Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan
Chapter 5
"Zoo'n bewaarplaats is wel gemakkelijk, niet waar?" vroeg Li. "Toen ik ze ontdekte, was dat door een bizonder toeval. We hadden bij Green-eiland overnacht, toen we bij het aanbreken van den morgen--'t was stormachtig weer--een stoomjacht onder Engelsche vlag met de branding zagen worstelen. Dadelijk schoten we te hulp, maar te laat om redding te brengen. We zagen slechts hoe twee mannen al zwemmende het land trachtten te bereiken; de een werd tegen de klippen verpletterd, de ander bereikte den wal, doch overleed eenige uren later aan de bekomen wonden. Het bleek al gauw uit de papieren, die we aan boord vonden, dat we hier te doen hadden met den Engelschen ontdekker James Lane, over wien verleden jaar in de kranten zoo veel te doen was. Lane was een zonderling; een wel handig en zelfs geleerd man, doch die de buitensporigste plannen op touw zetten, welke telkens mislukten, hoeveel moeite en kosten hij er ook aan besteed had. Zijn laatste onderneming was een reis naar de Zuidpool, in een door hemzelf geconstrueerd stoomjacht. Hij vertrok onder veel belangstelling en zelfs uitgeleid door vertegenwoordigers van den tegenwoordigen Koning, die zich voor den avontuurlijken man intresseerde. Sedert hoorde men niets meer van hem; hoe het met hem gegaan is, heb je zoo even gehoord. Zijn bemanning had hij onderweg in een Fransche haven aan wal moeten zetten, daar ze hem beschuldigde van roekelooze waaghalzerij en bevreesd werden voor hun toekomst. Hij zette toen koppig de reis voort, slechts door zijn secretaris trouw gebleven. Het resultaat weet je."
"En heb je toen zijn jacht bewaard?" vroeg Rob.
"Zooals je ziet," zei Li, op de overigen wijzend, die intusschen bezig waren het vaartuig ineen te zetten. "Bij onderzoek van het jacht bleek dit zeer vernuftig gebouwd te zijn, namelijk met uitneembare onderdeelen. Ook was het door een geniale constructie zoo ingericht, dat het zelfs door de zwaarste zeeën niet omgeworpen kon worden. La maakte het voor electrische drijfkracht gereed, zoodat het veel eenvoudiger te besturen is. We deden er reeds een proefvaart mee, en zullen 't nu voor de eerste maal voor een grootere reis gebruiken."
"Heeft men nooit getracht Lane op te sporen?" vroeg Rob.
"Jawel; het Britsch Aardrijkskundig Genootschap, door de Regeering gesteund, rustte een expeditie uit, toen de berichten van Lane ophielden. Zonder eenig resultaat natuurlijk. Overigens was Lane een zonderling, eenzelvig man, die kind noch kraai op de wereld bezat, zoodat ten slotte niemand zich meer om zijn lot bekommerde. Het moet wel een eigenaardige gewaarwording zijn als men hem nu in eens te Londen terug ziet."
Rob keek Li verwonderd aan. Daar begreep hij nu niets van.
"Ben je daar verbaasd over?" glimlachte Li. "Als we straks aan boord zijn, zal je Lane zien. Wacht maar."
Na ongeveer twee uren gewerkt te hebben, had men het jacht gereed. Er was nu nog eenige tijd noodig om de benoodigde levensmiddelen en vele andere onmisbare artikelen uit De Vogel in het jacht over te laden, doch eer de avond viel was men gereed te vertrekken.
"Ziezoo," zei Li, toen allen aan boord waren. "Nu zal ik mijn geweten geruststellen en het jacht met toebehooren aan de Engelsche Regeering afleveren, ofschoon het de vraag is of het mij als strandvonder niet rechtens toekomt."
Toen het donker inviel, en het oorlogsschip met zijn slapende bemanning nog slechts als een reusachtige, logge, zwarte massa zichtbaar was, koos het jacht, de "Lane" genaamd, zee. Op eenigen bovenwaartschen afstand volgde De Vogel, alleen met Mu bemand.
Men zat er gezellig bijeen in het rooksalon, behalve Naf, die zich in de stuurkamer bevond, en Li die naar de commandantshut was gegaan, toen Rob's oog op een groot, uitvoerig geschilderd portret viel, op welks lijst geschreven stond: "James Lane." Hij wilde er heen gaan om het eens van dichterbij te bekijken, toen de deur geopend werd, en een man binnentrad, die als van het schilderij weggeloopen scheen.
