Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan
Chapter 21
"Daar roert ge, zonder 't te weten, een zeer belangrijke kwestie aan. Oogenschijnlijk richt die wet zich alleen tegen de kloosters in 't algemeen, maar inderdaad is ze op het St. Nicolaas-klooster in 't bizonder gericht. De Russisch-gezinden schijnen te vermoeden, dat de monniken van die inrichting nog andere dingen doen dan zingen. Dat ze dit vermoeden hadden opgevat, bleek me uit het tweede deel van den cijferbrief, die nu ook u duidelijker zal worden. Als de beambten, met de taxatie belast, dat klooster binnengaan, zullen ze niet alleen onzen voorraad goud ontdekken, maar bovendien documenten die onze samenzwering aan 't licht zouden brengen, en meer dan dat: plannen en modellen van Russische vestingen, wapens voor niet minder dan honderdduizend man, springmiddelen en projectielen van de nieuwste vinding, die sinds maanden op allerlei manieren zijn binnengesmokkeld. Vindt men dat alles, dan is natuurlijk bewezen dat Czernovië tegen Rusland complotteert, en het doel van de wet-Lipski is bereikt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de aanneming te verijdelen."
Op dit oogenblik voegde Elizabeth zich bij hen, en dadelijk daarna naderden twee zwarte domino's, in wie Zabern den Premier en Dorislas herkende. Men begroette elkaar, en Zabern maakte de Prinses en Felix aan de beide Ministers bekend.
Radzivil zette zich naast de Prinses, Dorislas leunde met over elkaar geslagen armen tegen de balustrade. Naar het scheen waren beide mannen onder den indruk van het in de Kamerzitting verhandelde, en verkeerden ze in een sombere stemming.
"Heeft Uwe Hoogheid het verdrag met Kossuth geteekend?" begon Radzivil.
"Een uur geleden. De Hongaarsche agent is er mee vertrokken."
"Ik vrees, Prinses, dat op het laatste oogenblik moeielijkheden rijzen. Ge weet wat er in de Kamer is voorgevallen--wanneer we onzen schat verliezen, zijn we zelf verloren."
"De wet is nog niet aangenomen, Graaf. De Czernovische patriotten hebben de meerderheid in de kamer."
"Maar zij beseffen de geheime bedoeling niet van de wet! Zij zullen te goeder trouw vóórstemmen! En het zou te gevaarlijk zijn ons geheim aan tachtig personen mede te deelen, hoe goed ze ons ook gezind mogen zijn. Lipski legde heden avond nog eenige statistieken ter inzage, de waarde der schatten in de verschillende kloosters aangevend. Natuurlijk zijn die denkbeeldig--..."
"Omdat," viel Dorislas in, "Lipski er geen begrip van heeft hoeveel millioenen in het St.-Nicolaasklooster liggen opgehoopt."
"Juist," vervolgde Radzivil. "Uit die statistieken volgt, dat de opbrengst der kloosterbelasting gedurende een geheel jaar alle bestaande rijksbelastingen zou kunnen vervangen. Daar is men natuurlijk begeerig op aangevallen. Ook aan onze zijde zal men vrij algemeen vóór de wet stemmen."
Men zat eenige minuten in zwijgen verzonken, onder den indruk van Radzivil's woorden. Zou die sluwe Lipski nu opeens aan de zoo schoone verwachtingen der patriotten den bodem inslaan? Zou alles vergeefs geweest zijn? Een sombere, neergeslagen stemming maakte zich van die kleine groep onverzoenlijken meester. Alleen Zabern scheen allen moed niet te hebben verloren; een onmerkbare glimlach speelde om zijn lippen, als zag hij een uitkomst, waar de anderen aan redding wanhoopten. Maar hij verried door geen enkel woord zijn geheime gedachten.
"Kunt Uwe Hoogheid niet weigeren de wet te teekenen?" vroeg Felix.
