Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 24

Chapter 243,783 wordsPublic domain

"Met het recht, dat de heele wereld erkent: het recht van den sterkste. De diplomatie heeft gefaald--nu zal het kanon spreken. En Prinses, wanneer de Russen onzen grond betreden--?"

"Dan zullen we ze met de wapenen ontvangen!"

"Maar, Hoogheid," zei Radzivil bedrukt, "welke kans hebben wij om ze te verslaan?"

"Een zeer kleine," antwoordde Elizabeth, "maar wat zoudt ge dan willen? Dat ik me op de knieën voor den veroveraar wierp, den slag afwachtend? Nooit! Zoo lang me een man en een geweer overblijft, zoo lang zal ik tegenstand bieden!"

"Wil Uwe Hoogheid het Kabinet en de Kamer niet bijeen roepen?" vroeg de Premier.

"Om naar lafhartige of verraderlijke raadgevingen te luisteren? Neen. Maarschalk, geef onmiddellijk bevel, dat onze troepen de grens bezetten. Neem alle maatregelen die ge voor de verdediging van het land noodig oordeelt."

"Wenscht Uwe Hoogheid de kroning uit te stellen?" vroeg Radzivil.

"Alsof we bang waren? Neen. Geen uitstel. Na de plechtigheid zal ik het leger gereed vinden en mij aan het hoofd er van stellen. En nu--te wapen! Een Oud-Hollandsche Republiek valt niet zonder slag of stoot!"

"Het is de geest van Uw voorouders die spreekt," zei Zabern. "Prinses, waarom zijt ge niet als man geboren!"

"Een vrouw die _wil_, Maarschalk, staat in niets achter bij den man!"

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VOORAVOND VAN DE KRONING.

Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog van Bora.--De drie verraders geknipt.

De toebereidselen tot de kroning waren gereed; de laatste vlaggestok, de laatste eereboog was opgericht; de stad was vroolijk versierd met bloemen en kleurige lampions.

Vreemdelingen en landvolk uit de omgeving liepen bewonderend door de stad, en telkens werd Elizabeth door hun geestdriftige kreten op het balkon geroepen.

De vroolijk-versierde stad vormde een vreemde tegenstelling met de komende onheilen. Elizabeth voelde dat:

"Zoo heeft menige stad er uitgezien aan den vooravond van haar val," sprak ze bij zichzelf, zich steeds ongeruster makend over de inkomende berichten, en verwonderd, neen beangst door het uitblijven van elke tijding betreffende Felix. Wanneer hij een plan had tot redding van Czernovië, dan was 't nu tijd dat uit te voeren!

Elk uur brachten koeriers haar tijding aangaande de bewegingen bij de grens. Vroeg in den morgen was het Russische leger opgebroken, het lag nu ongeveer een mijl van de grens. Telkens reden Kozakken, op hun vurige kleine paarden, in galop uit de linie, de Czernovische schildwachten door hun kreten als het ware tot vuren uitlokkend. Op heuveltoppen zag men Russische officieren staan, die door hun kijkers het omliggende terrein waarnamen.

Twee boden, door Elizabeth afgezonden om in het Russisch kamp de reden van dit alles te vragen, waren niet teruggekomen.

Men was in Czernovië gereed. Twaalfduizend man hadden de grensforten en hun tusschenliniën bezet, elk kanon stond gereed de toegangswegen tot Czernovië te bestrijken. De overige achtduizend man moesten in Slavowitz blijven, daar Zabern elk oogenblik gereed wilde zijn het te verwachten oproer te onderdrukken.

Het was een spannende tijd. Vijanden binnen en buiten; een leger, dat in aantal verreweg het eigen overtrof, lag zoo dicht bij de grens, dat elk bij toeval of door kwaadwilligheid afgegaan schot de vijandelijkheden kon openen.

Elizabeth overdacht dit alles in een sombere stemming, toen zij bericht ontving dat de Hertog van Bora in het Paleis was en haar verzocht te spreken. Ze was op zijn komst niet onvoorbereid, en haar gelaat stond vastbesloten toen zij de trap afging naar het Witte Salon, waar de Hertog wachtte.

Onderweg kwam zij Zabern tegen.

"De Hertog is er!" fluisterde zij.

"Alles is gereed," antwoordde de Maarschalk.