"James Lane!" riep Rob onwillekeurig uit.
"Juist!" zei vroolijk de binnenkomende--en Rob herkende Li's stem--"lijkt 't niet sprekend?"
De vermomming was inderdaad treffend. Li had in zijn uiterlijk volkomen de figuur van Lane nagebootst; alleen was zijn gezicht wat gebruinder, waren zijn haren wat grijzer.
"Nog vijf dagen," zei Li, "en Lane komt in Engeland terug. Nu, Rob, denk je niet dat ze den grooten ontdekkingsreiziger, die zooeven van de Zuidpool terugkeert, met pracht en praal, en zelfs aan het Hof zullen ontvangen?"
Nu begreep Rob, van welke toevallige omstandigheden Li gebruik wilde maken om zich toegang te verschaffen tot de onmiddellijke omgeving van den Koning. Het plan leek hem gewaagd, maar hij twijfelde niet of Li zou het met zijn gewone zekerheid en behendigheid tot een goede uitvoering brengen.
Nadat men nog eenigen tijd Li's vermomming bewonderd had, ging deze zich weer daarvan ontdoen, en kwam weldra terug om nog een paar gezellige uren in den kring der kameraden door te brengen. Rob voelde zich nu geheel thuis; hij bemerkte met genoegen dat allen hem als een der hunnen behandelden, zijn oordeel vroegen, hem in vertrouwen namen, kortom hem zoo zeer op zijn gemak zetten, dat hij dankbaar was goede en vriendelijke menschen te hebben ontmoet.
Het ontbrak gedurende de eentonige zeereis niet aan afwisseling. Men hield zich aan boord met muziek en lectuur bezig, Rob's lessen bij La gingen geregeld door, en de gezellige gesprekken des avonds aan en na tafel waren voor Rob even aangenaam als leerrijk. Het viel hem op, hoe allen hun best deden om vriendelijk en goedgehumeurd tegenover elkander te zijn, hoe men zich beijverde om het gesprek nooit te doen verwateren in alledaagsche praatjes, maar 't altijd daarheen te leiden, dat de een steeds van den ander iets leerde. Vaak was men het ook over 't een of ander onderwerp oneens, maar hoe levendig de discussie ook werd, altijd bleef de toon hoffelijk en opgewekt, en men eindigde onveranderlijk met elkaars gevoelens nog meer te waardeeren dan te voren, ook al was men niet tot overeenstemming kunnen komen. Li bezat een bewonderenswaardigen tact om zulke discussies te leiden, en zoo noodig ook tijdig te doen eindigen.
Gedurende de reis was Rob herhaaldelijk in de gelegenheid den marconi-toestel in werking te zien, die door La bediend werd. Deze deelde hem nu mee, dat Nof niet alleen met het overbrengen van het briefje aan Rob's ouders belast was, maar ook eenige toebereidselen moest treffen in Londen en in Dover, waar men landen zou. Vandaar zond hij telkens draadlooze telegrammen naar het jacht. Ook met De Vogel, die nu zoo hoog gestegen was, dat hij zonder kijker niet meer was waar te nemen, werden nu en dan marconigrammen gewisseld.
Den 24en October, den dag vóor men zou landen, liet Li Rob in de commandantshut komen, en zei:
"Ik zal je nu enkele dingen vertellen, die je noodig hebt te weten, omdat ze je misschien te pas kunnen komen. Ten eerste dan, moet je weten, dat we in Londen met ongeduld verwacht worden."
"Weten ze daar dan al dat je komt?" vroeg Rob.
"Zeker! Nof is vooruitgegaan als mijn particulier secretaris, of liever als die van Lane. Hij is over land gekomen, naar 't heet, en heeft al zalen in Londen afgehuurd, en contracten met impressario's afgesloten, ten doel hebbende de lezingen van den ontdekkingsreiziger Lane voor te bereiden, welke deze over zijn Zuidpooltocht zal houden. Dagelijks heb ik hem berichten geseind, welke hij in de groote bladen heeft doen opnemen, en het publiek is al zoo opgezweept, dat zich officiëele comité's van ontvangst hebben gevormd en de Koning zijn verlangen te kennen heeft gegeven den ontdekkingsreiziger te ontmoeten. Heel Dover en Londen zijn door Nofs zorg met groote, gekleurde aanplakbiljetten beplakt, waarop mijn, of liever Lane's, welgelijkend portret is afgebeeld. Men draagt al Lane-dassen, drinkt Lane-limonade, rookt Lane-sigaren. Het Britsch Aardrijkskundig Genootschap zal ons een groot feestmaal aanbieden."