"Het Charter verplicht mij elke wet te teekenen, die door de Kamer is aangenomen. Wel kan ik in enkele gevallen weigeren, doch dan heeft de Kamer het recht van beroep op de drie toeziende Staten."
"Kunt ge de Kamer niet ontbinden, en een nieuwe verkiezing uitschrijven?" vervolgde Felix.
"We zouden er niets bij winnen," zei Radzivil, "hoe de meerderheid ook is, Russisch of Czernovisch--de wet behoudt haar zelfde aantrekkelijkheid."
Dorislas, die graag Zabern's middeleeuwsche maatregelen nadeed, stelde voor:
"Laten we doen als Cromwell: op den dag der stemmen worden soldaten achter de zetels der kamerleden geplaatst. Wie niet tegenstemt voelt een bajonet in zijn hals. Ook zouden we enkele leden in de doos kunnen stoppen, totdat de stemming afgeloopen is."
Elizabeth glimlachte.
"Dat zou de rechte manier zijn om de tusschenkomst der drie Mogendheden te bewerken!"
"Is het niet mogelijk," opperde Felix, "alle papieren, schatten en wapens in't geheim weg te voeren?"
"Onmogelijk," zei Dorislas. "Alle kloosters worden door militairen bewaakt. Dat is een zeer begrijpelijke maatregel, dien ik in Lipski's geval ook geëischt zou hebben. Hadden de monniken de gelegenheid hun bezittingen in veiligheid te brengen, dan zou de heele wet een dwaasheid zijn."
Niemand durfde meer een oplossing aan de hand doen, die er trouwens niet scheen te zijn.
"Als de wet wordt aangenomen," zei Dorislas, "zie ik maar éen weg uit de moeielijkheid. De monniken moeten trachten den een of anderen donkeren nacht het klooster in stilte te verlaten, een langzaam brandenden lont achterlatend, waardoor het kruitmagazijn in de lucht vliegt."
"En daarmee zou al onze hoop vervlogen zijn!" zuchtte de Prinses.
"Dat zou 't. Maar bedenk, Hoogheid, wat er gebeuren zou, ook al werden de papieren tijdig verbrand: Rusland zou in het klooster, dat eigenlijk meer een fort en een arsenaal is, een enormen voorraad goud en oorlogsmateriaal vinden. Dat staat evenzeer gelijk met onzen ondergang."
"Het verwondert me, dat de Maarschalk nog niets gezegd heeft," glimlachte Elizabeth. "Dat is het zekere bewijs dat hij over een of ander plan denkt. Zeg ons eens, Maarschalk, denkt ge wezenlijk dat er nog iets te redden valt?"
"Ik ben er vast van overtuigd, Hoogheid," zei Zabern bedaard, en tot groote verrassing der overigen.
"De wet-Lipski zal met groote meerderheid worden verworpen."
"Wat!" riep Radzivil, ongeloovig, en benieuwd naar het door Zabern aan te geven middel, "en hoe wilt ge dat resultaat bereiken?"
"Wanneer ik dat vertel, is alles al van te voren mislukt. Mijn plan eischt absolute geheimhouding."
"Zelfs voor de Prinses?" vroeg Elizabeth.
"In de eerste plaats voor de Prinses," antwoordde Zabern met een eigenaardigen glimlach.
Elizabeth was natuurlijk zeer verwonderd over dit antwoord.
"Ik zal me daarbij neerleggen, Maarschalk, ofschoon u mijn nieuwsgierigheid op een harde proef stelt. Maar u hebt mijn vertrouwen nooit beschaamd--"
"En ik zal 't ook nu niet doen, Hoogheid."
"Dan," zei Elizabeth, terwijl uit de balzaal de muziek van een slepende Hongaarsche wals naar buiten ruischte, "dan mag de Prinses dansen, als Zabern de wacht houdt. Secretaris--uw arm. Ik beloofde u een dans, en ik zal mijn woord houden. Maar wil eerst deze papieren van mij overnemen, Maarschalk; het zou gevaarlijk zijn als ik ze op den dansvloer liet vallen!"