Toen Elizabeth de Witte Zaal binnenkwam, boog de Hertog met een glimlach van kwalijk verborgen triomf. Hij voelde zich volkomen veilig bij de gedachte, dat de Russen in de nabijheid waren, en hij kwam nu als een soort veroveraar zijn voorwaarden stellen, meenend de Prinses onderworpen en geheel onder den indruk der gebeurtenissen te vinden. Maar het spel dat hij speelde, bewees wel dat zijn diplomatieke gaven niet zeer groot waren.

"Ik ben gekomen," begon hij, zonder zich door haar koel optreden te doen afschrikken, "om u aan een belofte te herinneren die ge mij zoo dikwijls deed--de belofte om mijn vrouw te worden."

Elizabeth antwoordde niet, zag hem alleen met een verachtelijken blik aan.

"Het is waar," vervolgde Bora luchtig, "dat ge mij op dat punt uw zoogenaamde eindbeslissing eenigen tijd geleden al meedeelde. Maar de loop der gebeurtenissen doet een mensch zoo vaak zijn aanvankelijke besluiten herroepen."

"En waarom meent ge, dat de gebeurtenissen dit thans zouden doen?"

Bora glimlachte geheimzinnig:

"Ik wil alleen zeggen, dat ge u een weigering van mijn aanzoek zeer zult berouwen."

"Ge ontwijkt mijn vraag. Dan zal ik ze beantwoorden. Gesteund door den Czaar, hoopt ge over Czernovië te regeeren. Niet mij--mijn positie alleen wenscht ge te bezitten. Ge streeft naar den troon van Czernovië, wel wetend dat ge die het zekerst en het rustigst zult bezitten door mij tot uw vrouw te maken. Heb ik uw lafhartige drijfveeren goed doorzien?"

De Hertog zag nu zijn dwaling in; hij had verwacht de Prinses angstig en onderworpen te vinden; in plaats daarvan maakte haar streng optreden hem eenigszins ongerust. Hij deed echter een laatste poging om haar vrees aan te jagen, en zei trotsch:

"U wijst mijn aanzoek af? Goed! Dan is dit onderhoud geëindigd."

En na een vluchtigen groet ging de Hertog naar de deur. Elizabeth bewoog zich niet, liet hem rustig gaan. Hij rukte driftig de deur open, maar deinsde op het zelfde oogenblik terug: de mondingen van drie revolvers hadden hem aangegrijnsd.

Snel sloot hij den toegang tot de Witte Zaal weer.

"Dat is verraad, Prinses!" riep hij woedend. "Dat is sluipmoord! Laat me door!"

En, om zich heenziend, snelde hij naar de breede glazen tuindeuren, waardoor men het terras bereikte. Hij had den deurknop nog niet gegrepen of vier grenadiers kruisten de bajonetten en versperden hem bij voorbaat den doortocht.

"Ga zitten, Hertog, doe toch geen vergeefsche moeite," zei Elizabeth kalm. "Er zal u geen kwaad geschieden; ik wensch slechts dat ge wachten zult tot ik uitgesproken heb."

Onwillig nam de Hertog weer plaats.

"Waarom," vroeg Elizabeth, "hebt ge me sedert een jaar met betuigingen van liefde, met huwelijksaanzoeken beleedigd?"

"Beleedigd? Waartoe dat woord?"

"Omdat ge intusschen in 't geheim met mijn vijanden samenspande."

"Ge hebt naar de woorden van Zabern geluisterd!"

"Neen--naar die van Lipski. Ge schrikt--en ge hebt er reden toe. Zooeven, Hertog, heeft de Regeering Lipski's woning doen overvallen. Dat wist ge niet! Zijn kelders bleken duizenden wapens te bevatten, in zijn kamers vergaderden Russische agenten, waaronder de spion Russakoff. Lipski heeft alles bekend."

"Wat bekend?" vroeg Bora, als door een bliksemstraal getroffen bij het vernemen van dit onverwachte nieuws.

"Bij voorbeeld dit:

"Ongeveer een jaar geleden stichtte hij een nieuw blad, de Kolokol. Het kweet zich zoo goed van zijn anti-regeeringsgezinde taak, dat in korten tijd tweedracht werd gezaaid waar vroeger rust en eenheid was. De Russen en andere vreemdelingen, vroeger even aanhankelijk als de Czernoviërs, zijn onder den invloed van dat opruiende blad vijanden van het Gouvernement geworden. En wie was de eigenaar van dat blad? Wie betaalde het? Wie gaf de strekking aan? Gij--Alexander Bora!"

"Dat heeft Lipski gelogen!"

