Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 18

Chapter 183,919 wordsPublic domain

Rob besloot deze theorie te beproeven, namelijk dat 6 de zesde, 42 de twee-en-veertigste letter, enzoovoorts, beteekende.

Groot was zijn vreugde toen hij het volgend resultaat verkreeg:

TABLE

6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21 N i c o l a a s ------

Nicolaas! Dat beteekende ten minste iets.

Op de zelfde wijze voortgaand, vond hij voor de acht volgende cijfers de woorden "stemt toe."

"Waarin stemt Nicolaas toe?" mompelde Rob. "Laat ik daar eens gauw probeeren achter te komen. Het is duidelijk dat ik nu den sleutel in handen heb."

Hij begreep nu, dat het 't beste zou zijn de Eumeniden eerst geheel door te loopen, en bij voorbeeld elke tiende letter met zijn overeenkomstig volgnummer te merken. Als dat gedaan was, zou het ontcijferen verder slechts enkele minuten kosten.

Rob begon dit eentonig werk, dat hem meer dan vier uren in beslag nam, ook omdat hij nu en dan zijn vorige telling moest verifieeren, daar elke fout zich natuurlijk tot het einde zou voortplanten, en verwarring brengen in de uitkomst.

Toen zijn exemplaar van de Eumeniden eindelijk geheel becijferd gereed lag, bedacht hij zich nog met schrik dat misschien wel beschouwd zijn heele werk vergeefs was. De mogelijkheid bestond immers dat de schrijver een andere uitgave had gebruikt dan hij, en er waren meer lezingen dan éen van de klassieken!

Maar gelukkig werd zijn geduld beloond.

Juist toen de Maarschalk en Felix de kamer binnenkwamen, nieuwsgierig naar Rob's onderzoekingen, en hopend dat zij hem met hun laatste ontdekking van dienst konden zijn, stond Rob op en ging hen triomfantelijk tegemoet, het cijferschrift boven het hoofd zwaaiend.

"Ik heb het! Ik heb het!"

"Wel?" vroeg Zabern. Waren het de Furiën?"

"Ze waren het! En ze hebben me op de hielen gezeten bij het werk. Daar ligt het, kant en klaar."

Het was duidelijk, dat de ontcijfering juist was, want het resultaat bestond uit een reeks op zichzelf samenhangende en begrijpelijke zinnen. De beteekenis van het geheel was hun echter geen van drieën recht helder, ten minste niet op het eerste gezicht.

Rob las de oplossing voor, die als volgt luidde:

_"Nicolaas stemt toe. Maak dus spoed. Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden. Bericht daarna. Gezantschap volgt dan._

_"Lipski's wetsontwerp kloosterbelasting goed. Geld langs gewonen weg beschikbaar. Ontdekking voorraden rechtvaardigt annexatie._

_Orloff_."

Bij het zien van de onderteekening had Zabern een onderdrukt gegrom doen hooren, als van een wild dier dat gereed staat zijn prooi te bespringen.

"Orloff! Ik wist het wel!"

Daar het intusschen nacht was geworden, raadde Zabern de beide vrienden aan, rust te gaan nemen. Hijzelf, de man van ijzer, wilde nog eenigen tijd besteden aan de bestudeering van het document; hij nam daarom alle papieren mee, Rob uitbundig lof brengend voor zijn vernuftige oplossing. Felix werd door een lakei naar een drietal ineenloopende, weelderig ingerichte vertrekken geleid, dat op speciaal bevel der Prinses in orde was gebracht; Rob behield de kamer die hij tot nog toe met zijn reisgenoot had gedeeld.

Felix, moe van het schermen, viel onmiddellijk in slaap; Rob kon echter, na zooveel uren ingespannen cijferen, niet dadelijk tot rust komen. Hij had al dien tijd in een gesloten kamer zitten werken, en verlangde naar lucht. Daarom opende hij een venster en leunde naar buiten.

Het was donker, en de lucht was zwaar bewolkt; een windstoot joeg hem eenige regendroppels in het gezicht.

Het venster gaf uitzicht op een binnenhof, waaromheen het paleis hoefijzervormig gebouwd lag. Toen Rob toevallig den blik op den tegenoverliggenden vleugel vestigde, scheen het hem toe, dat zich daar iets of iemand ongeveer halverwege het dak en den grond bewoog. Zijn oogen tot het uiterste inspannend, zag hij dat de donkere vlek, die zich tegen den grijzen muur afteekende, de gedaante van een man was die in de lucht hing: want daar er van een ladder niets te zien was, kwam hij tot de conclusie dat de man aan een touw vastgebonden was.