En Elizabeth, den Maarschalk de documenten overhandigend die zij zooeven had ontvangen, ging aan Felix' arm naar de balzaal.
Dit gunstbetoon aan haar Secretaris deed Radzivil en Dorislas een blik van verwondering wisselen, maar eer zij er verder over konden nadenken, werd hun aandacht getrokken door een rumoer van verscheiden stemmen, dat uit de richting kwam tegengesteld aan die welke de prinses had ingeslagen.
De drie Ministers zagen een groep gemaskerden op zich toekomen, dames en heeren, in fantastische costuums gekleed, en blijkbaar in de vroolijkste stemming, daar ze luid lachten en praatten.
"Wie is dat nu?" vroeg Radzivil, naar een forschgebouwde gestalte wijzend, die als Peter de Groote was gekleed.
"Een barbaar, die een anderen barbaar naäapt," zei Zabern, den bedoelden persoon herkennend.
"De Hertog van Bora?"
"Juist, en omringd door zijn gunstelingen en satellieten, juichend om het onbetwijfeld succes van Lipski's wet, waarvan ze den val der Prinses verwachten. Laat ze lachen. Over enkele dagen zullen ze huilen. We zullen onze maskers afdoen en ze aan het praten brengen; ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben."
Toen de Hertog en zijn vrienden naderden, ontmaskerde het drietal zich. Bora herkende hen en kwam naar hen toe, blijkbaar zich spitsend op de verslagenheid der Ministers.
"Dat is een leelijke knauw voor de Prinses, Maarschalk," zei de Hertog brutaal, terwijl hij een sigaret opstak. "De wet-Lipski gaat er zeker door." I
"Door? O heden neen. Niets daarvan!" zei Zabern allervriendelijkst.
"Wat?" riep Bora, onder het gelach van zijn aanhangers. "Denkt u dat ze allemaal zullen stemmen als u? Zelfs de heftigste patriotten zijn er vóor!"
"Zoudt u denken?" vroeg Zabern koeltjes. "Het Huis zal voltallig zijn, honderdtwintig leden. Nu, ik waag me aan de voorspelling, dat er een getal van zeventig leden zal gevonden worden om de wet te verwerpen."
"Dus met twintig stemmen meerderheid voor het Ministerie?"
"Juist. Twintig stemmen."
Bora lachte luidkeels.
"Ik zou wel eens willen weten, wat u daaronder verwedden wilt!"
"Elke som die u wenscht te noemen."
"Ik zet vijfduizend roebels tegen!" zei de Hertog.
"O, Uwe Genade! Als u zoo zeker is van uw slag, geef uzelf dan een grooter kans," zei Zabern bescheiden.
"Wel, dan verdubbel ik het bedrag. Tienduizend roebels, dat de tegenstemmers beneden de zeventig blijven."
"Dezelfde som, als het Ministerie geen zeventig stemmen aan haar kant heeft!"
"Aangenomen!"
"Dat zou ik wel graag op papier hebben," zei Zabern.
Terwijl ten overstaan der wederzijdsche getuigen de overeenkomst op schrift werd gesteld, richtte Radzivil zich op verontwaardigden toon tot den Hertog.
"En u gaat dus een weddenschap aan op een maatregel, waarvan u weet dat hij de Prinses onaangenaam is?"
Bora haalde de schouders op.
"Och, over deze wet kunnen de beste vrienden van meening verschillen. Denk er aan," zoo wendde hij zich opeens tot Zabern, "dat er niet ondershands gewerkt moet worden om de wet te doen vallen, of mijn weddenschap wordt krachteloos verklaard. Geen omkooperij van de zijde van het Ministerie."
"Omkooperij laten we aan Lipski over, en aan zijn lastgever Orloff," zei Zabern. "Of moet ik 't in het meervoud zeggen: zijn lastgevers?"