Rob zag het eene wonder zich al weer op het andere stapelen. Dat zou intressant worden. Als hij er nu maar bij kon zijn!
"En hoe gaat het nu met ons allemaal?" vroeg hij. "Wat stellen wij voor?"
"Wel, daar jullie allemaal Hollanders zijn, stel je Hollandsche ingenieurs en oud-zeeofficieren voor, die ik voor mijn reis heb aangeworven nadat mijn scheepsvolk was weggeloopen. Dat klinkt voornaam; voor matrozen zouden jullie er trouwens niet zeebonk-achtig genoeg uitzien. En jij zult fungeeren als mijn adjudant; dan kan je me overal volgen."
"Dat is heerlijk!" juichte Rob. "Dan kom ik dus ook bij den Koning! En hoe krijg je nu de diamanten?"
"Geduld! dat zal je wel zien," lachte Li. "Voorloopig moet je maar precies doen wat ik zeg, en op de vragen, die men je mocht stellen, voorzichtige antwoorden geven."
Rob kon dien nacht bijna niet slapen van opwinding bij de gedachte aan de avontuurlijke dingen die voor de deur stonden. Hoe zou Li het wel aanleggen? Zou het lukken? Was het eigenlijk niet een gevaarlijke onderneming, en wat zou hun lot worden als de list eens ontdekt werd? Al dergelijke vragen bestormden Rob en hielden hem wakker, maar ten slotte herkreeg zijn blind vertrouwen in Li, die zoo zeker van zijn zaak was, en geen oogenblik scheen te aarzelen, de overhand, en hij sliep gerust in.
De zee was dien nacht, evenals trouwens gedurende de heele reis, zeer kalm, en de vernuftige inrichting van het jacht maakte dat het bijna niet slingerde. Rob had dan ook geen oogenblik last van zeeziekte gehad, en hij sliep dien nacht zoo rustig, dat hij den volgenden morgen eerst na vijf minuten het geweldig kanongebulder hoorde, waarmee het jacht, de Engelsche vlag in top voerend, begroet werd door de ter reede van Dover liggende oorlogsbodems. Snel stond hij op, kleedde zich vlug aan en liep naar het dek, dat door een prachtige herfstzon vroolijk beschenen werd.
ZESDE HOOFDSTUK.
ROB KOMT IN LONDEN.
De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De kroonjuweelen.
Nauwelijks was Rob op het dek, of hij hoorde boven het kanongedonder uit de muziek van een groot aantal muziekkorpsen, die aan de kade waren opgesteld, en die onophoudelijk het Engelsche volkslied speelden. Alle huizen in den omtrek waren versierd en bevlagd; alle schepen waren met tallooze kleine vlaggetjes opgetuigd en de in het want staande matrozen joelden. Het was een leven dat hooren en zien hem verging.
Nauwelijks had Lo den jongen in 't oog gekregen of hij duwde hem aan een arm de kajuitstrap af, en fluisterde hem haastig toe:
"Ga je vlug verkleeden, er ligt een pak voor je in de rookzaal."
Zoo gauw hij kon, trok Rob het mooie, zwarte pak aan, dat hij vond liggen, en waarin hij er zooveel deftiger en ouder uitzag dan te voren, dat hij den spiegel, die hem vertelde dat hij nu zijn eerste gekleede jas aanhad, bijna niet gelooven kon. Toen hij weer naar het dek was gesneld, vond hij daar Li-Lane eveneens stemmig in 't zwart gekleed, en de overigen in reistoiletten van allerlei kleuren.
Vóor hij daarover zijn verbazing te kennen had kunnen geven, wees Li hem op een stoomsloep, die, met muziek aan boord, snel het jacht naderde.