De gedaante bleef op dezelfde hoogte, en Rob meende hem voortdurend den arm in horizontale richting te zien heen en weer bewegen. Een zacht schurend geluid versterkte hem in de meening, dat de man bezig was de tralies door te vijlen die een der vensters aan de overzijde van buiten beveiligden.

Daar hij zelf niet gezien kon worden, omdat hij het licht in zijn kamer uitgedraaid had, bleef hij de verdachte bewegingen nog eenigen tijd waarnemen. Het leek hem een gevaarlijke onderneming, die daar op touw werd gezet. Klaarblijkelijk leed het geen twijfel of iemand trachtte zich door een der vensters toegang te verschaffen tot het Paleis; de man werd wel is waar door de duisternis en door het geruisch van wind en regen begunstigd, maar hij kon elk oogenblik verrast worden door de nachtelijke ronden, die hun weg zoowel over den hof beneden, als boven over de platte daken namen.

Vroeger op den avond had Rob de voetstappen en het aanroepen gehoord van twee schildwachten, die op de buitengalerij liepen, vanwaar uit de binnenplaats overzien kon worden. Sliepen die nu? Zoo niet, dan hielden ze wel heel slecht wacht, dat deze man zulk brutaal werk onder hun oogen kon verrichten.

Opeens begreep Rob de waarheid. Die inbreker was zelf een soldaat, een van de twee, die speciaal waren aangewezen om dit deel van het Paleis te bewaken. De ander was zijn medeplichtige. Beiden waren bezig 't een of ander boos opzet te volvoeren. Verraad bedreigde het Paleis!

Zijn eerste ingeving was, naar beneden te snellen en de wacht te waarschuwen. Maar vreezend, dat tijdverlies den inbrekers gelegenheid zou geven weer tot hun oorspronkelijke functie terug te keeren, besloot hij de zaak zonder hulp af te handelen.

Hij stak een geladen revolver bij zich, en mat den afstand van zijn raam naar de daarboven gelegen, onder langs het dak loopende buitengalerij, die een soort van borstwering vormde. Buiten op de vensterbank staande kon hij met de handen juist de benedenzijde der galerij bereiken; hij vond er echter geen houvast voor zijn handen. Rondtastend stootte hij tegen een afvoerbuis, en een oogenblik dacht hij er aan, daarlangs omhoog te klimmen. De buis was echter zoo glad, en lag zoo dicht tegen den muur aan, dat hij er de handen niet omheen kon slaan. Toen deed het toeval hem een ijzeren handvat grijpen, dat in den muur was bevestigd, en, zooals hij den volgenden dag waarnam, een onderdeel uitmaakte van een reeks dergelijke handvatten, welke, met het oog op brandgevaar, dienen moesten om het dak te bereiken. Zich aan de bovenbinnenzijde van het raam vasthoudend, zette hij een voet op zulk een haak, trok den anderen voet bij, en greep met de hand den volgenden, hooger geplaatsten haak. Nog een stap, en hij stond op de galerij. In een vensternis verborgen, keek hij de galerij langs. Op eenige passen afstand, afstekend tegen de lucht, stond de donkere, in een mantel gehulde figuur van een schildwacht, die op zijn geweer leunde en de oogen naar het venster gericht hield, waar Rob zooeven den inbreker had gezien.

In dezelfde richting kijkend, ontdekte Rob een flauw lichtschijnsel achter het geheimzinnig venster. Hij maakte daaruit op, dat 't den man gelukt was naar binnen te komen.

Zonder gedruisch voortsluipend, gaf Rob den schildwacht plotseling een klap op den schouder, wees naar het getraliede venster en zei:

"Ben je van plan dien schurk te arresteeren?"

De schildwacht wendde zich hevig verschrikt om. Zich ontdekt ziend, velde hij het geweer en deed met de bajonet een stoot naar Rob. Deze was op zijn hoede, en greep, opzij springend, het geweer bij de loop. Met een enkele krachtige beweging had hij het den soldaat ontrukt, en in 't volgend oogenblik bracht hij hem met de kolf zulk een slag op 't hoofd toe, dat de man neerviel, en onbewegelijk liggen bleef, zonder een kreet geuit te hebben.

Over de borstwering kijkend om te zien of deze schermutseling de aandacht had getrokken, zag Rob tot zijn verrassing een blauw licht achter het venster aan de overzijde. De man zwaaide gedurende enkele seconden, blijkbaar als sein, een lantaren heen en weer.