Bora maakte even een verschrikte beweging.
"Ge ziet, waarde Hertog," zei Zabern luchtig, "dat we op de hoogte zijn van wat er achter de schermen omgaat. Orloff trekt aan de touwtjes in zijn paleis te Warsim, en de poppen in de Kamer van Slavowitz dansen. De volgende week zult ge _mij_ aan de touwtjes zien trekken!"
De Hertog werd eenigszins ongerust door de zekerheid waarmee Zabern sprak, en de juistheid waarmee hij scheen ingelicht. Zou die man opnieuw over hem triomfeeren?
"Ge durft heel wat zeggen, Maarschalk," sprak hij dreigend, "maar ik denk dat ik mijn roebels zal winnen!"
Met deze woorden ging hij heen, door zijn gezelschap gevolgd.
Toen hij weg was, keerde Radzivil zich tot Zabern, en zei verschrikt:
"Het lijkt wel of die Hertog uw beste vriend is! u verraadt hem alles. Hoe durft u zoo openlijk met hem spreken!"
"Omdat ik zoo zeker van mijn zaak ben," zei Zabern kalm. "En ge weet, ik houd niet van geheimzinnigheid in de politiek. Ja, ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik de Prinses hedenavond een besluit heb doen teekenen, waarbij de gevangenisstraf, die den Hertog morgen door de rechtbank voor die duelkwestie wordt opgelegd, bij wijze van gratie wordt veranderd in vervallenverklaring van zijn waardigheden als Minister en als Legercommandant. We kunnen nu openlijk optreden. We zijn niet bang meer voor Rusland, en we behoeven den Hertog niet meer te sparen. Ook heeft de Prinses hem heden middag ronduit medegedeeld, dat zij onherroepelijk van een huwelijk met hem afziet. Dat verbaast u, heeren? U zult u nog veel meer verbazen. De 15de September zal de val van Bora zijn."
"De 15de September?" zei Dorislas. "Dat is immers de kroningsdag van de Prinses?"
"Juist," antwoordde Zabern, "de kroningsdag van de Prinses, de sterfdag van den Hertog, de bevrijdingsdag van Czernovië."
Radzivil en Dorislas zwegen verbaasd, zóoveel orakeltaal ging hun verstand te boven.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN MOORDAANSLAG OP DE PRINSES.
Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een brief.--
De dag, waarop in de avondzitting der Kamer over het lot der wet-Lipski zou beslist worden, en mogelijk dus ook over het lot van Czernovië, viel toevallig samen met de jaarlijksche wapenschouwing over het Czernovische leger.
Deze revue had plaats op een groote vlakte, eenige mijlen buiten Slavowitz, en werd door de Prinses zelf gehouden.
Reeds in den vroegen morgen was men algemeen bezig zich voor te bereiden voor dit feest. Het was gewoonte dat bijna de geheele bevolking de revue kwam bijwonen, terwijl zij die 't zich veroorloven konden in rijtuigen, en voorzien van eet- en drinkwaren, naar het veld reden. Men mocht dus terecht van een feest spreken.
Ook Rob, die verlangend was dit militair schouwspel van naderbij te bezien, stak zich al tijdig in de kleeren, bij zichzelf berekenend hoe hij het meest van den dag zou kunnen profiteeren. Juist wilde hij op weg gaan, toen een bediende--Rob logeerde nog steeds in het Hotel Czernovië--hem berichtte, dat een lakei hem, namens den Maarschalk Zabern, verzocht in het Paleis te willen komen. Benieuwd wat de Maarschalk verlangde, haastte hij zich naar het Paleis en verzocht den commandant der wacht, hem bij den Minister van Justitie te doen aandienen.
