Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 25

Chapter 253,821 wordsPublic domain

Tot nog toe hadden er geen vijandelijkheden plaats gehad. Alle koeriers kwamen met de tijding terug, dat het Russisch leger de grens niet dichter genaderd was dan te voren. Niets wees op vijandige bedoelingen, zoodat sommige Ministers zich zelfs wat gerustgestelder gingen voelen.

Zabern alleen wist maar al te goed, dat er geen enkele reden tot geruststelling was; niemand beter dan hij kende het gevaar dat Czernovië bedreigde. Hij had, wat natuurlijk onvermijdelijk was, de Prinses met den dood van Ravenski in kennis gesteld, maar er van gesproken als van een moordaanslag, welks daders hij op 't spoor was. Het leek hem overbodig de Prinses de overige bizonderheden te vertellen, en ook wilde hij liever het gebeurde met de duif voor haar verborgen houden. Wanneer de loop der gebeurtenissen haar van alles op de hoogte bracht, was het nog tijd genoeg; waartoe haar zorg en haar vrees nog te vermeerderen?

"Bovendien," dacht Zabern, "wat heeft het voor nut, de Prinses al deze ellende te doen meeleven? Het eind is gekomen, al mijn werken is vergeefsch geweest, we moeten ons gewonnen geven. Alleen een wonder kan Czernovië nog redden--laten we in berusting dat wonder afwachten."

Inderdaad, ondanks alles, had Zabern nog hoop. En dat gaf hem de kracht, ofschoon hij zich somber gestemd voelde, uiterlijk zijn gewone kalmte en vastberadenheid te bewaren.

Het gesprek der Ministers kwam ook op den moord van Ravenski.

"Een verschrikkelijke en geheimzinnige historie," zei Radzivil. "De dokters zeggen, dat de houw met een sabel moet toegebracht zijn, en door een vaste hand, die gewoon is het wapen te hanteeren."

"Dan zal de Hertog van Bora 't wel gedaan hebben," zei Zabern droog.

Radzivil vond de aardigheid ongepast, en vroeg:

"U hebt toch zeker wel een belooning uitgeloofd voor wie de daders aanwijst?"

"Geen roebel," zei Zabern kort.

"Dat is tegen uw gewoonte!"

"Waarom zou ik een premie uitloven als ik den dader ken? Hij heeft twee medeplichtigen."

"U kent den dader? En waarom is hij dan nog niet gegrepen?"

"Omdat ik gewichtige redenen heb hem nog ongemoeid te laten."

"Maar als hij ontsnapt?"

"Hij kan me niet ontsnappen. Bij elken pas, dien hij doet, heb ik hem in het oog. Ik kan elk oogenblik even gemakkelijk de hand op hem leggen als ik nu bijvoorbeeld de hand op mijn eigen arm leg," zei Zabern glimlachend.

Radzivil wilde op een nadere verklaring aandringen, maar Elizabeth, die het onderwerp onaangenaam vond, verzocht hem over iets anders te spreken. Nog den vorigen dag had ze met zooveel haat aan Ravenski gedacht, dat het haar nu toescheen alsof ze daardoor alleen mede schuld droeg aan zijn dood.

Zabern voelde zulke zelfverwijten niet; het speet hem alleen, dat hij den Hertog ook niet op die manier van de baan geschoven had. Dan zou het viertal compleet geweest zijn, want dien morgen had hij gezorgd weldra bekend te kunnen maken, dat Lipski en Russakoff zich door ophanging in hun cel van 't leven hadden beroofd.

"U hebt geen berichten omtrent Bora?" vroeg Elizabeth den Maarschalk.

"Nog niet, Hoogheid," antwoordde deze, "maar daar komt iemand, die u wellicht het geheim kan oplossen.

Aller oogen wendden zich naar een deur, waardoor een onderofficier met twee soldaten binnenkwam, in wier midden Miroslav, de Commandant der Citadel, zich bevond.