Dadelijk snelde Rob de galerij langs en bereikte het punt waar het touw bevestigd was.

In een vensternis knielend en omlaag ziende, bemerkte hij dat een dunne rookkolom uit het venster opsteeg.

Wat gebeurde daarbinnen? Stak de man het Paleis in brand?

Het lag niet in Rob's aard hier lang over na te denken. Hij besloot dadelijk de kamer binnen te dringen om aan die kwaadwilligheid een eind te maken. Het touw met beide handen grijpend, liet hij zich zakken. Zoodra zijn voeten het kozijn raakten, nam hij zijn revolver in de hand, en zonder zelf een blik naar binnen te werpen, wrong hij zich tusschen de spijlen door en liet zich naar binnen glijden. De kamervloer bleek vrij laag te liggen, en Rob viel languit op den steenen grond, maar hij was onmiddellijk overeind en trachtte nu de duisternis en den rook te doorboren, waarin de kamer gehuld was.

Nauwelijks stond hij op zijn voeten of een fluisterende, verschrikte stem sprak:

"Ben jij dat, Peter? Wat kom je hier doen? Maak in hemelsnaam geen leven. Gabor staat in de gang op post!"

"Dan moet Gabor binnenkomen!" riep Rob met donderende stem. "Hallo, Gabor! kom binnen, hier is een gevangene voor je!"

Op het geluid van de stem afgaande, sprong Rob door de duisternis op den man toe, greep hem met de linkerhand bij de keel, en hield hem met de rechter de revolver op het voorhoofd.

De soldaat--want Rob voelde aan de uniformknoopen dat het een soldaat was--was bij dien onverhoedschen aanval ruggelings op den grond getuimeld, en bleef, door schrik en angst bevangen, onbewegelijk liggen.

"Verroer je niet, of ik schiet!" beet Rob zijn tegenstander toe, en daarna riep hij zoo luid hij kon: "Gabor Gabor! te hulp!"

Dadelijk daarop hoorde hij stemmen en voetstappen aan de andere zijde van de deur.

"Gauw, Lasco!" werd er geroepen. "Haal den sleutel van de wacht. Melchior, vlieg de galerij op en zorg dat er niemand door het raam ontsnapt. Vooruit Lasco! stommeling! wat sta je te gapen! Haal den sleutel! Den sleutel, ezelskop!"

"_Hier_ is de sleutel," riep een zware stem, die Rob dadelijk herkende. En in de gang weerklonk het rinkelen van Zabern's Hessische laarzen.

Het was tijd. Want de soldaat, een stevige, groote kerel, die Rob gemakkelijk met éen hand had kunnen neerslaan, was van den schrik bekomen en nu nog slechts op lijfsbehoud bedacht. Hij wist met een plotselinge beweging Rob de revolver uit de hand te slaan, en, zich omgooiend, greep hij zijn veel kleineren aanvaller bij de keel.

Daar ratelde de sleutel in het sleutelgat, de zware deur vloog open, en Zabern stond op den drempel. Het volle licht van de gang stroomde nu naar binnen, en twee soldaten met geladen geweren hielden zich gereed ieder neer te schieten die zich in den weg zou stellen.

Zoowel de Maarschalk als de beide soldaten waren ten hoogste verbaasd toen ze zagen wie daarbinnen waren.

"Wel--dat is Michael!" riep Gabor.

"Rensma!" zei de Maarschalk alleen. Een seconde daarna had hij Michael de zware laars op de borst gezet, en Rob kon opstaan--ongedeerd. Ofschoon hijgend van inspanning en verward door de ongewone gebeurtenissen, zag hij dadelijk dat Zabern zijn oplossing van het cijferbericht in de hand had.

"Juist op tijd!" zei de Maarschalk, die het verband tusschen Orloff's brief en de verraderlijke daad van Michael onmiddellijk begreep. "Gabor en Lasco--ga in die kamer daar; de krijgsraad wacht je wanneer je er uit komt. Ik zal het met dien man alleen wel klaarspelen."

De beide soldaten gingen heen.

"Goedennacht, Michael," fluisterde Gabor. "_Hem_ zullen we niet weerzien. Ik ken den Maarschalk."

Nu Rob weer vrij was, zag hij dat hij zich in een gewelfde steenen kamer bevond, ongeveer twintig pas in 't vierkant, en slechts spaarzaam van meubelen voorzien. Tegen een der muren was een ijzeren kist met krammen bevestigd; Rob begreep instinctmatig dat de inhoud daarvan het doel van Michael's onderneming geweest was.