"We zullen zien. U zult de gelegenheid hebben hem dat persoonlijk te zeggen. Is het ook een leugen, dat de Kloosterwet uw medewerking had? Dat ge de afgevaardigden trachtte om te koopen met het goud van Orloff?"

"Leugens!" mompelde de Hertog, meer en meer verslagen.

"En het complot om het Charter te vernietigen? Op uw verzoek vroeg Orloff goedkeuring op dat plan van de Russische Regeering. Gelukkig mislukte het door de waakzaamheid van Zabern," zei Elizabeth, niet wetend dat de Maarschalk haar van dit voorval nooit de juiste toedracht had verteld.

De Hertog zag angstig om zich heen. Hij zou in staat geweest zijn Elizabeth te dooden, als hij daardoor had kunnen ontsnappen, want hij wist dat zijn verraad nu bekend was, en dat de gevangenis hem wachtte. Maar Elizabeth zag hem zoo doordringend aan, dat hij geen beweging maken durfde.

"Er is nog meer!" ging ze voort. "Mijn Secretaris, mijn trouwste en aanhankelijkste onderdaan en vriend--hij werd op uw aanstoken vermoord. Russakoff werd er voor betaald door Lipski--vierhonderd roebels ontving hij. Ontken het niet--onlangs heeft Katina Ludovska aan Lipski's stem den man herkend die Russakoff in haar vaders herberg tot de misdaad omkocht. Met _uw_ medeweten! Het cijferschrift mocht niet opgelost worden! En nu--volg me. Hier zijn uw medeplichtigen."

Elizabeth had een zijdeur geopend, en daar zag hij Lipski en Russakoff, door een afdeeling soldaten bewaakt. De Hertog trachtte niet langer te ontkennen; zwijgend en gebroken hoorde hij de Prinses aan.

"Dat was dus uw plan--Russograd te wapenen, barricaden op te werpen, en wanneer het Gouvernement zou trachten den opstand te dempen, den Czaar te verzoeken hulp aan de onderdrukte Moscoviten te verleenen! En de Czaar zou zijn hulp niet weigeren: Bora op den troon, en de Prinses tusschen twee mogelijkheden geplaatst: hem te trouwen, of--haar verdere levensjaren te slijten op het fort Schlüsselburg, in de grijze wateren van het Ladoga-meer. De uitvoering van uw programma is verijdeld. En ge zult niet opnieuw beginnen."

Elizabeth drukte op den knop van een electrische schel, en Zabern kwam binnen, gevolgd door een afdeeling grenadiers. Vijf minuten daarna werden de drie verraders met geboeide handen in een gesloten wagen naar de citadel gevoerd.

Eerst daarna, maar zooals we zien zullen, nog niet te laat, vond ze gelegenheid Zabern met de bedreigingen van Ravenski in kennis te stellen.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZABERN EN RAVENSKI.

Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van de Citadel.

Op dienzelfden dag vóor de Kroning, den 14en September 1902, had er in het studeervertrek van Ravenski, die even als de andere Ministers over drie appartementen van het Paleis voor eigen gebruik beschikte, een bijeenkomst plaats tusschen dezen titularis en den portier van het St. Nicolaas-klooster, Melchior Obrowitch.

Terwijl het verwerpen van de wet-Lipski de aandacht van de kloosters had afgeleid, was Ravenski in stilte voortgegaan het geheim uit te vorschen, dat naar zijn vermoeden achter het zoo in de gunst der Prinses staande St. Nicolaas-klooster lag verborgen. Door middel van geld en beloften had hij den bovengenoemden Melchior, een uitgeweken Rus, die jaren geleden door Ravenski's invloed tot portier was benoemd, voor zich weten te winnen, en deze had hem sinds lang op de hoogte gehouden van allerlei gebeurtenissen in het klooster, welke het vermoeden wekten, dat daar politieke samenkomsten plaats hadden. Ja, meer dan dat: het aantal kisten, zoogenaamd levensmiddelen, meubelen, kleederen of iets dergelijks bevattend, dat den laatsten tijd het klooster was binnen gebracht, had den portier verwonderd, en de omstandigheid dat men hem al eenige maanden geleden den sleutel der kelders had ontnomen, en die aan de bewaring van een der monniken toevertrouwd, deed hem gelooven dat in die kelders nog andere dingen verborgen lagen dan vaten wijn en brandstoffen.