"Ik heb uw opdracht uitgevoerd, Excellentie," zoo richtte de onderofficier zich tot Zabern. "De Commandant werd gegrepen, juist toen hij de stad wilde verlaten."

"Goed," antwoordde Zabern. "Prinses, de Commandant Miroslav is tot Uw beschikking."

"Verdedig u!" zei de Prinses streng. "U ontving orders den Hertog zeer nauwgezet te doen bewaken. Toch gelukte het hem te ontsnappen!"

"Met mijn medeweten, Prinses!"

"Hoe?" riep Elizabeth verbaasd, "met uw medeweten?"

"Ja, Prinses. Ik zal u dat nader verklaren. Gisteravond werd mij gemeld dat er iemand aan de poort stond en mij spreken wilde. Ik liet vragen wie hij was. Daarop gaf hij mijn boodschapper een briefje in gesloten couvert mee. Hier is het."

Elizabeth nam het aan. Zij las de enkele woorden die er op stonden, en gaf het toen met een ontsteld gelaat aan Radzivil. Onder een doodsche stilte lazen ook de overigen het briefje, dat van den volgenden inhoud was:

"Ik gelast u den Hertog van Bora in vrijheid te stellen. Weigering kost u het leven.

Alexander."

"Toen ik de onderteekening zag," vervolgde Miroslav, "gelastte ik den bezoeker onmiddellijk binnen te laten. Toen hij zijn mantel opensloeg, herkende ik dadelijk den Czaar.

"Is het bevel tot invrijheidstelling al gegeven?" waren zijn eerste woorden. Tevergeefs verklaarde ik daartoe alleen door de Prinses gevolmachtigd te kunnen worden. De Czaar gelastte mij, als Suzerein van Czernovië, aan zijn bevel te voldoen."

"En u erkende die Suzereiniteit?" vroeg Elizabeth verachtelijk.

"Hoogheid, ik was zoo onder den indruk der Keizerlijke tegenwoordigheid en van zijn autoritair optreden; de gedachte aan zijn macht en de angst voor mijn leven hadden zulk een overwicht op me, dat ik niet anders dan gehoorzamen kon. De Maarschalk zelf zou in mijn geval niet anders gedaan hebben."

Zabern lachte minachtend.

"Ik bracht den Hertog binnen, en de Czaar verliet met hem de citadel, ik weet niet waarheen. Uwer Hoogheids toorn vreezend, besloot ik uit het land te vluchten. Ik geef me aan Uw genade over."

"Het was uw plicht," sprak Elizabeth, "uw gevangenen te behouden, zelfs waar het uw leven gold. Door bevelen van een ander dan van mij aan te nemen, hebt ge verraad gepleegd."

En zich tot den onderofficier wendend, vervolgde ze:

"De Commandant blijft in het Paleis, totdat de kroning afgeloopen is. Daarna zullen we verder zien. De Minister van Justitie wordt verzocht de zaak aanhangig te maken."

"De ezel!" mompelde Zabern. "Waarom liet hij den Czaar niet onmiddellijk opsluiten! Niemand schijnt tegenwoordig meer te durven!"

De soldaten verlieten met hun gevangene het vertrek.

"De Czaar in 't geheim binnen onze stad!" mompelde Radzivil. "Wat zou zijn doel zijn?"

"Niet veel goeds, Graaf!" zei Elizabeth.

Het geheime bezoek van den Czaar aan Slavowitz, en zijn gelukte poging om den Hertog in vrijheid te stellen, maakten een ontmoedigenden indruk op de Ministers. Zouden ze een kroning of een onttroning bijwonen? Zou de plechtigheid eindigen met een triomf voor de Russische partij? Met een gevoel van medelijden zagen ze naar hun jonge heerscheres, die echter niets verried van hetgeen in haar omging. Zij begrepen dat, zoo de Prinses vallen zou, haar val een waardige zou zijn, die zelfs haar tegenstanders met eerbied zou vervullen.