Zabern deed een paar snelle schreden naar de kist, en scheen verlucht toen hij deze gesloten vond.

Daarna wendde hij zich weer tot den soldaat, die verstijfd van schrik op den grond was blijven liggen, bovendien door Rob's revolver in bedwang gehouden.

Zabern vouwde de armen over elkaar, en zag den man met een vreeselijken blik aan.

"Ik zal niet vragen waarom je hier kwam. Jij en ik weten dat beiden. Je hebt het dus niet te pakken gekregen?"

Michael antwoordde niet.

"Is het nog in de kist?"

Michael bleef zwijgen. Hij scheen van ontzetting de spraak verloren te hebben.

"Waarom zeg je niets?"

"Toen ik binnenkwam," zei Rob, "hing hier een rooklucht."

Zabern was meer dan eens een man genoemd, die nooit vrees had gekend. Ditmaal echter faalde die uitspraak. Zijn geheele wezen drukte de grootste vrees uit, toen hij zich de woorden herinnerde uit het papier dat hij in de hand hield:

"_Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden._"

"Als je het gedaan hebt, kerel, vermoord ik je! Had je een sleutel? Geef op!"

Steeds antwoordde Michael niet.

De richting van zijn oogen volgend, zag Zabern een sleutel op den grond liggen. Hij opende er de kist mede, en vond dat deze niets dan eenig verkoold papier bevatte. Zijn gelaat nam zulk een afschuwelijk verwrongen uitdrukking aan, dat Rob onwillekeurig terugdeinsde. Een kreet om genade klonk door het vertrek, toen Zabern de revolver uit Rob's handen rukte en op Michaël aanvloog. Een knal, een doffe slag--en daarna was alles stil. Het was zoo snel in zijn werk gegaan, dat Rob, met afgrijzen vervuld, geen tijd had gevonden tusschen beiden te komen.

"Zonder krijgsraad!" zei hij streng. "Dat gebeurt in Holland niet!"

"Er zijn oogenblikken, waarop men niet met de voorschriften van een wet rekening kan houden," antwoordde Zabern somber. "Die man wist een geheim, dat zelfs de meest vertrouwde leden van een krijgsraad niet behoorden te weten. Ik heb hem gevonnisd in het belang van den Staat."

"En hoe zult ge die daad verantwoorden?"

Zabern haalde schouders op.

"Zelfverdediging. Een soldaat brak in in het Paleis. Ik betrapte hem--toen hij zich verzette, schoot ik hem neer. En denk er aan," sprak hij zoo dreigend, dat Rob naar de deur keek, als wilde hij ontvluchten, "wanneer ik niet wist dat ik op uw stilzwijgen vertrouwen kon, dan--schoot ik ook u hier op de plaats neer! In het belang van den Staat is _alles_ geoorloofd."

Rob zweeg. Een zonderlinge vermenging van afkeer en bewondering voor dezen verschrikkelijken man vervulde hem. Eensdeels betreurde hij het, dat een beschaafd, verlicht land zulke geweldige naturen als Zabern noodig had, om zich tegenover dreigend buitenlandsch gevaar staande te houden; aan den anderen kant begreep hij, dat ook het humaanste, zedelijk hoogst-staande volk het onderspit moest delven in een strijd tegen brutale overmacht, zoo het niet werd aangevoerd door mannen als Zabern, mannen met ontembaren wil en ijzeren vuisten. Maar dit hoopte hij van ganscher harte: dat eenmaal de tijd zou aanbreken, waarin geweld en onrecht zouden wijken voor menschelijkheid en verstand, waarin Czernovië een vrij, gelukkig land zou zijn in een vrij, gelukkig Europa. En dat dan de Zaberns gemist konden worden!

Terwijl Rob dit overdacht, had er eenige oogenblikken een pijnlijke stilte geheerscht. Rob verbrak die met de vraag:

"Wat was de misdaad van dien man?"

"De afschuwelijkste misdaad die hij tegenover de Prinses plegen kon, en waardoor de vrijheid van geheel een volk werd vernietigd. Uw ontcijfering van het document is te laat gekomen, slechts enkele minuten te laat om ons van nut te zijn," antwoordde Zabern bitter.

"Ik begrijp u niet, Maarschalk."

