uitslag af.
Tegen den morgen kwam dezelfde man met het bootje, stapte aan land, zag behoedzaam om zich heen, en stelde zich daarna in het bezit van 't geld. Toen verdween hij weer op de zelfde manier waarop hij gekomen was.
Men wachtte nu weer eenige uren in angstige spanning, brandend van verlangen om den man na te gaan, totdat ongeveer tegen vier uur het bootje weer zichtbaar werd. Dezen keer zaten er twee mannen in, en toen men het bootje zag teruggaan, nadat een der mannen aan land gestapt was, herkenden allen in dien laatste Nof!
Nu zette Mu De Vogel in beweging; het schip daalde bij de palmen, en Nof was weer bij zijn vrienden terug!
Nadat van weerszijden de blijdschap zich in handdrukken en gelukwenschen had geuit, moest Nof vertellen wat er toch eigenlijk gebeurd was.
"Er stond nog al wind in de Middellandsche Zee," vertelde Nof, "en daarom moest ik 's nachts nu en dan aan de kust neerdalen om me niet te veel aan gevaar bloot te stellen.
"Dergelijke dalingen liepen altijd goed af. Een enkele maal bemerkte ik menschen in de nabijheid, maar meestal zagen ze mij niet of kon ik me tijdig uit de voeten maken. Acht dagen geleden ben ik echter de dupe geworden van mijn te groote vertrouwen in de omstandigheden. Ik had me eenige mijlen westelijk van hier met mijn toestel op de kust neergelaten en me daar te slapen gelegd, ofschoon ik voetstappen in 't zand had gezien, en een uitgedoofd vuur eveneens op de nabijheid van menschen wees.
"Tegen den ochtend werd ik wakker doordat ik om me heen hoorde praten. Tot mijn schrik zag ik een zestal mannen met wijde mantels en groote hoeden voor me staan, waarvan er vier me vastgrepen toen ik een beweging maakte om naar den vliegtoestel te snellen, en twee dien toestel geheel vernielden, zonder blijkbaar te weten waarmee ze te doen hadden.
"Ik bood hevigen weerstand, maar kon mijn handen niet vrij krijgen om van mijn pistool gebruik te maken, en zoo werd ik ten slotte overmand en vastgebonden.
"Men leidde me door een woeste, onbewoonde streek, door eenzame, sombere bosschen en over kale, door de zon geroosterde rotsen. Er wonen in dat kustland enkele schaapherders en een paar houthakkers, maar men komt ze slechts zelden tegen langs de smalle, door muilezelhoeven gevormde paden. Op mijn vraag, waar men me heenbracht, antwoordde een der mannen: "naar Quebranta!"
"Wat!" riep La, toen Nofs verhaal zoover gevorderd was. "Woont die schurk tegenwoordig daar?"
"Ken je hem dan?" zei Nof verwonderd.
"'t Is een speciale vriend van hem!" spotte Li.
"Ik heb wel van hem gelezen," zei La. "Hij maakte jaren lang het Andalusische hoogland, tusschen Jerez en Almeria, onveilig, maar de Spaansche Regeering heeft hem ten slotte zoo weten op te jagen, dat hij de zee overgestoken is. Niemand wist waarheen hij verdwenen was, maar Nof heeft dus zijn schuilplaats ontdekt."