Wat Zabern betreft, van hem maakte nog een andere onrust zich meester. Niet in de eerste plaats het wegblijven van Rob, hoezeer hij zich ook aan zijn jeugdigen Secretaris had gehecht, en hoe smartelijk hem de gedachte was, dat de arme jongen misschien het slachtoffer van zijn waagzucht geworden was. Neen, er was iets anders dat zwaarder nog woog dan dit: Van Stralen zou op den Kroningsdag terugkeeren, hij had het plechtig beloofd, en er was geen enkele reden om aan die belofte te twijfelen. Maar waar bleef hij? Waarom had Zabern tot nu toe niets van hem gehoord? Was hij nog in leven? En zoo ja, waar? Al deze vragen drongen zich aan den Maarschalk op. Hij, die nog éen lichtstraal van hoop zag, wist dat 't van Van Stralen afhing of ook die laatste hoop vernietigd zou worden. Want Zabern's scherpe en snelle geest had in deze laatste oogenblikken van vreezend verwachten een combinatie van mogelijkheden gemaakt, waarvan het ontsnappen van den Hertog en de hoop op Felix' terugkomst de hoofdbestanddelen uitmaakten. Kwam Felix terug--dan zou de vlucht van Bora een zegen voor Czernovië kunnen worden. Hoe? ja, dat wist op dit oogenblik Zabern alleen. Hoewel dus om geheel andere redenen dan Elizabeth hoopte hij even vurig als zij, dat Felix zijn woord gestand kon doen. Zonder 't te weten waren in dit uur hun gedachten met hetzelfde onderwerp vervuld. Felix had gesproken van een stout plan, dat redding brengen zou--waar bleef hij? waar bleef de redding? zoo vroeg Elizabeth zich, elke minuut dat de kroning nader kwam, angstig af.

Het was voor de Prinses tijd geworden zich in haar kroningsgewaad te kleeden. Terwijl zij haar kleedvertrek opzocht, zag zij daarbuiten, op het ruime voorplein, den langen stoet zich vormen, die haar naar de kerk volgen zou. In veel opzichten was het een historische stoet: allerlei Oud-Hollandsche kleederdrachten zag men er, die misschien veroordeeld waren morgen tot het verleden te behooren.

In den stoet bevond zich ook Katina, door een vrijwillige eerewacht van Czernovische vrouwen gekozen het vaandel dier wacht te dragen. In een sierlijk costuum, een degen aan den gordel, bereed ze het fraaiste paard van al haar vrouwelijke mede-Amazonen.

Langs den stoet rijdend, hield Zabern een oogenblik bij haar stil.

"Een degen van hout en blik, nietwaar?" vroeg hij glimlachend, op het wapen wijzend.

"Staal!" zei Katina alleen, het half uit de scheede trekkend.

"Goed! Op een dag als deze moet men gewapend zijn," zei Zabern, terwijl hij verder reed.

Het trappelen der paarden, de voetstappen der soldaten, het schetteren van trompetten en het rollen van wielen drong tot Elizabeth door in haar kleedvertrek, en ze vroeg zich af, hoe dit alles eindigen moest?

Een slank, wit Arabisch paard stond gereed haar naar de kerk te voeren. Zij had dit verkozen boven een statie-koets, hopend de sympathie der bevolking te winnen door zich zoo openlijk te vertoonen. Aan Radzivil en Zabern was de eer gegeven naast haar te rijden; wat Zabern betreft, hij hechtte minder aan de eer dan aan de gelegenheid om haar zoo noodig met zijn lichaam te beschermen.

De stoet zou zich tegen tien uur in beweging zetten. Kort voor dat uur ontmoetten Zabern en Radzivil, op prachtige zwarte paarden gezeten, elkaar voor de Paleispoort.

"Vreemd is het," zei Zabern onder het wachten, "dat de Secretaris er nog niet is."

"De Secretaris?" vroeg Radzivil verbaasd. "Welke? Felix van Heelstra?" Heeft de Prinses hem dan terug geroepen?"