"Waarop is de vrijheid van Czernovië gegrond? Op het Charter, dat Keizer Nicolaas ons gaf, toen de Republiek op van Rusland gekochten grond gesticht werd. Dat Charter is nu tot asch verbrand. Ziedaar het eerste bedrijf van het drama. Het volgende zal zijn, zooals uit het cijferbericht blijkt, dat de Czaar een deputatie zendt, die de gronden verzoekt te vernemen, waarop Czernovië zich onafhankelijk meent te mogen verklaren. Welk antwoord kunnen we geven? Welke bewijzen voorbrengen? Zonder ons Charter zijn we aan de genade van Rusland overgeleverd. Zijn Ministers--Nicolaas Bardogolski, de in het document genoemde Minister van Buitenlandsche zaken in de voorste rij!--zullen volhouden dat zulk een Charter nooit werd verleend, dat onze vrijheid op een leugen berust, dat alle bestaande afschriften van dat stuk op een legende steunen, welke wij langzamerhand tot historie vervormd hebben. "Laat ons het origineel zien!" zullen ze zeggen, "Toon ons de autenthieke handteekening van den Czaar!" Begrijpt ge nu wat die man deed?"

De duivelsche toeleg van het complot deed Rob huiveren van afkeer. En zijn gedachten gingen uit naar de Prinses, die op dat oogenblik rustig sliep in haar op ruimen afstand van hier gelegen kwartier van het reusachtig Paleis, nog onwetend van dit nieuwe gevaar dat haar troon bedreigde. Hij voelde nu minder medelijden met den ongelukkige die daar aan zijn voeten lag.

"Waarom verzond hij het document niet naar Rusland?"

"De reden hebt ge in het cijferbericht gelezen. Het was minder gevaarlijk het dadelijk te vernietigen. En zooals ge gezien hebt, had Orloff, de handlanger der Russische Regeering, dat goed begrepen. Had deze man het Charter immers bij zich gestoken, dan was het nu weder in ons bezit. O, ik kan mezelf vervloeken dat ik dit niet voorkomen heb! "Bewaarder van het Charter," luidt een mijner titels. Een goed bewaarder inderdaad! Gelukkig weten u en ik alleen, dat het complot gelukt is, want die beide soldaten daar begrijpen er niets van. Ze weten niet eens wat een Charter is, nog minder dat het hier bewaard werd."

"Ik vrees, Maarschalk, dat er anderen zijn die het weten," zei Rob, een lantaarn met blauw glas oprapend. "Ik zag een teeken geven met deze lantaarn--wat werd daarmee anders bedoeld dan een ergens opgesteld handlanger te berichten dat het Charter verbrand was?"

De Maarschalk stiet een vloek uit.

"Dan kunnen we het gezantschap van den Czaar spoedig verwachten," zei hij.

Naar het venster gaande, onderzocht hij de tralies.

"Het doorvijlen van die zware staven moet meer dan éen nacht hebben gekost. Hoe is het mogelijk dat de post op de borstwering dit niet belette?"

"Hij maakte zelf deel uit van die post," zei Rob. "Dat herinnert me er aan, dat er nog een man daarginds ligt; ik sloeg hem neer met zijn eigen wapen."

"Nog een? Bij alle duivels! Dat je dien vergeten kon! Wanneer hij eens ontsnapt was met het bericht van wat hier was gebeurd!"

Zabern snelde de kamer uit, en klom een wenteltrap op die naar het dak leidde. Rob volgde hem op den voet. De schildwacht lag nog op de plaats waar Rob hem gelaten had. Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik.

"Hij zal nooit weer den verrader spelen. Ge hebt hem den schedel verbrijzeld. En óok zonder een krijgsraad!" voegde hij er droog bij.

Na Gabor en Lasco geroepen te hebben, gaf Zabern hun aanwijzingen om de twee lijken weg te brengen; tevens beval hij de strengste geheimhouding over het gebeurde.

Daarna liep hij, met Rob naast zich, eenigen tijd somber en zwijgend langs de galerij.

"Die twee worden morgen naar een garnizoen in 't Westen verplaatst," zei hij, op de beide soldaten doelend, die nu met hun last de trap afgingen. "Vertrouwbaar zijn ze, geloof ik, wel,--maar wie _is_ er welbeschouwd te vertrouwen, niet waar? Mijn spreuk is: "wees tegenover iedereen op je hoede--vooral tegenover je zelf." Ik had gedacht mijn omgeving nu langzamerhand van verraders gezuiverd te hebben, maar, zooals ge ziet, ze huizen overal."