De sloep kwam op zij, en een deftig heer, in groot ornaat en met een gouden keten om den hals, beklom de scheepstrap. Boven gekomen, trad hij met uitgestrekte handen op Li toe, en zei:
"Mister Lane, als burgemeester van Dover, en daartoe door Z.M. den Koning uitgenoodigd, heet ik u welkom op Engelschen bodem. Het heeft Z.M. behaagd een koninklijken salon-trein tot uw beschikking te stellen, die u onmiddellijk naar Londen zal voeren. Het spijt de burgerij van Dover, dat zij den grooten ontdekkingsreiziger niet eenigen tijd in haar midden zal mogen behouden, doch zij heeft vernomen dat u reeds een woning in Londen gehuurd hebt, en zeer verlangend zijt daar de rust te genieten, die gij na de ontberingen van uw reis zoo ruimschoots hebt verdiend. Het is mij een eer en een voorrecht, u uit naam van den Koning, welkom te heeten op den vaderlandschen grond."
Li, die deze toespraak met een vriendelijken glimlach en overigens zonder een spier te vertrekken had aangehoord, dankte nu den mayor met een sierlijke, in onberispelijk Engelsch uitgesproken rede. Toen hij zweeg, werd op de stoomsloep een vlaggetje geheschen, en dadelijk daarna brak de muziek en het gebulder van het geschut weer los.
Li en de zijnen werden nu uitgenoodigd den burgemeester naar den wal te volgen, waar ze eenige versierde open rijtuigen vonden gereedstaan, die hen onder het gejuich der menigte naar het station brachten. Li groette en boog naar alle zijden, met de rust en het gemak van iemand, die zooveel groote emoties heeft meegemaakt, dat een huldebetoon als dit hem niet meer overweldigen kan. Li had met den burgemeester, Lo en Rob in het voorste rijtuig plaats genomen en deed den mayor een verhaal van een wonderbaarlijke redding uit de handen van zuidpoolsche wilden, die hij aan het cordate optreden van Rob te danken had, en waaraan het toe te schrijven was dat hij Rob steeds in zijn onmiddellijke nabijheid wilde zien.
"Had deze jonge man mij het leven niet gered," zoo besloot hij zijn verhaal, "dan zou ik niet in staat geweest zijn de wetenschap met mijn nederige diensten ter zijde te staan."
De burgemeester vond hierin aanleiding Rob eenige waardeerende woorden te zeggen, die deze met een verlegen buiging beantwoordde.
Onder het gewuif en gejuich der dicht opeen gepakte menschenmassa zette de trein zich in beweging, en daar de reis ook door eenige autoriteiten werd meegemaakt, was men voortdurend verplicht zich te laten complimenteeren en de rol van beroemde mannen te spelen.
Aan de stations, waar opgehouden werd, en men toespraken moest aanhooren van burgemeesters en presidenten van corporaties, die met haar banieren op het perron stonden, kocht Lo eenige kranten, waarin ze allerlei berichten over zichzelf vonden, die niet weinig vermakelijk waren om te lezen.
In Londen aangekomen, speelde zich het Doversche programma nogmaals af. Muziek, toespraken, gejuich, kanongebulder. Door de drukke straten, die zwart waren van de menschen, reed men in open rijtuigen naar de Longmanstreet, waar twee kolossale huizen voor Lane en zijn gezelschap waren gehuurd.
Nog verscheiden malen moesten de reizigers zich op het balkon aan de geestdriftige menigte vertoonen, die zich niet verstrooide dan nadat Lane een toespraak had gehouden. En ook daarna werd het niet rustig, want den geheelen dag regende het bloemen, invitaties en telegrammen van gelukwensching. Maar vooral werd Li bestormd door verslaggevers van kranten, die hij allervriendelijkst te woord stond, alle inlichtingen gevend die ze wenschten, en door wie hij zich ontelbare malen in allerlei houdingen liet kieken.
Eindelijk tegen den avond, ook doordat Li in de kranten had doen plaatsen, dat hij de eerstvolgende dagen gaarne met rust zou gelaten worden, werd het wat stiller, en zat men gezellig bijeen, hartelijk lachend om de vermakelijke avonturen van dien dag.
Werkelijk vermoeid door de snelle reis en al het eerbetoon, ging men vroeg naar bed. Naf had uitstekend gezorgd; het geheele huis was uitstekend gemeubileerd en van alles voorzien wat men maar wenschen kon, en Rob merkte wel dat Li op de een of andere manier over onuitputtelijke geldmiddelen beschikte.
Toen Rob naar zijn kamer ging en het venster wilde sluiten, hoorde hij beneden op straat wapengekletter. Hij keek naar buiten, en zag dat een compagnie garde-grenadiers een eerewacht had betrokken, en dat twee reusachtige schildwachts met statige passen voor het huis heen en weer liepen.