"Neen, maar ik. En zijn wegblijven is een ernstige reden tot ongerustheid. Zat de Hertog nog in de Citadel, dan kwam het er niet op aan. Nu echter.... Maar daar komt de Prinses. Ge zult later wel begrijpen wat ik bedoel."

Precies om éen minuut voor tienen verscheen Elizabeth aan den ingang van het Paleis, en, de marmeren treden afdalend, besteeg ze met behulp van Radzivil haar wit paard.

Tegelijkertijd wuifde Zabern met de hand, en een artillerie-salvo van het dak van 't Paleis verkondigde de wachtende bevolking dat de Prinses het Paleis had verlaten.

Onder het slaan der trommen, het schetteren der muziek en het klokgelui van alle kerktorens, werden de groote bronzen poorten van de Paleistuinen wijd opengeworpen, en het Blauwe Legioen, met in den zonneschijn flikkerende lansen, zette zich als het hoofd van den stoet in beweging.

De weg was aan weerzijden als met menschen geplaveid. Aan elk venster, op elk dak, op elk balcon vertoonden zich toeschouwers. Heel Czernovië was er; iedereen had zich voorgenomen een plaats te veroveren. Waar maar een voet staan kon, had zich iemand opgesteld, op kroonlijsten, voetstukken van standbeelden, in lantarens, boomen en telefoonpalen.

Zabern maakte bij zichzelf de opmerking, dat er in geval van nood toch nog heel wat mannen te wapenen zouden zijn, en onder het rijden zat hij zelfs al een plan in die richting uit te werken.

Zoodra Elizabeth verschenen was, had men haar met geestdriftig gejuich begroet. De jubelkreten rolden, zich als golven voortplantend, langs de boulevard, stegen omhoog, en waren bijna luid genoeg om in het kamp van den Czaar gehoord te worden. Zoo groot was het enthousiasme, dat de troepen die den weg hadden afgezet, de menigte slechts met de grootste moeite konden weerhouden naar haar toe te snellen.

De vijanden van de Prinses, trouwens zelf onder den indruk der liefelijke verschijning, droegen wel zorg hun gevoelens te onderdrukken. Eenvoudig in witte zijde gekleed, maakte Elizabeth in alle opzichten een vorstelijken indruk. Haar donker haar was onbedekt, slechts een smalle gouden diadeem omsloot het, terwijl een doorzichtige kanten sluier achter langs het hoofd afviel.

De rit naar de kerk was een onafgebroken triomftocht, die door geen enkel voorval van vijandigen aard werd verstoord.

"Zullen we dus hier de ontknooping moeten afwachten?" mompelde Zabern, toen de stoet het kerkgebouw naderde, welks muren dreunden van orgelklank en klokgelui.

Zij, die de kerk mochten binnengaan, hetzij door hun aandeel in de plechtigheid, hetzij door een voorrecht, verbonden aan hun betrekking, zochten door verschillende deuren de hun aangewezen plaatsen op.

Toen Zabern op de breede, met rood fluweel belegde treden stond, en de groote menigte daarbuiten overzag, werd zijn aandacht plotseling getrokken door een ruiter, die aan het andere einde van de boulevard, door niets in zijn rit belemmerd, met groote snelheid kwam aanrijden, ondanks de kans om op het gladde asfalt te storten, zijn paard steeds tot meer spoed aanzettend.

"Een koerier!" riep het volk, bij ingeving begrijpend dat hij gewichtige tijding bracht. "Wat is er? Wat is er?"

Maar de ruiter antwoordde niet.

"Nikita!" mompelde de Maarschalk verwonderd.

Toen het trillende paard aan den voet der kerktrap stilstond, snelde Zabern zijn ordonnans tegemoet.

"Het St. Nicolaas-klooster is bezet, Maarschalk!"

"Onmogelijk! Ik gaf gisteravond laat speciale orders voor de bewaking van 't klooster!"

"Het is zoo. De monniken, zwijgen. De Russische vlag waait van den toren."

"Maar wie heeft je dien onzin verteld?"