Ravenski was met al deze inlichtingen zeer ingenomen, maar vooral deed het hem genoegen dezen avond van Melchior te vernemen, dat hun vermoeden, als zou het Charter van Czernovië wel degelijk verdwenen zijn, zekerheid geworden was. Ravenski had dus de Prinses niet op ijdele gronden met de openbaarmaking van dat geheim bedreigd. Ravenski had zich namelijk, den dag na dien, waarop Orloff als gezant ten Paleize was geweest, met dezen in verbinding gesteld, getrouw aan zijn aard alle middelen aangrijpend die hem voordeel konden bezorgen. En zijn vermoeden, dat er met het Charter iets niet in den haak was, vond weldra bevestiging. Zoodra hij zijn diensten Orloff aangeboden had, ontstond het begin van een levendige briefwisseling tusschen die beide mannen, en Ravenski kwam te weten, dat er volgens Orloff's inlichtingen wel degelijk een papier was verbrand dat den inhoud vormde van den ijzeren koffer die het Charter moest bevatten. Een afgesproken signaal met een blauwe lantaren had hem immers die zekerheid gegeven. Na de verklaring van Zabern omtrent de overbrenging van het Charter naar de Czernovische Bank, was Orloff echter verlangend te weten te komen of dus inderdaad slechts een copie was vernietigd, dan wel of Zabern een handig verzinsel voor waarheid had doen gelden.

Onvermoeid had Ravenski dit nagespeurd, en hedenavond bracht Melchior, zijn handlanger, hem de zekerheid dat het Charter niet meer bestond!

"Ik ben daarvan om twee redenen overtuigd," zei Melchior. "De eerste is deze. Een paar dagen geleden bracht een meisje uit den omtrek, Katina Ludovska, een bezoek aan het klooster-museum. Dit is op zichzelf niets bizonders; vele vreemdelingen, en ook landgenooten, vooral studenten en andere mannen der wetenschap, bezoeken dit museum, dat zeer merkwaardige boeken en perkamentrollen bezit, van belang voor de geschiedenis van kerken en kloosters. Terwijl ik Katina rondleidde, trof het mij, dat ze herhaaldelijk stilstond voor een document, dat de eigenhandige naamteekening van Czaar Alexander I draagt; telkens bekeek ze het met een aandacht die me vreemd voorkwam. Maar het merkwaardigst was, dat, op haar verzoek om dit stuk in bruikleen te mogen ontvangen als hulpmiddel bij een wetenschappelijke studie, de beheerder van het museum, broeder Angelico, dadelijk bereid was het af te staan, ofschoon anders slechts copieën, nooit oorspronkelijke stukken als dit, mogen worden meegenomen.

"Dienzelfden dag ging ik Katina na; niet alleen overtuigde ik mij, dat ze in allerlei winkels van Slavowitz naar monsters van perkament vroeg, maar ook weet ik dat ze herhaaldelijk door Zabern ontvangen is, en langdurige bezoeken aan zijn studeervertrek bracht. Ziedaar mijn tweede reden.

"Er is dunkt me geen twijfel aan: Zabern liet haar op een copie van het Charter de handteekening van Czaar Alexander namaken, en het stuk, dat gister in de ijzeren koffer naar de kerk werd overgebracht, is een valsch stuk, dat dienen moet om morgen de Prinses den kroningseed daarop te doen afleggen."

"Uitstekend!" riep Ravenski. "Dat zijn inlichtingen die goud waard zijn, en zoo dadelijk gaat een brief, die deze tijding bevat, naar den Czaar. Nu heb ik bewijzen genoeg om de Prinses ten val te brengen. Morgen is Czernovië Russisch grondgebied!"

De portier boog, en op een wenk van Ravenski liet hij dezen alleen.

Onmiddellijk daarna stelde de Minister het gehoorde op schrift, adresseerde zijn brief aan den Czaar, en stak een copie daarvan in zijn binnenzak. Dit gedaan hebbende, leunde hij een oogenblik met gesloten oogen achterover in zijn armstoel, genietend van zijn aanstaanden triomf. Door het geopende venster drongen de vroolijke geluiden der feestvierende Czernoviërs naar binnen, die zich reeds verheugden op den dag van morgen.

Ravenski hoorde het, en met spottenden glimlach zei hij luid:

"Morgen zal uw blijdschap in rouw veranderen!"

"_Wees daar niet te zeker van!_" zei een ironische stem.

De eenige man in Czernovië, dien Ravenski op dit oogenblik het minst verlangde te zien, was Zabern--en toch was het Zabern die gesproken had!