Den volgenden dag bleef men rustig thuis. Li zat aan zijn schrijftafel, snuffelde in dikke boeken en schreef vele vellen papier vol. Tegen den avond vernam Rob, dat Li een lezing zou houden voor twintigduizend menschen in de groote concertzaal van het Koninklijk Conservatorium. Hij stelde zich veel van die lezing voor, benieuwd wat Li zijn hoorders zou opdisschen, maar toen men den avond daarop in open rijtuigen naar het Conservatorium was gereden en Li het podium had bestegen, stond Rob versteld van de kalmte en de schijnbare kennis van zaken, waarmee Li zijn Poolreis verhaalde. Na een beschrijving gegeven te hebben van zijn ondervindingen en ontberingen gedurende de reis er heen, stond hij uitvoerig stil bij de bizonderheden die de Pool zelf betroffen. Hij schilderde die als een vrij uitgestrekte, zeer bewoonbare streek, waar niet, zooals men dikwijls verondersteld had, het opeengehoopte ijs allen plantengroei en het dierlijk leven onmogelijk maakte, maar waar integendeel weelderige bosschen en een zeer intelligente bevolking gevonden waren, welke laatsten de koene ontdekkers vriendelijk ontvangen had, hoewel zeer verbaasd, dat er buiten hen zelven nog andere wezens op aarde bestonden die er ongeveer als zij uitzagen. De bewoonbaarheid en den plantengroei verklaarde Li hierdoor, dat de warmte, ontstaan door de wrijving van de aarde om de aardas, groot genoeg was om het ijs over een groote uitgestrektheid te ontdooien. Toen Li vertelde dat de Poolbewoners hoogstwaarschijnlijk afstamden van de leden eener sinds onheugelijke tijden daar aangekomen, doch door de buitenwereld verloren gewaande expeditie, en dat deze expeditie een Engelsche moest geweest zijn, aangezien de heerschende taal een wel is waar verbasterde ofschoon nog zeer begrijpelijke vorm van het Engelsch bleek te zijn--toen Li dit vertelde, barstte er onder het gevleide publiek zulk een daverende storm van toejuichingen uit, dat er volle twintig minuten noodig waren eer het publiek gekalmeerd was en Li zijn rede kon voortzetten. Na eenige wetenschappelijke verhandelingen ten beste te hebben gegeven omtrent de aswenteling der aarde, besloot Li zijn met gespannen aandacht gevolgde lezing door een geestdriftige schildering van de Zuidpoolsche vrouwen te geven. In haar was naar zijn zeggen schoonheid en lieftalligheid harmonisch vereenigd. Aan de Zuidpool kwamen geen ongelukkige huwelijken voor; wie met een Zuidpoolsche trouwde, kon verzekerd zijn van een duurzaam geluk. Deze met gloed en geest uitgesproken slottirade bracht het publiek opnieuw in verrukking, en nog dienzelfden avond wist een verrukt jongmensch zevenduizend handteekeningen van trouwlustige lotgenooten te verzamelen voor het stichten van een "South-Polar-women-import-fund." Den volgenden dag sprak heel Londen over de plotseling beroemd geworden Zuidpoolschen, en gedurende vele weken werden ze in alle café-concerts in woord en kleedij geprezen en nagebootst aan de hand van de uitvoerige beschrijving, die Li van haar uiterlijk had gegeven.
Den 29en October had het groote diner plaats, door het Aardrijkskundig Genootschap aangeboden. Rob zat op een eereplaats, links van de echtgenoote van den secretaris, en rechts van de vrouw van den president, die aan de zijde van Li was gezeten. Het diner, dat eindigde met de aanbieding van het buitengewoon eerelidmaatschap aan den ontdekker James Lane, kenmerkte zich door het overgroote aantal speechen, die Li met onvermoeibaren ijver beantwoordde, daarbij een kennis van zaken ten toon spreidend, waarvan Rob nu en dan verstomd stond.
De 1e November eindelijk was bestemd voor de soiree ten Hove. Alle bewoners van De Vogel, Rob incluis, staken zich voor die gelegenheid in rok, en Li gaf zijn metgezellen, vooral den jongsten, voor het vertrek nog de noodige goede lessen met betrekking tot de talrijke voorschriften, waaraan zij zich aan het ceremoniëele Engelsche Hof hadden te houden.