"Ik heb het gezien, Maarschalk. Generaal Trevisa zendt me."

"De postduif, Nikita!" zei Zabern somber. "Dat is het begin van Russische overheersching. Maar waar zijn de monniken, waarom hebben ze den brand niet in het kruit gestoken, als Trevisa zijn plicht niet wist te doen?"

"Ik weet het niet, Maarschalk. Ik bracht een bericht van een der voorposten over, toen de generaal Trevisa mij gelastte u te melden dat het klooster door de Russen bezet is. Ik zag de Paulovski-Garde de uitgangen bewaken. Baron Ostrova, de vroegere Secretaris van den Hertog, gaf bevelen. Generaal Trevisa maakte zich gereed met duizend man het klooster te hernemen; zijn artillerie rijdt op om een bombardement te beginnen."

"Onzin," mompelde Zabern. "Salongeneraals, die Czernoviërs! We hebben hard behoefte aan een flinken oorlog."

Toen keerde hij zich om en wenkte een der ordonnans-officieren der Prinses.

"Wees zoo goed den luitenant-generaal Trevisa te verzoeken, het bevel aan den generaal-majoor Elling over te dragen, en zich naar het Paleis te begeven, waar hij wachten zal op mijn terugkomst. De nieuwe commandant moet in stelling blijven en niets doen vóor men hem aanvalt. Deze soldaat zal u den weg wijzen. Dank u."

Nikita en de ordonnans-officier zetten hun paarden om, en een seconde daarna sloegen de hoeven der rennende dieren de vonken uit het asfalt. Verbaasd keek de volksmenigte hen na.

Zabern verbeet zijn woede. Het kostte hem moeite niet onmiddellijk naar de grens te rijden en het commando op zich te nemen. Maar zijn tegenwoordigheid in de kerk was noodzakelijk; het werd zelfs hoog tijd naar binnen te gaan.

Toen Zabern de kerk wilde binnengaan, ontmoette hem de Opper-Ceremoniemeester, die met de regeling der plechtigheid belast was geweest.

"Maarschalk, de kerk is overvloedig vol, en toch staan er honderden te wachten aan de noorderpoort, die roepen om binnengelaten te worden en van geldige toegangsbewijzen voorzien zijn."

"Dat hebt u dan heel slecht geregeld."

"Neen, Maarschalk. Het aantal uitgegeven kaarten komt juist overeen met het aantal zitplaatsen."

"Zoo!" zei Zabern. "Dus u wilt zeggen, dat er eenige honderden menschen binnen zijn, die daar geen recht op hebben?"

"Juist, Maarschalk. Een groot deel van de kerk is gevuld met menschen, van wie ik zeker weet dat ze niet uitgenoodigd zijn, en die zich dus van valsche toegangskaarten hebben voorzien. Het zijn voorname inwoners van de Russische wijk."

"Wel, wel!" mompelde Zabern. "Dus nu 't ze niet gelukt is zich met Lipski's geweren te wapenen, gaan ze 't op een andere manier probeeren."

"Sommigen zijn in uniform, anderen in galacostuum, maar bijna allen zijn ze gewapend. Wanneer ik tracht ze te doen verwijderen, ontstaan er ongetwijfeld ernstige botsingen. Wat moet ik doen?"

"Voorloopig niets. We moeten wanorde trachten te voorkomen. Houden ze zich kalm--des te beter; willen ze geweld uitoefenen, dan krijgen ze met Zabern te doen."

"En de menschen aan de noorderpoort?"

"Zullen daar wel moeten blijven," zei Zabern, de schouders ophalend.

Hij ging de kerk binnen.

Het tooneel daarbinnen verblindde zelfs hem. De rijke toiletten der dames en de schitterende uniformen der heeren vormden een van kleuren gloeiend geheel; overal glansde goud en flonkerden edelgesteenten.