Enkele oogenblikken daarna stond hij in het studeervertrek van den Maarschalk. Deze was bij zijn binnenkomst opgestaan, en kwam hem nu tegemoet, hem vriendelijk de hand reikend. Nadat hij hem verzocht had plaats te nemen, zei Zabern:
"Meneer Rensma, ik voel behoefte u nogmaals mijn dank te betuigen voor de diensten, die u het land bewezen hebt door uw krachten met zulk succes aan de oplossing van het cijferschrift te beproeven. Zooals u weldra ervaren zult, hebt u daarmee een nog verdienstelijker werk verricht dan u zelf wellicht vermoedt. Het zal u later duidelijk worden waarom ik juist vandaag behoefte gevoel u dien dank te brengen. Er is bovendien meer wat ik in u meen te moeten prijzen. Ik heb herhaaldelijk uw handelingen gadegeslagen, en daarbij met vreugde waargenomen, dat ge alles in het werk stelt om Czernovië te leeren kennen en een goed Czernoviër te worden."
Hier merkte Rob bescheiden op, dat hij dit zeker niet had kunnen doen zonder de hulp van den Maarschalk, die hem in staat had gesteld zich nader te bekwamen als schutter en schermer, die de manége en het stalpersoneel van het Paleis voor hem beschikbaar had gesteld om zich in het paardrijden te oefenen, die hem toegang had verschaft tot alle museums en andere inrichtingen van wetenschap en kunst in Slavowitz--kortom, zonder wien hij nooit had kunnen doen waarvoor hij nu lof oogstte.
De Maarschalk vervolgde:
"Ik heb naar een middel gezocht om uw ijver en uw toewijding te beloonen, en ik meen dat middel gevonden te hebben in het volgende. Mijn werkzaamheden nemen met den dag toe; ik heb steeds hardnekkig geweigerd daarbij hulp aan te nemen, ten deele ook omdat ik in de meesten mijner politieke aangelegenheden geen vreemde oogen wensch toe te laten. Het werk overstelpt me echter; daarom--wetende dat ik op uw stilzwijgendheid kan rekenen--noodig ik u uit de benoeming tot mijn Particulier Secretaris te aanvaarden."
Rob kon zijn ooren nauw gelooven. In den mond van een man als Zabern namen zulke woorden een zeer belangrijke beteekenis aan, en hij wist niet wat hij tegenover zulk een groote onderscheiding doen moest. Hij stamelde zijn dank en drukte de hoop uit, dat hij aan het gestelde vertrouwen zou kunnen voldoen.
"Aan dat laatste twijfel ik niet!" zei Zabern lachend. "Wanneer ik je niet vertrouwen kon, waarde Secretaris, had ik dat al lang gemerkt. Mijn spionnen hebben je nader op de hielen gezeten dan je zelf ooit wist."
En op een vragenden blik van Rob vervolgde Zabern:
"Ik ga nooit over éen nacht ijs. Zoolang jij en je vriend hier zijn en ik de overtuiging had dat jullie me van nut konden worden, heb ik je beiden duchtig laten bewaken. Voor je deur heeft dag en nacht een van mijn agenten gestaan. Toen ik je het cijferschrift in handen had gegeven, zou elke verdachte beweging je den hals hebben gekost! Ja--de oude Zabern is nu eenmaal 'n gevaarlijk heer om mee om te gaan. Maar als je 't tot z'n Secretaris hebt gebracht--och, dan zal z'n gevaarlijkheid je nog wel meevallen. Maar we verpraten onzen tijd. Er is een plaats voor je in een rijtuig, dat met den stoet van de Prinses meegaat. Hier is het bewijs, dat je aan den ceremoniemeester moet laten zien, dan is alles in orde. En hier--je benoeming tot Secretaris, steek die in je zak. Ik had er maar op gerekend dat je het zou aannemen. Een uniform krijg je ook nog, alleen 'n beetje minder mooi dan die van Van Heelstra. Ja, ja--'t is goed, hoor; bedank me maar niet. 't Is hoog tijd om te vertrekken."
Tien minuten daarna had Rob het rijtuig gevonden en zette de stoet zich in beweging naar het paradeveld.