Om klokslag negen uur kondigde de Chambellan met luider stem de komst aan van Sir James Lane en gezelschap, welke betiteling Li er op wees, dat het den Koning behaagd had den grooten ontdekkingsreiziger een onderscheiding te verleenen, waarvoor Li Zijne Majesteit nog niet had bedankt, toen deze zijn vorstelijke mildheid nog verder uitstrekte door zijn beroemden onderdaan dadelijk na de begroeting met de versierselen van het commandeurskruis der Bath-orde te omhangen.
Terwijl de gasten zich al pratend door de ruime zalen bewogen, onderhield de Koning zich zeer vriendelijk met Li en Rob. Zijne Majesteit deed allerlei vragen, die duidelijk blijk gaven van zijn belezenheid over het onderwerp, een belezenheid van vermoedelijk jongen datum. Li gaf uitgebreide, wetenschappelijk getinte antwoordden, en vooral de beschrijving der Zuidpoolsche dames intresseerde den Koning zeer. Toen Li vertelde, dat hij aan de Pool ook uitgebreide diamantvelden had ontdekt, die nog onontgonnen lagen en bestemd waren kolossale schatten op te leveren, begonnen de oogen van den Vorst te schitteren. Merkwaardig was het, dat 't woord "diamant" nauwelijks was uitgesproken, of een lang, correct-gerokt heer, met een monocle in 't oog en een orchidee in 't knoopsgat, die een minuut geleden nog aan 't andere einde der zaal had gestaan, mengde zich in 't gesprek, al pratend eenige aanteekeningen in zijn notitieboekje makend. Deze heer werd voorgesteld als Zijner Majesteits Minister van Koloniën.
Toen het gesprek eenmaal op diamanten was gekomen, wist Li door een handige overgang ook de kroonjuweelen in de conversatie te mengen, en hij vroeg, of de edelgesteenten, die den Koning en de Koningin bij de kroning waren aangeboden, werkelijk van een zoo verbazenden omvang waren als de dagbladen, waarin hij de beschrijving had gelezen, vermeld hadden.
In antwoord hierop gaf de Koning een geestdriftige beschrijving van de kroon en den diadeem, die, naar hij zeide, in een zeer kunstig uit hout gesneden kastje werden bewaard, dat steeds zorgvuldig in een brandkast stond gesloten. De brandkast bevond zich in 's Konings slaapvertrek, en was van een hoogst vernuftige sluiting voorzien, waarvan het geheim alleen aan hem zelf bekend was.
Li deed nog eenige belangstellende vragen, en haalde intusschen al pratend een marokijn leeren étui uit den zak, waarin zich eenige prachtige groote steenen bevonden, welke hij zich veroorloofde den Koning als een souvenir aan de reis aan te bieden. Zijne Majesteit was verrukt over de helderheid en het slijpsel der steenen, die volgens Li door hem zelf aan de Pool waren gedolven, en het behaagde hem het geschenk welwillend te aanvaarden. Toch kon hij, met een kennersblik de juweelen monsterend, de opmerking niet weerhouden, dat de kroondiamanten nog grooter van omvang waren.
Nu gaf Li luide zijn verbazing te kennen. Dat er steenen zouden bestaan, grooter nog dan die, welke het Zijne Majesteit behaagd had als een nederige hulde van een zijner meest getrouwe onderdanen aan te nemen, kwam hem verwonderlijk voor, en hij waagde het zelfs op zeer bescheiden wijze de mogelijkheid te opperen, dat de Koning zich vergiste.
Zijne Majesteit, een-en-al welwillendheid, bood den ontdekkingsreiziger nu aan, zich persoonlijk te gaan overtuigen van de pracht der kroonjuweelen, die door deskundigen op minstens een millioen pond waarde werden geschat, en Li toonde zich verrukt over dit gunstbewijs. Door enkele ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders vergezeld, ging men nu naar het slaapvertrek, waar zich dicht naast het praalbed een sierlijk geornamenteerde brandkast bevond, die door den Koning met enkele onmogelijk te volgen handgrepen werd geopend. Daarna drukte Zijne Majesteit op een veer, en er schoof een kunstig bewerkt houten koffertje te voorschijn, waarvan het deksel zich, eveneens door een druk op een verborgen veer, opende. Nu lagen, achter glas opgesteld, de kroondiamanten in schitterende pracht voor de bewonderende oogen der toeschouwers. Het electrisch licht tooverde de heerlijkste kleurfonkelingen in de geslepen vakken, en allen waren het er over eens, dat nergens ter wereld de weerga van zulk een pracht gevonden kon worden.