Toen Zabern langzaam zijn plaats opzocht, ontgingen hem enkele spottende blikken van de zijde der Russograders niet. Klaarblijkelijk hadden ze kwaad in den zin; maar hun aantal was geringer dan dat der aanwezige patriotten, en een enkel woord was voldoende om duizend geweerloopen op de kerk te richten. Zabern beangstte zich dus niet over hun aanwezigheid.

Op een tafel onder den preekstoel lag het Charter, dat slechts bij gelegenheden als deze in het openbaar werd tentoongesteld; aan iedere zijde van de tafel had een zwaar gewapend hellebaardier post gevat.

Een weinig achter die tafel stond een groote eiken stoel, waarin de Prinses zou plaats nemen; links en rechts daarvan, maar iets meer achterwaarts, waren de zetels der Ministers opgesteld.

Terwijl Zabern scherp de onrechtmatig binnengedrongen bezoekers zat op te nemen, de gedachte maar niet van zich af kunnende zetten dat de Czaar zich onder hen bevond, maakte zich een groote onrust van hem meester. Liep alles zooals hij verwachtte, had hij de plannen van den Czaar goed doorzien--dan viel er nog iets--veel misschien!--te redden. Maar dan was de aanwezigheid van Felix noodzakelijk. En Felix bleef weg! Niets wees op zijn tegenwoordigheid of zijn nadering!

Een zijdeur ging open, en Elizabeth trad binnen. Haar blik ontmoette dien van Zabern--ze raadden elkanders gedachten. Ook de Prinses noemde in dit bange uur den naam van Felix,--van hem dien ze misschien nooit zou weerzien!

Elizabeth's bleek, doch vastberaden gezicht verried door geen enkele beweging haar innerlijke ontroering. Blootshoofds, gehuld in een purper fluweelen kleed, met hermelijn omzoomd en glinsterend van parels, doorschreed ze met langzamen, doch vasten tred de kerk, gevolgd door vier kamervrouwen die haar sleep droegen.

De Prinses had haar plaats ingenomen.

De met het godsdienstig gedeelte der plechtigheid belaste predikant herdacht in een korte rede de aanleiding tot en de beteekenis van de kroning; daarna maakte de Kanselarij-Raad, waarin Orloff, die niets meer van zich had laten hooren, door Radzivil vervangen was, zich gereed de Prinses den eed te doen afleggen. De predikant zou daarna in een tweede toespraak de Prinses en het volk gelukwenschen, en daarmee zou de op verlangen van Elizabeth van alle verder vertoon ontdane, zeer eenvoudige plechtigheid geëindigd zijn.

Elizabeth was opgestaan.

Zij trok den rechterhandschoen uit, en, de linkerhand op het Charter leggend, hief zij de twee voorste vingers der andere hand op, gereed om de woorden van den eed uit te spreken, dien Radzivil haar zou voorzeggen.

Op dat oogenblik gebeurde er iets ontzettends.

Radzivil opende den mond tot spreken--daar klonk een stem, als bazuingeluid de kerk doorschallend.... de stem van Orloff:

"Burgers van Czernovië, _het Charter is valsch!!_"

En nauwelijks waren die woorden gesproken, of de Hertog van Bora, als uit den grond opgerezen, stond tegenover de Prinses.

Enkele seconden was het doodstil, als waren alle aanwezigen met verschrikking geslagen. Toen barstte een geweldig tumult los.

De Czernoviërs waren opgesprongen, hun zwaarden vlogen uit de scheeden, en als een oorlogskreet klonk hun:

"Leve de Prinses!"

Maar ook de Moscoviten grepen naar hun wapens, en beantwoordden de uitdaging met een:

"Leve de Hertog van Bora!"

Reeds weerklonk het gekletter der zwaarden, de beide partijen drongen op elkaar in; Zabern gaf een teeken om de Lijfwacht te ontbieden, vast besloten de kerk des noods met geweld te ontruimen.

Maar Elizabeth had haar tegenwoordigheid van geest niet verloren; snel als de gedachte wierp ze zich tusschen de beide elkaar bedreigende partijen, en hief de hand op ten teeken dat ze spreken wilde.