Er was nog een punt in de kwestie, dat Rob niet duidelijk was. Daarom vroeg hij:

"Hoe is het eigenlijk mogelijk, dat het complot uitgevoerd werd, terwijl toch de brief in onze handen viel, in plaats van aan zijn adres terecht te komen?"

"Mogelijk werden er twee boodschappers uitgezonden, of werd Orloff ongerust toen Russakoff niet binnen een vastgestelden tijd terugkwam, en stuurde hij een anderen brief--die helaas het verlangde resultaat ten gevolge had."

"Gelooft u, dat de Russische Regeering dit plan op touw heeft gezet?"

"Dat zou ik niet direct willen verzekeren. Wel ben ik ervan overtuigd, dat, zoo ze niet de oorspronkelijke opsteller van het plan is, haar toch elk wapen welkom was dat men tegen Czernovië wist te smeden. En wie aan deze zijde van de grens de Russen in de kaart speelt, dat behoef ik u niet te zeggen."

"De Hertog van Bora?"

"Wie anders? En toch ontbreekt me het tastbare bewijs van zijn verraad. Misschien had ik beter gedaan dien Michael te laten leven. Hij zou heel wat hebben kunnen vertellen..."

"Maar bewijst het niets tegen den Hertog, dat hij in 't bezit was van een exemplaar van de Eumeniden, waarin cijfers waren opgeteekend--terwijl nu gebleken is, dat de sleutel uit dat boek te vinden was? Juist de omstandigheid dat ik hem in het Hotel Czernovië dat boek in de hand zag hebben, terwijl ook de laatste woorden van den Secretaris er op doelden, bracht mij op het spoor."

"Zeker bewijst dat iets--in onze oogen althans. En meer nog: in de gevangenis scheurde de Hertog dat boek aan stukken. Maar wat zullen zijn verdedigers zeggen? "Een toevallige samenloop van omstandigheden!" Bovendien durf ik den Hertog op dat vermoeden niet voor een rechtbank brengen; de rechters zouden het verschrikkelijke feit vernemen dat Czernovië zonder Charter is, een geheim dat voor iedereen, ook voor de Prinses verborgen moet blijven. Laat Hare Hoogheid dit nooit hooren; zij heeft reeds genoeg te dragen."

"Vertrouw op mijn stilzwijgen, Maarschalk," antwoordde Rob.

De ochtend begon aan te breken.

"Nu moeten we gaan slapen," zei eindelijk de Maarschalk. "Czernovië gaat moeielijke tijden tegemoet. Maar ik zal op mijn post zijn. Peter de Groote zei: "er zijn drie Joden noodig om slimmer te zijn dan een Rus." Welnu: er zullen heel wat Russen noodig zijn om slimmer te zijn dan Zabern."

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GEZANTSCHAP VAN DEN CZAAR.

Felix aanvaart zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff, Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin, daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.--

Den volgenden morgen werd Felix in de Witte Zaal ontboden, waar hij, onder de aangename leiding der Prinses zelve, in de geheimen van zijn nieuwe betrekking werd ingewijd. Tot dusver liepen de gebeurtenissen hem mee; ongetwijfeld had hij geen beteren weg kunnen vinden om leidende macht te verkrijgen in de staatsaangelegenheden van Czernovië.

Zij, die aan de geruchten hadden geloofd, die van een uit vroeger tijden dateerende relatie tusschen de Prinses en Felix gewaagden, konden uit de verhouding dier beide personen tot hun verwondering niets opmaken, dat die geruchten ook maar eenigermate bevestigde. Zoo ongedwongen als natuurlijk hun omgang was wanneer zij samen waren, zoo voorzichtig gedroegen zij zich in het openbaar. Geen blik, geen woord verried hun geheim; Felix behield steeds de bescheiden houding van den ondergeschikte, Elizabeth de autoritaire waardigheid van een Vorstin.

Aan Zabern's scherp oog was het mysterie niet ontsnapt, dat deze twee menschen klaarblijkelijk aan elkaar verbond; wat hij echter ook van de keuze der Prinses dacht, de voorzichtige Maarschalk liet daarvan niets raden. Hij zag in de toekomst dingen, die voor anderen nog verborgen waren, en, vast overtuigd, dat Felix verborgen redenen had om de onafhankelijkheid van Czernovië te bevorderen, begreep hij te goed dat deze vreemdeling hem in zijn overeenkomstige plannen van groot nut kon zijn, dan dat hij zich verzetten zou tegen een toenadering, die hij eer aanmoedigde dan vreesde.