De revue was een schitterend schouwpel, en Felix gaf, tot ingenomenheid der Prinses, telkens zijn bewondering te kennen.
Een eigenaardig en beteekenisvol onderdeel van dit schouwspel vormde het St.-Nicolaasklooster, welks achterzijde op de vlakte uitzag. Elizabeth's landauer stond bijna in de schaduw van zijn grijze Gothische torens.
Het gezang der monniken, sinds jaren onafgebroken, was duidelijk te hooren, al mengde het zich met de krijgshaftige geluiden daarbuiten. Om het klooster liepen langzaam de schildwachten heen en weer, de Prinses toonend dat er op dit oogenblik een macht bestond, waarvoor haar wil moest buigen. Deze gedachte stemde haar somber, niettegenstaande Zabern's verzekeringen dat alles goed zou afloopen; hoe ze ook zon, ze begreep niet welke maatregelen hij genomen kon hebben om de wet te doen vallen. Naar haar overtuiging bestond er maar éen middel: de patriottische afgevaardigden in het geheim te nemen, en hen de reden mee te deelen waarom de Prinses de wet wilde zien vallen, hoezeer deze oogenschijnlijk in het belang van Czernovië was. Maar zou een geheim, aan zeventig personen bekend, nog een geheim zijn? En bovendien: mocht de gezindheid dier zeventig mannen van elk hunner als onverdacht beschouwd worden?
Niets had gedurende deze week de meening gewijzigd, dat de Kamer omtrent de wet van gedachten zou veranderen; integendeel bewees de toon der debatten dat er slechts een zeer klein aantal tegenstemmers zou zijn.
Geen wonder, dat Elizabeth, ofschoon zij elk regiment dat voorbij marcheerde met een glimlach begroette die aller harten won, een vreesaanjagende moedeloosheid voelde bij de gedachte aan den komenden avond.
Toen de revue geëindigd was, nam de Prinses met haar gevolg den terugweg aan. Felix en Radzivil zaten naast elkaar in denzelfden landauer als Elizabeth, terwijl Zabern daarachter reed aan het hoofd van een afdeeling huzaren.
Ongeveer een mijl van de paradeplaats af, was de weg over een grooten afstand met dicht kreupelhout omzoomd. Terwijl het rijtuig voortreed, zagen de voorrijders twee mannen aan den kant van den weg op een omgevallen boomstam zitten. Ze zagen er ruw en armoedig uit, waarschijnlijk kolenbranders of houthakkers; de eene, met een zwarten baard, hield een krant in de handen en las er blijkbaar uit voor, terwijl zijn kameraad, een man met een rooden baard, te luisteren scheen.
Toen de landauer tot op enkele passen van de mannen was genaderd, sprongen zij met verbluffende snelheid op, en men zag dat de roodbaard een revolver in de hand hield. Zijn wapen opheffend, richtte hij het op de Prinses en schoot het zoo snel af, dat de voorrijders zelfs den tijd misten om een kreet te uiten.
Elizabeth had niets van het dreigend gevaar bemerkt, daar ze met den Premier in een levendig gesprek was gewikkeld.
Een schot schoot een struisveer van haar hoed in stukken, een tweede kogel vloog zoo dicht langs haar slaap, dat de wenkbrauw licht geschroeid werd.
Daarna, als ontsteld over de stoutheid van hun daad, en vreezend door de huzaren achtervolgd en gegrepen te worden, keerden de twee mannen zich om, zonder de uitwerking van de schoten waar te nemen, en stortten zich in het kreupelhout, juist toen Zabern's stem een donderend: "Vuur!" commandeerde.
Een twaalftal karabijnen brandde los--maar een seconde te laat.
Felix en Radzivil, die met den rug naar de paarden hadden gezeten, begrepen eerst nu wat er voorgevallen was.
"Prinses, is u gewond?" riep de Premier, die veel verschrikter was dan Elizabeth zelf.