Dit maakte indruk.

Allen waren nieuwsgierig naar hetgeen de Prinses in dit beslissende oogenblik zeggen wilde, en de stilte keerde terug.

"Maarschalk Zabern!" riep zij met een stem, die als muziek klonk na het wilde rumoer van enkele oogenblikken te voren, "hier staat een ontvluchte gevangene--voer hem terug naar de Citadel!"

"Ge bedreigt _mij_ met gevangenschap?" zeide de Hertog met een smalenden glimlach, "Het is aan mij te bedreigen, en aan u te gehoorzamen. Ik kom hier als afgezant van den Czaar!"

Dit woord deed een nieuw tumult ontstaan. Men zag inderdaad, dat de Hertog, gekleed in het groot uniform van Maarschalk der Semenovski-Garde, met aan een blauw lint het kruis der Sint-Andreasorde, hier in het openlijk karakter van Russisch afgezant verscheen.

"Stilte!" gebood de Hertog. "Luistert, wat ik u namens den Keizer aller Russen te boodschappen heb. De Czaar verlangt het bewijs, dat dit Charter echt is. Antwoord mij, Prinses: is dat zoo, of stond ge op het punt als een meineedige trouw te zweren op een document, waarvan ge weet dat het door den Maarschalk Zabern is vervalscht?"

"Dood aan den Maarschalk!" klonk het van Russische zijde, "sleept hem de kerk uit! Leve de Hertog! Weg met de Prinses!"

Maar donderend overstemden de Czernoviërs deze bedreigingen met een duizendvoudig:

"Leve Elizabeth! Dood aan den Hertog!"

Met over elkaar geslagen armen hoorde Zabern dit alles aan, koel, onbewogen. Een verachtelijke glimlach speelde om zijn lippen. Hij begreep dat de toestand uiterst kritiek was; wel kon een enkel woord uit zijn mond de Lijfwacht te hulp roepen, maar hij aarzelde nog, vreezend dat in het bloedig gevecht dat dan ontstaan zou, de Prinses leed zou geschieden. Hij aarzelde, maar zijn uiterlijk verried daarvan niets; vertrouwend op zijn goed gesternte, voelde hij instinctmatig dat hij ook ditmaal een uitweg vinden zou.

De Prinses had opnieuw stilte weten te verkrijgen.

"Maarschalk!" riep ze, plotseling een vreeselijk vermoeden in zich voelende oprijzen, "zeg mij de volle waarheid: is dat stuk het oorspronkelijke Charter van Alexander I?"

Er ontstond een ademlooze stilte.

Aller blikken richtten zich op Zabern. Wat zou hij antwoorden?

Zabern, de man van het oogenblik, begreep dat verdere ontkenning nutteloos zou zijn; de tegenpartij had immers de volledige bewijzen der valschheid.

En, bezwijkend voor haar smeekenden blik die zoo duidelijk zei: "zeg me de waarheid!", antwoordde hij:

"Het is een getrouw afschrift."

Elizabeth begreep het veelbeteekenend antwoord. Zabern had haar doen gelooven, dat het complot van Orloff mislukt en het Charter ongedeerd was. Ongetwijfeld had hij dit met een goede bedoeling gedaan, wetend dat Elizabeth's geweten zich er tegen verzetten zou, zich een kroon te verwerven door middel van oneerlijk verkregen rechten.

Uiterlijk bleef ze onbewogen. Maar deze slag, zoo onverwacht gevallen, had haar des te zwaarder getroffen. Ze wist, dat haar land, dat zijzelf verloren was.

"Ge hoort het, volk van Czernovië," vervolgde de Hertog triomfantelijk, "het Charter is valsch! Maarschalk Zabern, ik, uw vorst, gebied u deze indringster te arresteeren, die zich van mijn troon heeft trachten meester te maken!"

Tot eenig antwoord trok de Maarschalk zijn zwaard.

Deze beweging was het sein tot een rumoer, dat alle beschrijving te boven gaat.