Hevig verschrikt opende Ravenski de oogen, en zag den Maarschalk met over elkaar geslagen armen aan de andere zijde van de tafel staan. Achter hem stond zijn ordonnans, Nikita. Een vrouw, Katina, was bezig de deur van het vertrek zorgvuldig te sluiten. In het besef van het gevaar strekte Ravenski de hand uit naar een bel, die op tafel stond. Maar Zabern was hem voor.

"Geen geluid! of ik schiet je neer!"

"Wat wilt ge van me?!"

"Je leven!"

Ravenski begreep dat Zabern tot geen ander doel gekomen kon zijn; toch gingen deze beide woorden hem als met een schok door het lichaam.

"Ge wilt me dus vermoorden!" hijgde hij.

"Noem het vermoorden. Het is me om 't even. Ik noem 't terechtstellen."

"En mijn misdaad...?"

"Ligt daar!" zei Zabern, snel den brief grijpend, waarop zijn scherp oog het adres gelezen had, en dien ook Ravenski in datzelfde oogenblik trachtte te verbergen.

Zabern scheurde het couvert open.

"Het bewijs van uw verraad. Er behoeft hierover geen woord meer gesproken te worden. Hier is een revolver. Ik geef u de gelegenheid zelfmoord te plegen. Dan zal men ten minste nog denken, dat ge éens in uw leven gevoeld hebt een geweten te bezitten, éens in uw leven wroeging hebt gekend. Het is de eervolste dood dien ik u kan aanbieden."

Ravenski werd lijkbleek.

"Geef me tien minuten slechts," hijgde hij, "tien minuten in de kamer hiernaast."

"Met welk doel?"

"Om--om te bidden."

"Ik zie het nut daarvan niet in," zei Zabern droog. "Nooit kan een leven van gebed uw zonde uitwisschen."

"Vijf minuten maar, opdat ik mijn geweten tot rust kan brengen in deze laatste oogenblikken van mijn leven! Ik smeek er u om."

"Goed. Vijf minuten. Maar in deze kamer."

"Het vertrek hiernaast is een bidvertrek," pleitte Ravenski.

"Willig zijn wensch in, Maarschalk," zei Katina, die het geheele tooneel afschuwelijk vond, en reeds te voren vergeefs gepoogd had Zabern van deze ontzettende terechtstelling terug te brengen.

"Maar dan ontsnapt hij ons!" riep Nikita.

"Ik kan niet ontsnappen. Het bidvertrek heeft geen enkelen uitgang. Het venster is vijftig voet boven den grond."

Zabern, vermoedend dat Ravenski een list voor had, doorzocht het vertrek, doch vond er niets dat kwade vermoedens kon opwekken. Er stond een bidstoel, er hing een enkele lamp; overigens was er niets wat een ontsnapping kon begunstigen.

"Neem uw vijf minuten," zei Zabern. "Maar denk er aan, ik houd u in het oog. Tracht niet te ontsnappen."

Ravenski ging met bevende schreden in het bidvertrek, en knielde neder.

Zabern volgde elke beweging.

"Maarschalk," vroeg Katina, een laatste poging aanwendend om de menschelijkheid te doen zegevieren, "is de gevangenis niet een voldoende straf voor zijn misdaad?"

Zabern schudde alleen zwijgend het hoofd.

"Wie zal trachten den Maarschalk te weerstaan?" zei Nikita, bijgeloovig en onderworpen als hij was.

"_Dat zal ìk!_" zei een stem.

Bij deze woorden zag het drietal elkaar verbaasd aan, want de stem kwam uit het bidvertrek en kon van niemand anders zijn dan van Ravenski. Van de oogenblikkelijke verrassing bekomen, wierp Zabern, een list vreezend, de deur wijd open.

"Maarschalk Zabern," zei Ravenski, "wanneer gij den troon der Prinses wenscht te beschermen, kom dan geen stap nader. Zie goed wat ik hier in mijn hand heb."

Het raam van het bidvertrek, dat te voren gesloten was geweest, stond nu open, en het maanlicht viel op het bleeke gelaat van Ravenski, die voor het venster stond. In zijn rechterhand hield hij een duif, aan wier hals een brief was gebonden. Op dit gezicht bleven de drie mannen onbewegelijk staan, want zij begrepen dat deze vogel een postduif was.

Ravenski's list had dien van Zabern overtroffen, en de Maarschalk vervloekte het oogenblik van toegevendheid, dat hem deze nieuwe moeielijkheden berokkend had.

"Zie je wel," mompelde hij tot Katina. "In de politiek is menschelijkheid een onvergeeflijke fout!"