"Neen," antwoordde ze met een zwakke stem, maar glimlachend, "ze hebben me gemist."
"Graaf Radzivil," riep Felix, "blijf bij de Prinses, terwijl ik de schurken nazit!"
De verschrikte jockey's hadden het rijtuig tot staan gebracht; Felix sprong er uit, juist toen Zabern met de huzaren kwam aangaloppeeren, getuigen van een daad die zij niet hadden kunnen verhoeden.
Bemerkend dat de boomen te dicht opeen stonden om de paarden door te laten, sprongen zij uit den zadel, en snelden Felix achterna, die nu in het kreupelhout was verdwenen. Onder de voorsten behoorden Zabern en Nikita.
Op vrij grooten afstand voor zich kreeg Felix de beide schurken in het oog; ze liepen achter elkaar, en telkens zag Felix ze als kangaroes in de hoogte springen--een omstandigheid waarvan hij spoedig de oorzaak begreep. Want toen hij zijn revolver al loopende op den achtersten man afvuurde, struikelde hij over een verborgen hindernis, en het schot ging de lucht in. Ofschoon duizelend van den val, sprong hij weer op, en zag de beide mannen achter de kromming van een nauw pad, dat ze nu volgden, verdwijnen. Nauwelijks had hij tien passen gedaan, of opnieuw stootte hij op een hindernis en sloeg hij tegen den grond.
De vluchtelingen hadden maatregelen genomen om hun terugtocht te verzekeren. Sterke ijzerdraden, op onregelmatige afstanden en te halver kniehoogte geplaatst, liepen van boom tot boom, en waren door het dichte struikgewas verborgen. Toen Felix dit begreep en ook kangaroe-sprongen begon te maken om over het ijzerdraad heen te komen, hadden de vluchtelingen al een ruimen voorsprong beet.
Even voorbij den laatsten draad splitste het pad zich in drieën, en de hier bijeen gekomen vervolgers stonden een oogenblik stil, om uit te maken welke richting zij kiezen zouden. Het scherpe oog van Zabern ontdekte een lichtkleurig voorwerp, dat eenige passen verder op het linkerpad lag. Het bleek een roode muts te zijn, die de man met den zwarten baard had gedragen, en die met een blikken plaatje, waarop 't portret van den Czaar, versierd was.
"Dan dezen weg in!" riep Zabern.
Men zette de vervolging weer voort; het pad was zoo smal, dat men slechts achter elkaar loopen kon. De grond begon hoe langer hoe weeker en moerassiger te worden. Dat bracht Zabern tot staan.
"Er zijn hier geen voetsporen. We zijn op een verkeerden weg. Terug. De schurken hebben die muts opzettelijk hier neergegooid om ons te misleiden."
Woedend over dit tijdverlies snelden zij terug naar het knooppunt, en terwijl Zabern met Felix en Nikita het rechter pad volgden, namen eenige huzaren, die door hun zware laarzen slechts langzaam vooruit gekomen waren, het middelste.
"Misschien hebben ze geen van deze paden gevolgd," zei Felix onder 't loopen, "en liggen ze ergens in 't bosch verborgen."
"Dat kan; maar laten we eerst de wegen afzoeken; daarna kunnen we nog altijd een cordon om het bosch trekken."
"Maarschalk, zag u het gezicht van den man die vuurde?" vroeg Nikita.
"Niet duidelijk."
"Russakoff, de spion--of ik heet geen Nikita."
"Dat dacht ik eerst ook, maar Russakoff is veel grooter," zei Felix. "Deze twee troffen me juist door hun korte gestalte."
"Toch ben ik er zeker van!"
"Nu, wanneer we ze eenmaal hebben, dan zullen we wel zien wie gelijk heeft."
Na enkele minuten kwamen ze uit op den grooten weg aan de andere zijde van het bosch. Een snelle blik naar rechts bracht Zabern in de hevigste woede.