"Luister!" riep Ravenski, de hand waarschuwend opheffend. "Als ge een voet verzet, laat ik de duif los. Deze brief bevat een copie van dien, welken de Maarschalk zich zooeven toeëigende. De Czaar zal er uit lezen, dat het Charter door Katina Ludovska is vervalscht, en dat het St. Nicolaas-klooster de bewijzen eener Czernovische samenzwering bevat."

"Praat niet te lang," zei Zabern met geveinsde onverschilligheid, "de vijf minuten zijn om."

"Deze duif heeft reeds meermalen in het donker het kamp van den Czaar bereikt," vervolgde Ravenski. "Wanneer ge me nadert, zal ze den weg weten te vinden, en Czernovië is verloren. Beloof me mijn leven te sparen, en ik zweer dat ik van mijn plannen afzie."

Zabern begreep dat er gehandeld moest worden.

"Katina," fluisterde hij, "schiet! Niet Ravenski, maar de duif."

Onmiddellijk weerklonk een schot, gevolgd door een snelle beweging van Zabern om de duif te grijpen. Maar de kogel had den pols van Ravenski geraakt, zijn hand liet het dier los, en dit vloog door het open venster naar buiten. Katina, hoe goed een schutter overigens, had het doel gemist.

"In hemelsnaam, Katina," riep Zabern, als gek geworden naar het venster stormend, terwijl hij naar de duif wees, wier witte gedaante duidelijk tegen de donkere lucht afstak. "In hemelsnaam, schiet!"

De duif, onzeker nog welken weg te kiezen, bewoog langzaam voort in groote kringen, elk oogenblik stijgend. Katina legde aan, volgde den vogel in zijn vlucht, en toen zij zeker scheen van haar schot, haalde zij den trekker over. Een tweede schot weerklonk. Angstig staarde Zabern naar de duif, hopend haar te zien vallen. Katina hield zich reeds gereed naar den Hoftuin te snellen en het dier op te rapen. Maar er fladderden slechts enkele veertjes door de lucht. Katina had opnieuw gemist en in een rechte lijn vloog de duif voort, een oogenblik later achter de boomtoppen verdwijnend.

Met een verwensching liet Katina het wapen vallen.

Maar er was geen tijd tot aarzelen. Van de verwarring gebruik makend, was Ravenski het bidvertrek uitgesneld, naar de deur van zijn zitkamer. Daar trad Nikita hem met uitgespreide armen in den weg, om hem den doortocht te versperren. Maar Ravenski, slechts op lijfsbehoud bedacht, greep met beide handen den zwaren eikenhouten leunstoel, om er Nikita het hoofd mee in te slaan. Hij hief den stoel op--maar Zabern was achter hem. Schuimbekkend van woede, geen oogenblik meer bedenkend dat hij tegenover de buitenwereld den schijn van zelfmoord had willen bewaren, bracht hij den ongelukkige een sabelhouw toe, die hem den schedel letterlijk in tweeën spleet.

"Naar de hel, en zeg dat Zabern je gezonden heeft!"

De kerkklokken lieten de vroolijke melodie hooren, die het slaan der uren voorafgaat. Na een tusschenpoos van plechtige stilte klonk de eerste slag van middernacht.

"De Kroningsdag!" mompelde Zabern.

"Hoor eens hoe ze juichen," zei Nikita.

Uit elk deel der stad, van wijde pleinen en nauwe straten, klonk het steeds aanzwellend gejubel der bevolking. De feestdag was aangebroken!

Met een bitteren glimlach blikte Zabern naar het oosten. De hemel was in die richting roodgekleurd door de talrijke wachtvuren van het Russische kamp--het kamp waarheen de vlugge duif nu haar weg zocht met de voor Czernovië zoo noodlottige tijdingen. Hoe lang nog zou het duren, eer--

Zabern schrikte op.

Boven het juichen der bevolking klonk een onheilspellend, dreunend geluid door de nachtlucht. De losbranding van een enkel, niet ver verwijderd kanon.

Zabern begreep bij ingeving de beteekenis.

"Het kanon van de Citadel!" riep hij, de kamer uitsnellend. "Bij alle duivels--_de Hertog is ontsnapt!_"

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KRONING.

Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.

De morgen van Elizabeth's kroning brak zoo zonnig en zoel aan, dat het bijna onmogelijk was op zulk een mooien dag aan de komst van noodlottige gebeurtenissen te gelooven.

Enkele uren vóor het begin der plechtigheid ontving de prinses haar Ministers, om nog eenige dingen te bespreken.